← België

Arrest 258095 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 01/12/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.095 Rolnummer: A. 234433/X-17988 Zaak: Arrest 258095 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 01/12/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-12-08 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-10 16:55 Fiche Arrest nr 258.095 van 1 december 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 258.095 van 1 december 2023 in de zaak A. 234.433/X-17.988 In zake : Koenraad PRINCEN woonplaats kiezend te 3500 Hasselt Kliniekstraat 14 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Yves François kantoor houdend te 8790 Waregem Eertbruggestraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 1 september 2021, strekt tot de nietigverklaring van “het [b]esluit van de Vlaamse Regering […] tot wijziging van artikel 1/1 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 mei 2003 tot bepaling van de handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect van 28 mei 2021”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 255.775 van 10 februari 2023 wordt het tweede middel verworpen en het debat heropend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een aanvullend verslag opgesteld. Verzoeker heeft een aanvullende laatste memorie ingediend. X-17.988-1/5 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 oktober
  3. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Koenraad Princen, die in persoon verschijnt, is gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Bij besluit van de Vlaamse regering van 23 mei 2003 ‘tot bepaling van de handelingen die vrijgesteld zijn van de medewerking van de architect’ (hierna: het vrijstellingsbesluit), worden een aantal handelingen vrijgesteld van de medewerking van een architect. 3.2.
  6. Met het bestreden besluit van 28 mei 2021 wordt de vrijstelling van de medewerking van een architect uitgebreid tot de constructies opgenomen in het ingevoerde punt 3°/1 van het vrijstellingsbesluit: “3°/1 het plaatsen van een niet-gestapelde, verplaatsbare voorgemonteerde of modulaire constructie, met een maximale oppervlakte van 50 vierkante meter en een maximale hoogte van 3,5 meter. Als aan een bestaand gebouw wordt aangebouwd, dan mogen de bouwwerken noch de oplossing van een constructieprobleem met zich meebrengen, noch de stabiliteit van de aanpalende gebouwen wijzigen.” 3.2.
  7. Deze uitbreiding van de vrijstelling van de medewerking van een architect wordt in de nota aan de Vlaamse regering als volgt gemotiveerd: X-17.988-2/5 “Deze vrijstelling wordt ingevoerd omdat het doorgaans gaat over in serie geproduceerde, eenmalig ontworpen producten. Deze worden kant en klaar of in bouwpakket aangekocht, geleverd en geplaatst. De oppervlakte en hoogtematen zijn zo vastgelegd dat stabiliteitsproblemen bij de plaatsing niet te verwachten zijn. Ook de derde voorwaarde vermijdt stabiliteitsproblemen. De medewerking van een architect voor deze constructies verplichten, houdt geen maatschappelijke meerwaarde in, noch naar goede ruimtelijke ordening toe, noch naar de esthetiek of de stabiliteit van de constructies.” 3.
  8. Verzoeker beklaagt zich erover dat zijn omgevingsvergunningsaanvraag werd afgewezen “net omdat [z]ijn verplaatsbare inrichting in kwestie groter is dan 50 m² en de modules op elkaar worden gestapeld”, en dus “op basis van” het vrijstellingsbesluit dat hij bestrijdt. IV. Onderzoek van het eerste en derde middel Uiteenzetting van de middelen Eerste middel
  9. Verzoeker acht in een eerste middel artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 ‘op de bescherming van de titel en van het beroep van de architect’ (hierna: de architectenwet) geschonden. Het bestreden besluit impliceert volgens hem de onrechtmatige uitbreiding van de door de architectenwet verplicht gestelde medewerking van een architect tot een inrichting. Derde middel
  10. Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van de “[artikelen] 196 en 197 van het Strafwetboek [Sw], Valsheid in authentieke en openbare geschriften, in handels- of bankgeschriften en in private geschriften”. X-17.988-3/5 Volgens verzoeker gaat het bestreden besluit er ten onrechte van uit dat een inrichting “een nog te bouwen bouwwerk” uitmaakt waarvoor de medewerking van een architect is vereist. Dit volgt niet uit de architectenwet. De architect die aan een dergelijk “bouwwerk” meewerkt, en die aldus laat uitschijnen dat de inrichting nog moet gebouwd worden, begaat het misdrijf valsheid in geschrifte (artikel 196 Sw). De opdrachtgever die gebruik maakt van de valse stukken van de architect “pleegt een strafbaar feit op basis van art. 197 SW”. Beoordeling 6.
  11. Zoals vastgesteld met ’s Raads arrest nr. 255.775 van 10 februari 2023, is, gelet op artikel 4 van de architectenwet, voor elke handeling waarvoor de omgevingsvergunningsplicht geldt, in beginsel de medewerking van een architect vereist. Zo ook voor het plaatsen van een – door verzoeker gewenste (zie randnummer 3.3) – inrichting, dat moet begrepen worden als het “plaatsen van een constructie” waarvoor overeenkomstig artikel 4.2.1, 1°, a), VCRO de omgevingsvergunningsplicht geldt. 6.
  12. Verzoekers middelen gaan dan ook van de verkeerde premisse uit dat de principiële verplichting tot de medewerking van een architect op grond van de architectenwet enkel zou gelden voor “nog te bouwen constructies” en niet voor het plaatsen van inrichtingen. 6.
  13. De middelen worden verworpen. BESLISSING
  14. De Raad van State verwerpt het beroep.
  15. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, op een bijdrage van 40 euro en op een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. X-17.988-4/5 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op een december tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.988-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.095 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.392 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.775 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.