id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.063 Rolnummer: A. 229781/X-17632 Zaak: Arrest 258063 - Onteigeningen - 30/11/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-12-08 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-06-10 16:44 Fiche Arrest nr 258.063 van 30 november 2023 Overheidsopdrachten en openbare werken - Onteigeningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 258.063 van 30 november 2023 in de zaak A. 229.781/X-17.632 In zake : 1. Hendrik VAN KERCKHOVE 2. Ernestine VAN WOLVELAER 3. Marc D’HANIS 4. Christel VAN RAEMDONCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Igor Rogiers kantoor houdend te 9270 Kalken Kalkendorp 17/A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 16 december 2019, strekt tot de nietigverklaring van het besluit nr. 23277 van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 1 oktober 2019 waarbij de oprichting van rioolwater- zuiveringsinfrastructuur in de stad Sint-Niklaas van openbaar nut wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Pierrot T’Kindt heeft een verslag opgesteld. X-17.632-1/22 De verzoekende partijen en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2023. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Amber Bogaert, die loco advocaat Igor Rogiers verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Guillaume Vyncke, die loco advocaten Steve Ronse en Deborah Smets verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Pierrot T’Kindt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekers hebben eigendoms- of pachtrechten op een aantal percelen gelegen te Sint-Niklaas, in en rond de Burrelstraat en de Kiemerstraat, waar zij familiale landbouwbedrijven uitbaten. Het gaat om de percelen kadastraal bekend als afdeling 4, sectie D, nummers 1978/g, 1974, 1973, 1965, 1964, 1960, 1961, 2001, 2002, é3/h, 2342, é6, 2322/a en 1962/c. 3.2. Op 24 mei 2019 dient de nv Aquafin bij de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw een aanvraag in om een verklaring van openbaar nut te verkrijgen met het oog op de aanleg van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in het kader van een project 23277 ‘Sint-Niklaas: Afkoppeling waterloop 1’. X-17.632-2/22 3.3. Tijdens het openbaar onderzoek over die aanvraag, georganiseerd van 8 juli 2019 tot en met 6 augustus 2019, worden vier bezwaarschriften ingediend, waaronder twee door verzoekers. 3.4. Met het bestreden besluit nr. 23277 van 1 oktober 2019 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de stad Sint-Niklaas van openbaar nut. Meer bepaald wordt in het bestreden besluit het volgende besloten: “BESLUIT: Artikel 1. De bouw van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur – volgens de bijgevoegde goedgekeurde grondinnemingsplannen nummers 23277/1/17-3-5.1/6 met revisie 2 van 1 maart 2019, 23277/1/17-3-5.2/6 met revisie 2 van 1 maart 2019, 23277/1/17-3-5.3/6 met revisie 2 van 1 maart 2019, 23277/1/17-3-5.4/6 met revisie 3 van 23 april 2019, 23277/1/17-3-5.5/6 met revisie 2 van 1 maart 2019, 23277/1/17-3-5.6/6 met revisie 2 van 1 maart 2019, en de bijbehorende legende, plannummer 23277/1/17-3-3 met revisie 2 van 1 maart 2019, van het project in het optimalisatieprogramma 2017 bekend onder nummer 23277 bij de VMM, Afdeling Economisch Toezicht, – onder, op of boven private onbebouwde gronden, die niet volledig omsloten zijn met een ondoordringbare muur of omheining, gelegen op het grondgebied van de stad Sint-Niklaas, wordt van openbaar nut verklaard ten gunste van de nv Aquafin, Dijkstraat 8 te 2630 Aartselaar, hierna de gerechtigde te noemen. Deze installaties mogen op de hiernavolgende percelen gebouwd worden: Stad: Sint-Niklaas Kadastraal gekend onder: Afdeling: 4; Sectie: D; Perceel: nummers: 1975B, 1948G, 1974, 1949, 1973, 1965, 1958A, 1964, 1959G2, 1960A, 1961, 1962C, 2001, 2002C, 2342, é6, é5A, é4A, 2328L, 2379A, 2378D, 2382, 2383A en 2385V. Art. 2. De installaties op de onder artikel 1 vermelde percelen worden opgericht onder de volgende voorwaarden: 1) gedurende de aanleg rust de wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut op alle percelen en/of gedeelten van percelen aangeduid in gele, groene en groen gearceerde kleur op de bijgevoegde grondinnemingsplannen nummers 23277/1/17-3-5.1/6 met revisie 2 van 1 maart 2019, 23277/1/17-3-5.2/6 met revisie 2 van 1 maart 2019, 23277/1/17-3-5.3/6 met revisie 2 van 1 maart 2019, 23277/1/17-3-5.4/6 met revisie 3 van 23 april 2019, 23277/1/17-3-5.5/6 met revisie 2 van 1 maart 2019 en 23277/1/17-3-5.6/6 met revisie 2 van 1 maart 2019; 2) na de oprichting van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur rust de wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut op alle percelen en/of gedeelten van percelen aangeduid in gele en groene kleur en vervalt de wettelijke erfdienstbaarheid van openbaar nut op de strook grond nodig als tijdelijke werkzone, als gearceerde groene strook aangeduid op bijgevoegde grondinnemingsplannen nummers 23277/1/17-3-5.1/6 met X-17.632-3/22 revisie 2 van 1 maart 2019, 23277/1/17-3-5.2/6 met revisie 2 van 1 maart 2019, 23277/1/17-3-5.3/6 met revisie 2 van 1 maart 2019, 23277/1/17-3-5.4/6 met revisie 3 van 23 april 2019, 23277/1/17-3-5.5/6 met revisie 2 van 1 maart 2019 en 23277/1/17-3-5.6/6 met revisie 2 van 1 maart 2019; 3) Overwegende dat op een deel van het perceel kadastraal gekend als Sint-Niklaas, afdeling 4, sectie D, nummers 1975B, 1974, 1949, 1960A, 1961, 1962C, 2001, 2002C, 2342 en é6, voorwerp van onderhavig Ministerieel Besluit,een recht van toe- en doorgang wordt gevestigd zoals aangeduid in rode arcering op het grondinnemingsplan 23277/1/17-3-5.1/6 met revisie 2 van 1 maart 2019, 23277/1/17-3-5.3/6 met revisie 2 van 1 maart 2019, 23277/1/17-3-5.4/6 met revisie 3 van 23 april 2019 en 23277/1/17-3-5.5/6 met revisie 2 van 1 maart 2019, met dien verstande dat indien voormeld recht van toe- en doorgang tijdelijk niet kan uitgeoefend worden, de eigenaar en/of gebruiker van achterliggende perce(e)l(
- en)geen aanspraak kan maken op enige vergoeding; 4) alle redelijke maatregelen zullen getroffen worden om, zelfs gedurende de werkzaamheden, een normaal gebruik van de grond die belast is met een erfdienstbaarheid door de eigenaar, de huurder of de eventuele andere bezetter, mogelijk te maken; 5) de werkzaamheden mogen pas beginnen na het verloop van een termijn van twee maanden na kennisgeving per aangetekend schrijven aan de belanghebbende eigenaars en huurders; 6) de gerechtigde, dit is de nv Aquafin, stelt de nodige afdrukken van de plannen, bestemd voor de openbare besturen of diensten, ter beschikking. Art. 3. Voor de studie, het toezicht, de oprichting, de bewaring, het onderhoud en het herstellen van de rioolwaterzuiveringsinfrastructuur krijgen de personen, door de gerechtigde daartoe aangesteld, steeds toegang tot deze installaties, en dit langs de kortste weg vanaf de openbare weg. Zij mogen zich langs de installatie verplaatsen en eventueel het materiaal nodig voor de oprichting, het onderhoud en het herstellen per voertuig aanbrengen. Zij mogen daarvoor gratis gebruik maken van alle wegen, erfdienstbaarheden en toegangen die langs de kortste weg naar de installaties leiden, met dien verstande dat alle eventueel berokkende schade aan het terrein of erop staande gewassen alsook de schade aan derden vergoed worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 13 van de eerder vermelde wet van 12 april 1965. Art. 4. Als de eigenaars van de percelen, vermeld in artikel 1, wensen dat de gerechtigde op deze erfdienstbaarheid de door de installaties bezette grond zou kopen, kunnen ze dit aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, laten weten binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf het ogenblik waarop het besluit aan hen betekend werd. Art. 5. De nv Aquafin verstuurt een afschrift van dit besluit naar: 1) het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas; 2) de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen. Art. 6. Een afschrift van dit besluit wordt samen met de goedgekeurde bijbehorende grondinnemingsplannen nummers 23277/1/17-3-5.1/6 met revisie 2 van 1 maart 2019, 23277/1/17-3-5.2/6 met revisie 2 van 1 maart 2019, 23277/1/17-3-5.3/6 met revisie 2 van 1 maart 2019, X-17.632-4/22 23277/1/17-3-5.4/6 met revisie 3 van 23 april 2019, 23277/1/17-3-5.5/6 met revisie 2 van 1 maart 2019, 23277/1/17-3-5.6/6 met revisie 2 van 1 maart 2019, en de bijbehorende legende, plannummer 23277/1/17-3-3 met revisie 2 van 1 maart 2019, opgestuurd aan de nv Aquafin, Dijkstraat 8 te 2630 Aartselaar, die op haar beurt de belanghebbende eigenaars en huurders op de hoogte brengt van dit besluit. Art. 7. Iedere belanghebbende kan door middel van een ondertekend verzoekschrift tegen dit besluit bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring indienen binnen een termijn van zestig dagen na kennisneming. Het eventuele verzoekschrift wordt aangetekend neergelegd bij de Raad van State samen met drie door de ondertekenaar eensluidend verklaarde afschriften en bovendien zoveel afschriften als er andere bij de zaak betrokken partijen zijn. Bevat het verzoekschrift tot nietigverklaring tevens een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden akte, dan bevat het verzoekschrift negen door de ondertekenaar eensluidend verklaarde afschriften (artikel 85 van het procedurereglement van de Raad van State, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 25 april 2007).” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.1. Verzoekers voeren in een eerste middel de schending aan van artikel 2.6.1.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 ‘betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018’ (hierna: het waterwetboek), artikel 10 van de wet van 12 april 1965 ‘betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen’ (hierna: de gaswet), artikel 3, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 ‘houdende vaststelling van regelen met betrekking tot de uitvoering van werken door de N.V. Aquafin in toepassing van artikel 2.6.1.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018’ (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de motiveringswet), alsook van de beginselen van behoorlijk bestuur, “inzonderheid het motiverings-, rechtszekerheids-, zorgvuldigheids- en X-17.632-5/22 redelijkheidsbeginsel”. Tevens voeren zij de “ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag” aan. Verzoekers wijzen op de toepasbaarheid van artikel 10, eerste lid, van de gaswet, dat bepaalt dat een verklaring van openbaar nut mogelijk is voor “het geheel of een deel van de private niet bebouwde gronden en die niet volledig omsloten zijn met een ondoordringbare muur of omheining”. Verzoekers zetten uiteen dat uit het dossier blijkt dat inname 23 betrekking heeft op een bebouwd perceel, gelet op de aanwezigheid aldaar van een boerderij en enkele gebouwen en constructies. Verder is dat perceel, om melkvee te houden, omheind door middel van prikkeldraad en schrikdraad. Hetzelfde geldt voor weilanden die ten dele het voorwerp zijn van de innames 7, 9, 10, 12, 15, 19, 20, 24, 25 en 28. Ook het perceel waarop de inname 13 betrekking heeft, is zowat volledig bebouwd, met een lokaal van de KLJ, een kerk en een voedselverdelingslokaal. Inname 18 betreft dan weer een perceel waarop een elektriciteitscabine staat. Voor verzoekers staat het vast dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 10 van de gaswet, daar het voorziet in allerhande innemingen op omheinde (landbouw)percelen met constructies, waaronder zelfs een boerderij en een elektriciteitscabine. De verwerende partij is daarvan op de hoogte gesteld tijdens het openbaar onderzoek. Uit de documenten van het aanvraagdossier blijkt dat de percelen waarop het bestreden besluit betrekking heeft volledig omheind zijn, en het bestreden besluit bevestigt zelf dat op de verschillende terreinen constructies aanwezig zijn. Met haar motivering dat de weideafsluiting op de percelen de toegang niet zal beletten en dat er nieuwe weideafsluitingen zullen worden geplaatst, miskent de verwerende partij het verbod van artikel 10 van de gaswet. Het gaat om drogredenen, die als motivering niet volstaan. 4.2. In hun memorie van wederantwoord betogen verzoekers dat alleen al uit het kadasterplan blijkt dat op verschillende percelen, zoals de percelen 1975/b, 1949 en 1948/g voor de innames 5, 6 en 8, constructies aanwezig zijn. Verzoekers brengen ook foto’s bij van die constructies. Ook op perceel 2385/v zijn X-17.632-6/22 verschillende constructies aanwezig. Bovendien blijkt uit foto’s dat dit perceel volledig omsloten is met een haag en hekwerk. Het gaat daarbij niet om een weiland, een veld of een bebost perceel, maar om het private erf van een boerderij. Perceel 1959/g2 is eveneens bebouwd. De verwerende partij houdt geen rekening met de uitkijktoren aan de achterzijde van dat perceel. Ook dit perceel is geen weiland of een veld, maar een privaat perceel met bebouwing. Het perceel is bovendien volledig omheind en niet toegankelijk. In zoverre de verwerende partij onder verwijzing naar artikel 1 van het bestreden besluit aanvoert dat bepaalde innemingen na het openbaar onderzoek niet zijn behouden, repliceren verzoekers dat de bij het bestreden besluit gevoegde plannen daaraan niet zijn aangepast. Zo is op het bij het bestreden besluit gevoegde plan 23277/1/17-3.5.5/6 inname 23 het perceel met de stallen en het woonhuis van de derde en vierde verzoekende partijen nog steeds aangeduid. Ook inname 4.02 op perceel 1978/g (met een woonhuis), is niet opgenomen in artikel 1 van het bestreden besluit, maar staat wel op plan 23277/1/17-3.5.1/6. Het bestreden besluit en de goedgekeurde plannen spreken elkaar tegen. Het gebrek aan rechtszekerheid wordt alleen maar groter doordat in het bestreden besluit wordt verklaard dat de percelen aangeduid op de plannen van openbaar nut worden verklaard. Beoordeling 5.1. Anders dan verzoekers dit in hun laatste memorie blijkbaar zien, is hun betoog laattijdig en hun middel derhalve onontvankelijk, in zoverre zij eerst in hun memorie van wederantwoord met betrekking tot de innames 4.02, 5, 6 en 8 wijzen op de aanwezigheid van constructies op de percelen 1978/g, 1975/b, 1949 en 1948/g, en zij in die memorie voor het eerst betogen dat er zich verschillende constructies bevinden op het volledig omheinde perceel 2385/v (inname 38), die geen weiland, veld of bos zijn, en dat daarnaast ook het perceel 1959/g2 (inname 13) volledig is omheind, geen weiland, veld of bos is, en een uitkijktoren omvat. Ook zij vastgesteld dat verzoekers niet beweren over eigendoms- of andere rechten op de voormelde percelen te beschikken, zodat zij X-17.632-7/22 geen persoonlijk belang hebben bij de nietigverklaring van het bestreden besluit in zoverre dit deze percelen betreft. Hetzelfde geldt voor wat het perceel 1962/b (inname 18) betreft. 5.2. Voor de inname 18, 23 (perceel é3/h), 28 (perceel 2322/
- a)en, ten overvloede, voor de pas in de memorie van wederantwoord vermelde inname 4.02 (perceel 1978/
- g)geldt verder dat de desbetreffende kadastrale percelen niet in het tweede lid van artikel 1 van het bestreden besluit worden vermeld als kadastrale percelen waarvoor de aanleg van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur mogelijk is, en waarvoor de verklaring van openbaar nut dus van toepassing is. Verzoekers’ kritiek in hun memorie van wederantwoord dat de aanleg van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur luidens het eerste lid van artikel 1 van het bestreden besluit van openbaar nut wordt verklaard “volgens de bijgevoegde goedgekeurde grondinnemingsplannen”, waarop de voormelde innames nog steeds zijn aangeduid, laat onverlet dat artikel 1 van het bestreden besluit moet begrepen worden als een verklaring van openbaar nut voor de grondinnames die zijn aangegeven op die plannen, voor zover zij betrekking hebben op de in het tweede lid opgesomde kadastrale percelen. Een dergelijke lectuur vindt bevestiging in artikel 2 van het bestreden besluit, dat uitdrukkelijk verwijst naar deze percelen, alsook in de overwegingen van het bestreden besluit, waarin de voor verzoekers relevante kadastrale percelen en aanduidingen op de bijgevoegde grondinnemingsplannen worden opgegeven alvorens hun bezwaren worden beantwoord. Derhalve kan verzoekers’ grief dat een dergelijke werkwijze onvoldoende rechtszekerheid biedt, daargelaten de vraag naar de tijdigheid ervan, niet worden bijgevallen. 5.3. Met betrekking tot de kadastrale percelen 1974, 1973, 1965, 1964, 1960/a, 2001, 2002/c, 2342 en é6, die deels het voorwerp zijn van de innames 7, 9, 10, 12, 15, 19, 20, 24 en 25, betogen verzoekers dat de innames weilanden betreffen voor melkvee die volledig zijn afgesloten met prikkel- en schrikdraad. Zij menen dat een verklaring van openbaar nut met het oog op de aanleg van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur voor dergelijke omheinde gronden in strijd is met artikel 10, eerste lid, van de gaswet. X-17.632-8/22 5.4. Artikel 10, eerste lid, van de gaswet, zoals te dezen toepasselijk, luidt: “Na onderzoek kan de Koning van openbaar nut verklaren het oprichten van een gasvervoerinstallatie onder, op of boven het geheel of een deel van de private niet bebouwde gronden en die niet volledig omsloten zijn met een ondoordringbare muur of omheining.” Het te dezen eveneens toepasselijke artikel 1, 73°, van de gaswet bepaalt: “Voor de toepassing van deze wet moet worden verstaan onder: […] 73° ‘ondoordringbare omheining’: de omheining gelijkwaardig aan een muur bestemd om de toegang tot een private grond te verhinderen. De omheiningen van weilanden, velden of bossen worden, ongeacht het gebruikte materiaal, niet beschouwd als ondoordringbare omheiningen.[…]” 5.5. Verzoekers’ standpunt dat een verklaring van openbaar nut voor de inname van met prikkel- en schrikdraad omheinde weilanden onwettig zou zijn, valt niet te verenigen met het bepaalde in artikel 1, 73°, van de gaswet. 5.6. Verzoekers tonen verder niet aan waarom het motief van het bestreden besluit “dat in casu de weideafsluiting niet beschouwd wordt als van die aard zijnde dat de toegang tot het perceel wordt belet”, niet zou volstaan als antwoord op hun bezwaren. 5.7. Gelet op wat voorafgaat, tonen verzoekers geen schending van de aangevoerde rechtsregels aan. 5.8. Het middel wordt verworpen. X-17.632-9/22 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 6.1. Verzoekers voeren in een tweede middel de schending aan van de artikelen 1.2.2 en 1.3.1.1 van het waterwetboek, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, en de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het motiverings-, rechtszekerheids-, zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. Ook voeren zij de “ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag” aan. Verzoekers zetten uiteen dat de overheid moet nagaan of de beslissing die zij neemt onderworpen is aan de watertoets en of het goed te keuren plan of programma geen schadelijke invloed zal hebben op de waterhuishouding. Er kan niet worden betwist dat met het bestreden besluit een plan of programma voorligt waarvoor de watertoets geldt. De verwerende partij overweegt dat deze niet vereist is, maar uit het bestreden besluit blijkt nergens waarom dat zo zou zijn. Het bestreden besluit heeft duidelijk betrekking op handelingen die een invloed hebben op het watersysteem. Verzoekers hebben er in hun bezwaren op gewezen dat het grondwatersysteem door een inwilliging van de aanvraag ernstig zou worden aangetast, omdat het grondwater onder de getroffen percelen zich op een diepte van 80 cm bevindt en de aan te leggen gracht een gemiddelde diepte zal hebben van 1,80 m, zodat die gracht het grondwater uit de omliggende percelen zal wegtrekken. Daardoor zal het grondwaterpeil aanzienlijk dalen en zullen de percelen op termijn volledig verdrogen. Daarnaast blijkt dat voornamelijk de Kiemerstraat, maar ook de omliggende landbouwgronden, (zeer) gevoelig zijn voor grondwaterstroming. Hoewel verzoekers uitdrukkelijk op die probleempunten hebben gewezen, heeft de verwerende partij daar allerminst rekening mee gehouden. De verwerende partij poneert een en ander, maar gaat nergens concreet na wat de invloed zal zijn van het gekozen tracé op het grondwater, terwijl zij nochtans erkent dat door de gracht het grondwater gemakkelijker zal afvloeien, wat een negatieve impact heeft op het grondwatersysteem van de omliggende landbouwondernemingen, die zijn aangewezen op dat grondwater voor hun landbouwactiviteiten. X-17.632-10/22 Ten slotte betogen verzoekers dat uit de verrechtvaardigingsnota blijkt dat het bufferbekken zal worden aangelegd ter hoogte van de innemingen 28 tot en met 32, die betrekking hebben op zones die deels in agrarisch gebied en deels in groengebied gelegen zijn, bestemmingen waarbinnen een bufferbekken niet kan worden vergund. 6.2. Verzoekers stellen in hun memorie van wederantwoord dat uit het bestreden besluit geen motivering blijkt waarom geen watertoets moet worden uitgevoerd. Het bestreden besluit houdt een machtiging in voor de uitvoering van werken in de zin van artikel 1.3.1.1, § 5, eerste lid, 5°, van het waterwetboek, meer bepaald van inrichtingswerken als bedoeld in de artikelen 1, 8°, en 12, § 1, van de wet van 28 december 1967 ‘betreffende de onbevaarbare waterlopen’ (hierna: de wet van 28 december 1967). Op de ingenomen percelen zal immers het tracé van de waterloop 1 worden aangelegd. Minstens is het bestreden besluit te beschouwen als een uitvoeringshandeling van het programma/plan tot oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur in de stad Sint-Niklaas. Dat heeft duidelijk impact op de watersystemen. Dat er, om de werken uit te voeren, nog een afzonderlijke vergunning moet worden verkregen, doet geen afbreuk aan het feit dat met de verklaring van openbaar nut een specifiek tracé voor de waterloop wordt vastgelegd. In het bestreden besluit worden ook verschillende essentiële kenmerken van de waterloop bepaald. De verklaring van openbaar nut houdt een essentiële stap in alvorens een vergunning voor de uitvoering van de werken kan worden verkregen. De vergunning voor de aanleg van de waterloop bouwt bovendien voort op de bij de verklaring van openbaar nut gemaakte keuzes. Verzoekers maken verder de vergelijking met de watertoets, vereist voor het verkrijgen van een verkavelingsvergunning. Beoordeling 7.1. Artikel 1.3.1.1, § 5, van het waterwetboek bepaalt: X-17.632-11/22 “§ 5. De volgende vergunningen worden in ieder geval onderworpen aan de watertoets: 1° de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden van een project, vermeld in artikel 5, 1°,
- a)en b), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning; 2° als dat relevant is, gelet op het voorwerp van de vergunningsaanvraag, de omgevingsvergunning voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten van een project, vermeld in artikel 5, 1°, c), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning; 3° voor zover als relevant, gelet op het voorwerp van de vergunningsaanvraag, de milieuvergunning als vermeld in artikel 4, §1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning; 4° de vergunning voor een watervang als vermeld in artikel 80 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991; 5° de machtiging voor het uitvoeren van buitengewone werken van verbetering en wijziging, vermeld in de artikelen 12 en 14 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen; 6° de vergunning, vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. De volgende plannen en programma’s worden in ieder geval onderworpen aan de watertoets: 1° een ruimtelijk uitvoeringsplan en een algemeen en bijzonder plan van aanleg als vermeld in artikel 1.1.2, 9°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009; 2° een plan van de nieuwe wegen en afwateringen als vermeld in de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van wet en het ruilverkavelingsplan opgemaakt in uitvoering van voormelde wet; 3° een landinrichtingsplan als vermeld in het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting; 4° de plannen en programma’s, vermeld in artikel 1.5.3.2, § 4, 7°, van dit decreet; 5° waterhuishoudingsplannen van Polders en Wateringen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2002 houdende het toekennen van een gewestbijdrage aan polders, wateringen, verenigingen van wateringen voor het uitvoeren van bepaalde waterhuishoudkundige werken en tot vastlegging van de procedure inzake subsidiëring van deze werken; 6° natuurrichtplannen als vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. De Vlaamse Regering kan in aanvulling op het eerste en tweede lid een lijst vaststellen van vergunningen, plannen en programma’s die aan de watertoets moeten worden onderworpen. Ze kan ook een lijst vaststellen van subcategorieën van programma’s, plannen en vergunningen waarvoor in afwijking van §5, eerste lid, 1° en 2°, en tweede lid, 1°, geen watertoets is vereist, als die wegens de aard, omvang en locatie ervan geen schadelijk effect kunnen veroorzaken. X-17.632-12/22 Als voor dezelfde activiteit verschillende vergunningen zijn vereist, kan de overheid die beslist over een vergunning voor een activiteit die al het voorwerp heeft uitgemaakt van een andere vergunning die aan de watertoets werd onderworpen, oordelen dat die watertoets volstaat in het kader van de vergunning waarover ze beslist. Voor opeenvolgende programma’s, plannen en vergunningen die betrekking hebben op hetzelfde plangebied, kan de overheid die beslist over een programma, plan of vergunning, oordelen dat een eerder uitgevoerde watertoets volstaat. De Vlaamse Regering kan ook algemene richtlijnen uitvaardigen of nadere regels vaststellen aan de hand waarvan wordt vastgesteld of handelingen of activiteiten een schadelijk effect veroorzaken. Ze kan eveneens algemene richtlijnen uitvaardigen of nadere regels vaststellen voor het bepalen van gepaste voorwaarden om het schadelijk effect te vermijden, te beperken, te herstellen of te compenseren.” 7.2. Een beslissing zoals de bestredene, waarbij de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur van openbaar nut wordt verklaard, betreft vooreerst geen plan of programma zoals vermeld in het tweede lid of bedoeld in het derde lid van artikel 1.3.1.1, § 5, van het waterwetboek, waarvoor de uitvoering van de watertoets verplicht is of kan zijn. Evenmin maakt zij een vergunning uit, bedoeld in het eerste lid van artikel 1.3.1.1, § 5, van het waterwetboek. De beslissing tot verklaring van openbaar nut van de aanleg van rioolwater- zuiveringsinfrastructuur is wat dat betreft te onderscheiden van de eigenlijke verwezenlijking van die infrastructuuraanleg, waarvoor een omgevingsvergunning is vereist die met toepassing van artikel 1.3.1.1, § 5, eerste lid, 1°, van het waterwetboek wel aanleiding geeft tot de uitvoering van de watertoets. De bestreden verklaring van openbaar nut komt al evenmin voor op de aanvullende lijst van vergunningen die aan de watertoets moeten worden onderworpen, die ter uitvoering van de eerste zin van artikel 1.3.1.1, § 5, derde lid, van het waterwetboek is vastgesteld door het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 ‘tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018’. X-17.632-13/22 7.3. In hun memorie van wederantwoord argumenteren verzoekers dat de bestreden beslissing een machtiging betreft in de zin van artikel 1.3.1.1, § 5, eerste lid, 5°, van het waterwetboek, meer bepaald een machtiging tot uitvoering van inrichtingswerken als bedoeld in de artikelen 1, 8°, en 12, § 1, van de wet van 28 december 1967. Daargelaten de vraag naar de tijdigheid van die argumentatie, moet alleszins worden vastgesteld dat de desbetreffende machtiging, blijkens de laatst vermelde bepaling, wordt verleend door “de bevoegde waterbeheerder”. Voor een onbevaarbare waterloop van de derde categorie, zoals te dezen de Molenbeek te Sint-Niklaas, is dit niet de verwerende partij, maar wel, zoals blijkt uit artikel 7, eerste lid, 3° en 4°, van dezelfde wet, de gemeente of eventueel een polder of watering, wat dus geenszins strookt met de kwalificatie van de bestreden beslissing als een dergelijke machtiging. In de bestreden beslissing en in verschillende stukken van het administratief dossier, wordt dan ook meermaals melding gemaakt van “de eisen van de waterloopbeheerder”, wat bevestigt dat de verwerende partij niet zelf als die beheerder is te beschouwen. 7.4. Gelet op wat voorafgaat, tonen verzoekers niet aan, noch overtuigen zij ervan, dat voor het nemen van de bestreden beslissing een watertoets had moeten worden uitgevoerd. Het bestreden besluit behoefde voorts geen uitdrukkelijke motivering waarom de watertoets te dezen geen toepassing vindt. 7.5. Voorts zij opgemerkt dat de verwerende partij als volgt heeft geantwoord op verzoekers’ bezwaren met betrekking tot de ongunstige invloed die de aangevraagde rioolwaterzuiveringsinfrastructuur zou hebben op de stand van het grondwater in de omgeving van hun landbouwondernemingen: “Overwegende dat de bezwaarindiener meent dat de realisatie van de grachten een wijziging van het grondwaterpeil, die negatief is voor het bedrijf, tot gevolg zal hebben; dat het grondwaterpeil in de winter eerder zal dalen doordat de grachten worden verdiept wat de waterhuishouding ten goede komt; dat de uitstroom van het bufferbekken in de zomer kan worden afgesloten bij droogte waardoor het gebufferde water ter plaatse wordt gehouden en op gunstige wijze het grondwaterpeil kan beïnvloeden; dat hierdoor gesteld kan worden dat de realisatie van het project enkel een positief effect voor het bedrijf zal hebben wat betreft het grondwaterpeil.” X-17.632-14/22 Gezien de voormelde overwegingen van de bestreden beslissing mist verzoekers’ verwijt dat de verwerende partij heeft nagelaten om concreet na te gaan wat de invloed van het gekozen tracé zal zijn op het grondwater, feitelijke grondslag. Nu verzoekers de voormelde passus niet concreet betrekken bij hun kritiek op de negatieve impact die het bestreden besluit op het grondwater volgens hen zal hebben, tonen zij niet de onwettigheid van het bestreden besluit aan. 7.6. Verzoekers voeren ten slotte aan dat de innemingen 28 tot en met 32 voorzien in de aanleg van een bufferbekken op plaatsen waar die aanleg onverzoenbaar is met de bestemmingen agrarisch gebied en groengebied. De innemingen 28 tot en met 32 betreffen de kadastrale percelen 2322/a, 2323/a, 2327/c, 2327/2 en 2327/b. Vooreerst zij opgemerkt dat verzoekers verklaren enkel op het eerste van de voormelde percelen (eigendoms)rechten te hebben. Verder zij vastgesteld dat geen van die gronden voorkomt in de opsomming van de kadastrale percelen waarvoor het bestreden besluit geldt, vermeld in artikel 1, tweede lid, van dit besluit. In het bestreden besluit overweegt de verwerende partij dan ook “dat de aanleg van het bufferbekken geen deel uitmaakt van de aanvraag tot het bekomen van een ministerieel besluit tot verklaring van openbaar nut”. Verzoekers’ kritiek kan gezien het voormelde niet tot vernietiging leiden. 7.7. Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 8.1. Verzoekers voeren in een derde middel de schending aan van artikel 4, § 6, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 en van de beginselen van behoorlijk bestuur, “inzonderheid het motiverings-, rechtszekerheids-, zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel”. Nog voeren zij “de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag” aan. X-17.632-15/22 Zij stellen dat het bestreden besluit klaarblijkelijk is genomen buiten de termijn van honderdtwintig kalenderdagen om uitspraak te doen over een aanvraag tot verklaring van openbaar nut, bepaald in artikel 4, § 6, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991. Verzoekers beschouwen die termijn als een vervaltermijn waarvan de overschrijding het bevoegdheidsverlies van de betrokken Vlaamse minister met zich meebrengt. Door anders te oordelen, zou het rechtzekerheidsbeginsel in het gedrang komen, omdat de verwerende partij dan gedurende een onbepaalde periode zou kunnen nalaten om een beslissing te nemen, zonder dat de aanvrager daartegen enig rechtsmiddel kan aanwenden. In dit geval werd de aanvraag ingediend op 24 mei 2019, was de uiterste beslissingsdatum 21 september 2019, en is het 1 oktober 2019 gedateerde bestreden besluit klaarblijkelijk buiten de termijn van honderdtwintig dagen genomen. 8.2. In hun memorie van wederantwoord menen verzoekers dat artikel 4, § 6, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 wel degelijk een vervaltermijn bepaalt. Door een beslissing voor te schrijven “binnen” een termijn van honderdtwintig kalenderdagen en niet, bijvoorbeeld, “met inachtneming” van die termijn, heeft de Vlaamse regering duidelijk een dwingende termijn vooropgesteld. Dat het wel degelijk om een vervaltermijn gaat, volgt ook uit de aard van de materie. De overheid die een beslissing moet nemen over een aanvraag, kan die beslissing niet eeuwig voor zich uitschuiven. Zij dient binnen de voorgeschreven termijn een beslissing te nemen. Een andere visie zou leiden tot rechtsonzekerheid voor zowel de aanvrager als voor derden. Beoordeling 9.1. Artikel 4, § 6, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 luidt: “§ 6. De minister doet over de in artikel 3 bedoelde aanvraag uitspraak binnen een termijn van 120 kalenderdagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag, wanneer deze betrekking heeft op een verklaring van openbaar nut, respectievelijk binnen een termijn van 90 kalenderdagen in de andere gevallen.” X-17.632-16/22 9.2. Om uit te maken of een termijn een vervaltermijn of een ordetermijn is, moet rekening worden gehouden met de expliciete of impliciete wil van de normsteller, die kan blijken uit de formulering en het doel van de termijnstelling. Indien er geen aanduidingen zijn over de wil van de normsteller en aan het verstrijken van de termijn geen gevolgen worden verbonden, is de termijn te beschouwen als een termijn van orde. Dit laatste is het geval voor de kwestieuze termijn, opgenomen in artikel 4, § 6, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991. Verder voeren verzoekers te dezen geen schending van de redelijketermijneis aan. 9.3. Gezien het voormelde moet aangenomen worden dat de betrokken Vlaamse minister te dezen nog rechtsgeldig het bestreden besluit kon nemen. Verzoekers tonen geen schending van de aangevoerde rechtsregels aan. 9.4. Het middel wordt verworpen. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 10.1. Verzoekers voeren in een vierde middel de schending aan van artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 en van de beginselen van behoorlijk bestuur, “inzonderheid het motiverings-, rechtszekerheids-, zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel”. Ook voeren zij “de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag” aan. Zij betogen dat uit het bestreden besluit blijkt dat verschillende documenten, te weten een haalbaarheidsstudie en een begeleidende nota bij de aanvraag tot verklaring van openbaar nut, niet in openbaar onderzoek hebben gelegen, met als verantwoording dat daarvoor aan de nv Aquafin een vraag tot openbaarheid van bestuur kon worden gericht. Artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 voorziet evenwel in de verplichte organisatie van een openbaar onderzoek over de aanvraag tot verklaring van openbaar nut door X-17.632-17/22 de betrokken gemeenten. Paragraaf 3 van dat artikel bepaalt dat een afschrift van de aanvraag en een exemplaar van de stukken die erbij horen worden ter inzage gelegd. De haalbaarheidsstudie en de begeleidende nota behoren tot die stukken omdat zij de opgave bevatten van “de redenen die het gebeurlijk bezetten van het privaat domein rechtvaardigen” in de zin van artikel 3, § 2, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991. Verzoekers stellen dat de verwerende partij niet ontkent dat het gaat om documenten die in openbaar onderzoek moesten liggen en dat zij in haar verantwoording actieve met passieve openbaarheid van bestuur verwart. Verzoekers menen dat het niet aan hen is om de aanvraag op eigen houtje te vervolledigen. Zij moeten op basis van het openbaar onderzoek kunnen kennisnemen van alle noodzakelijke documenten over de aanvraag, zodat zij hun opmerkingen erop kunnen formuleren, hetgeen klaarblijkelijk niet mogelijk was nu het dossier onvolledig was. Verzoekers menen dat elke burger belang heeft bij een middel gesteund op de schending van de bepalingen in verband met het openbaar onderzoek. Het valt niet te voorzien welke andere bezwaren zouden zijn ingediend in het kader van een correct georganiseerd openbaar onderzoek. 10.2. In hun memorie van wederantwoord stellen verzoekers dat tijdens het openbaar onderzoek nog andere documenten niet ter inzage hebben gelegen, te weten de hydronautstudie, de hydraulische studie en de afkoppelings- studie waarnaar wordt verwezen onder de punten 9 en 11 van de verrechtvaardi- gingsnota. Zij herhalen dat hetzelfde geldt voor de haalbaarheidsstudie en wijzen erop dat zij daartegen bezwaar hebben gemaakt. De verwerende partij toont niet aan dat alle noodzakelijke documenten in openbaar onderzoek hebben gelegen om de betrokken partijen, waaronder verzoekers, kennis te laten nemen van de volledige rechtvaardiging en de specifieke kenmerken van het voorgenomen project. De argumentatie van de verwerende partij dat de documenten konden worden opgevraagd op grond van de regelgeving inzake openbaarheid van bestuur en dat het openbaar onderzoek de verantwoordelijkheid is van de gemeenten, is weinig ernstig. Het is aan de overheid die een beslissing neemt over de verklaring X-17.632-18/22 van openbaar nut om te garanderen dat zij dat doet na een regelmatig verlopen openbaar onderzoek. Uit de rechtspraak van de Raad van State leiden verzoekers af dat het recht op inspraak en de regels van het openbaar onderzoek geschonden zijn wanneer een stuk, zoals een haalbaarheidsstudie, niet werd voorgelegd tijdens het openbaar onderzoek, tenzij de inhoud ervan in een ander stuk werd besproken en de bezwaarindieners op die manier wel kennis konden krijgen van de inhoud van het ontbrekende stuk, quod non in casu. Beoordeling 11.1. Artikel 4, § 3, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 bepaalt: “§ 3. Een afschrift van de in artikel 3 bedoelde aanvraag, voor zover deze betrekking heeft op een verklaring van openbaar nut, en een exemplaar van de er bijhorende stukken, die de gemeenten aanbelangen, wordt op bevel van de burgemeester van elke gemeente waarvan sprake in § 2 gedurende dertig kalenderdagen bij de diensten van het gemeentebestuur ter inzage gelegd.” Met de stukken die bij de aanvraag horen, worden de stukken bedoeld met de voor de ontvankelijkheid van de aanvraag noodzakelijke inlichtingen, die worden opgesomd in artikel 3, § 2, van hetzelfde besluit: “1°de redenen die het gebeurlijk bezetten van het privaat domein rechtvaardigen: 2° het voorgestelde tracé van de leidingen en/of van de vestiging van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur alsmede de aanduidingen van de nodige innemingen op een situatieplan op schaal van tenminste 1/25 000; op dit plan moeten bovendien worden vermeld: de openbare wegen, de buurt- en waterwegen, de spoor- en tramwegen gelegen langsheen het voorgestelde tracé of die het voorgestelde tracé kruisen; 3° een uittreksel uit het kadastraal plan of een fotografische weergave van een kadastraal plan of dezelfde schaal, afzonderlijk voor iedere gemeente, waarbij de percelen worden aangeduid waaronder de waarop rioolwaterzuiveringsinfrastructuur moet aangebracht worden en de aanduiding van deze infrastructuur; 4° een lijst per betrokken gemeente met de namen en adressen van de belanghebbende eigenaars en huurders der percelen waarvan sprake onder sub 3°.” X-17.632-19/22 11.2. Waar in het bestreden besluit wordt overwogen dat “de begeleidende nota bij de aanvraag tot ministerieel besluit tot verklaring van openbaar nut” geen deel uitmaakt van de documenten die tijdens het openbaar onderzoek ter inzage dienen te worden gelegd, kan die nota bezwaarlijk iets anders zijn dan de verrechtvaardigingsnota, nu geen enkel ander stuk bij die aanvraag een “nota” wordt genoemd. De overweging blijkt op een materiële vergissing te berusten, nu verzoekers zelf stellen dat de verrechtvaardigingsnota ter inzage werd gelegd en dat zij er kennis van hebben genomen. 11.3. Waar verzoekers er zich over beklagen dat een aantal studies waarnaar in de verrechtvaardigingsnota wordt verwezen, zoals een haalbaarheidsstudie, niet ter inzage werden gelegd, zij opgemerkt dat de door verzoekers bedoelde studies in artikel 3, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 niet vermeld worden als stukken die op straffe van onontvankelijkheid bij de aanvraag moeten worden gevoegd, en dat zij niet aangemerkt kunnen worden als documenten die met toepassing van artikel 4, § 3, eerste lid, van datzelfde besluit tijdens het openbaar onderzoek ter inzage moesten worden gelegd. 11.4. Verzoekers’ bezwaar met betrekking tot de niet-terinzagelegging van de haalbaarheidsstudie heeft de bevoegde Vlaamse minister op afdoende wijze als volgt beantwoord: “Overwegende dat de bezwaarindiener meent dat het zorgvuldigheidsbeginsel met voeten werd getreden omdat de inhoud van de haalbaarheidsstudie niet werd meegedeeld tijdens het openbaar onderzoek; dat de haalbaarheidsstudie niet toegevoegd dient te worden aan de documenten die ter inzage worden gelegd tijdens het openbaar onderzoek; dat de bezwaarindiener deze haalbaarheidsstudie op eenvoudig verzoek kan inkijken of kan opvragen bij de nv Aquafin;” 11.5. Waar verzoekers nog kritiek uiten op het gegeven dat anderen hun recht op deelname aan het openbaar onderzoek niet ten volle zouden hebben kunnen uitoefenen, is hun middel bij gebrek aan een persoonlijk belang erbij onontvankelijk. X-17.632-20/22 11.6. Het middel wordt verworpen. V. Kosten 12. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’, zoals het is ingevoegd bij de wet van 26 april 2017. Dit betekent dat de bijdrage, bedoeld in voormeld artikel slechts éénmaal is verschuldigd per verzoekschrift, ongeacht het aantal partijen. Bijgevolg is er aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdragen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De onterecht betaalde bijdragen ten bedrage van 60 euro dienen te worden terugbetaald aan de verzoekende partijen. X-17.632-21/22 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig november tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.632-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.063 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div