← België

Arrest 258097 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 01/12/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.097 Rolnummer: A. 235257/X-18052 Zaak: Arrest 258097 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 01/12/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-12-04 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-10 16:56 Fiche Arrest nr 258.097 van 1 december 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : heropening debatten afvoering Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 258.097 van 1 december 2023 in de zaak A. 235.257X-18.052 In zake :

  1. Josephus SCHUERMANS (overleden)
  2. Maria DELEU bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Yves Loix en Fatema Hosseini kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
  3. de STAD TURNHOUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Glenn Declercq kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen
  4. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het beroep, ingesteld op 20 december 2021, strekt tot de nietigverklaring van: a. “[h]et besluit van [de] gemeenteraad van de stad Turnhout van 27 september 2021 tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Sportterreinen Waterheide’”; b. “[h]et besluit van 2 juni 2017 van het Departement Omgeving, afdeling Gebiedsontwikkeling, omgevingsplannen en -projecten, Milieueffectenrapportage inzake het toekennen van een ontheffing tot het opmaken van een plan-MER in het kader van het RUP ‘Sportterreinen Waterheide’”. X-18.052-1/32 II. Verloop van de rechtspleging
  6. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. Josephus Schuermans is blijkens een uittreksel uit de registers van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Turnhout op 6 juli 2022 overleden. Tweede verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 oktober
  7. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Fatema Hosseini, die verschijnt voor tweede verzoekster, advocaat Glenn Declercq, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Caroline Cleynen, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. X-18.052-2/32 III. Afvoering van de rol voor wat de eerste verzoeker betreft
  9. De rechthebbenden van eerste verzoeker hebben het geding na zijn overlijden niet hervat. De zaak wordt wat deze verzoeker betreft van de rol afgevoerd. Onder “verzoekster” wordt hierna tweede verzoekster begrepen. IV. Feiten 4.
  10. In 2015 neemt de eerste verwerende partij het initiatief om een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (gemeentelijk RUP) ‘Sportterreinen Waterheide’ op te maken. De doelstelling van dit plan is volgens de toelichtingsnota erbij de volgende: “In het centrum van Schorvoort, heeft voetbalclub FC White Star terreinen in gebruik. Deze voetbalclub heeft haar terreinen in een zone met bestemming woongebied centraal in Schorvoort, waardoor de toekomst van de voetbalclub op de huidige locatie onzeker is. De gronden van de huidige voetbalvelden kunnen een centrale rol in het gehucht in functie van diensten, gemeenschapsvoorzieningen en wonen vervullen. In het masterplan dat is opgemaakt voor Schorvoort is gezocht naar een zone voor herlokalisatie van deze club binnen Schorvoort. Daarin kwam de ruimte ter hoogte van de voetbalclub Technico in beeld. Het doel van het RUP is het realiseren van mogelijkheden voor sportinfrastructuur binnen het plangebied, aansluitend bij de bestaande sportinfrastructuur van voetbalclub Technico. Bij de opmaak van het RUP dient een evenwicht te worden gezocht tussen een optimale invulling van het gebied voor sportterreinen en de impact op bestaande en toekomstige functies in de onmiddellijke omgeving.” In de toelichtingsnota wordt daarbij de volgende verduidelijkende figuur weergegeven: X-18.052-3/32 Het plangebied van het gemeentelijk RUP is overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgestelde gewestplan ‘Turnhout’ grotendeels in agrarisch gebied en voor een beperkt deel in woongebied gelegen. Het plangebied is tevens gelegen binnen de grenzen van het regionaalstedelijk gebied Turnhout, afgebakend bij het op 4 juni 2004 door de Vlaamse regering definitief vastgestelde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘afbakening regionaalstedelijk gebied Turnhout’ (hierna: het afbakenings-RUP). Het plangebied situeert zich binnen het deelplan 17 ‘Stedelijk bouwvrij agrarisch gebied Waterheide’ van het afbakenings-RUP. 4.
  11. Op 15 januari 2016 verleent de Vlaamse regering instemming met het verzoek van het college van burgemeester en schepenen van de stad Turnhout tot afwijking van de voorschriften van het afbakenings-RUP (hierna: het instemmingsbesluit van de Vlaamse regering van 15 januari 2016). 4.
  12. Op 2 juni 2017 beslist de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse regering dat het voorgenomen gemeentelijk RUP geen aanleiding geeft tot aanzienlijke negatieve milieugevolgen en dat de opmaak van een plan-milieueffectrapport niet nodig is. X-18.052-4/32 Dit is het tweede bestreden besluit. 4.
  13. Op 2 oktober 2017 wordt een plenaire vergadering over het voorontwerp van het gemeentelijk RUP gehouden. 4.
  14. Op 25 juni 2018 stelt de gemeenteraad van de stad Turnhout het ontwerp van het gemeentelijk RUP voorlopig vast. 4.
  15. Van 6 september 2018 tot en met 4 november 2018 wordt over het ontwerp van het gemeentelijk RUP een openbaar onderzoek gehouden. Tijdens dat onderzoek dienen verzoekers een bezwaarschrift in. 4.
  16. Op 15 november 2018 verleent de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de stad Turnhout een advies over het ontwerp van het gemeentelijk RUP. 4.
  17. Op 17 december 2018 stelt de gemeenteraad van de stad Turnhout het gemeentelijk RUP definitief vast. 4.9.
  18. Verzoekster is eigenaar van een vrijstaande hoevewoning met bijgebouwen en diverse achterliggende gronden, gelegen aan de Slagmolenstraat 106 te Turnhout. Haar gronden, kadastraal bekend onder afdeling 2, sectie N, nummers 1101 en 1102 zijn binnen het plangebied van het gemeentelijk RUP gelegen. In haar verzoekschrift geeft verzoekster de ligging van haar percelen binnen het grafische plan als volgt weer: X-18.052-5/32 De legende bij dit plan luidt: “ .” X-18.052-6/32 4.9.
  19. De stedenbouwkundige voorschriften van artikel 1.1 ‘zone voor parkeren (overdruk)’ luiden: “– Deze zone is voorzien als parkeerzone voor gemotoriseerd vervoer horende bij de zone voor sport en recreatie – Deze zone dient een groene inkleding te krijgen: per 12 parkeerplaatsen dient één hoogstammige boom te worden voorzien. Een hoogstammige boom dient een ruimte van één parkeervak te krijgen. – Een parking in functie van parkeerbehoefte bij trainingen kan worden verhard. Voor andere delen van de parking is een volledige verharding niet noodzakelijk. Dit deel kan onverhard blijven, of indien noodzakelijk maximaal worden voorzien van waterdoorlatende verharding. – Deze zone dient niet volledig te worden voorzien in functie van parkeren. Indien binnen het plangebied voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn in functie van de parkeerbehoefte van de aanwezige activiteiten, kan de niet-benutte ruimte van dit artikel eveneens gebruikt worden in functie van de andere toegelaten functies binnen Art. 1, met uitzondering van bebouwing.” De stedenbouwkundige voorschriften van artikel 1.2 ‘zone voor occasioneel parkeren (overdruk)’ luiden: “– Deze zone is voorzien als overloop-parking op momenten dat de zone voor parkeren uit Art. 1.1 volzet is. – Deze zone kan slechts worden voorzien van verharding indien het gebruik van de parking groter is dan verwacht en het meer wordt dan een overloop-parking. In dat geval is het voorzien van grastegels wel toegelaten. – Indien de parkeerbehoefte van de activiteiten binnen het plangebied ingevuld is, kan deze zone gebruikt worden in functie van de andere toegelaten activiteiten binnen Art. 1, met uitzondering van bebouwing.” 4.
  20. Op vraag van verzoekster vernietigt de Raad van State met zijn arrest nr. 250.754 van 1 juni 2021 het onder randnummer 3.8 vermelde definitievevaststellingsbesluit om reden dat van de richtinggevende bepalingen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (GRS) wordt afgeweken zonder de door artikel 2.1.2, § 3, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) vereiste uitgebreide motivering met betrekking tot de onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of de dringende sociale, economische of budgettaire redenen. X-18.052-7/32 X-18.052-8/32 4.
  21. Op 27 september 2021 stelt de gemeenteraad van de stad Turnhout het gemeentelijk RUP ‘Sportterreinen Waterheide’ opnieuw definitief vast, en motiveert daarbij de toepassing van artikel 2.1.2, § 3, eerste lid, VCRO. Dit is de eerste bestreden beslissing. Van dit besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 22 oktober
  22. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  23. Verzoekster voert in een eerste middel, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, de schending aan van de artikelen 2.2.6 tot en met 2.2.8 VCRO, van de artikelen 4.2.1 en 4.2.3 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (DABM) “in samenhang gelezen met” de artikelen 2 tot en met 4 van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad ‘betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s’ (de plan-MER-richtlijn), van artikel 7 van het verdrag van 25 juni 1998 ‘betreffende de toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden’ (verdrag van Aarhus), van artikel 2.2.13, § 3, VCRO, alsook van het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij zet uiteen dat het bestreden gemeentelijk RUP gesteund is op het instemmingsbesluit van de Vlaamse regering van 15 januari 2016 (zie randnummer 4.2), besluit dat op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten. Dit besluit werd immers niet onderworpen aan een openbaar onderzoek, noch werden adviezen ingewonnen of werd die beslissing voorafgegaan door een planmilieueffectrapport (plan-MER). Nochtans volgt uit het principe van het parallellisme der vormen dat dezelfde procedure moet worden X-18.052-9/32 gevolgd voor zowel de aanname van een ruimtelijk uitvoeringsplan als voor de aanpassing ervan. Wat de vereiste van een plan-MER betreft, verwijst verzoekster naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie waarin wordt geoordeeld dat een procedure tot gedeeltelijke intrekking van een bestemmingsplan in beginsel binnen de werkingssfeer van de plan-MER-richtlijn valt. Minstens diende een openbaar onderzoek te worden georganiseerd op grond van artikel 7 van het verdrag van Aarhus. Beoordeling 6.
  24. Het toentertijd toepasselijke artikel 2.2.13, § 3, VCRO, bepaalt: “§
  25. De voorschriften van de gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen kunnen niet afwijken van de voorschriften van de provinciale en de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, tenzij de provincieraad, respectievelijk de Vlaamse Regering daarvoor hun instemming verlenen. In dat geval vervangen de voorschriften van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, voor het grondgebied waarop ze betrekking hebben, de voorschriften van het provinciaal of gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, tenzij het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan het uitdrukkelijk anders bepaalt. De instemming, vermeld in het eerste lid, wordt schriftelijk gegeven, uiterlijk op of naar aanleiding van de plenaire vergadering over het plan waarvoor de instemming vereist is. Het besluit waarbij de instemming wordt verleend, bevat een omschrijving van het te plannen onderwerp en van het gebied waarop het plan of planonderdeel betrekking heeft, en vermeldt de voorschriften van het provinciaal of gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan die zullen worden opgeheven.” 6.
  26. Het op grond van de voormelde bepalingen genomen instemmingsbesluit van de Vlaamse regering van 15 januari 2016 is beperkt tot het verlenen van de instemming met de door verzoekster geviseerde planwijziging. Het zijn de voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP die, voor het grondgebied waarop ze betrekking hebben, de voorheen geldende voorschriften van het gewestelijk RUP vervangen. Het instemmingsbesluit van de Vlaamse regering van 15 januari 2016 voert zelf geen wijziging of vervanging van het betrokken gewestelijk RUP door, zodat het aangevoerde principe van het parallellisme der vormen geen toepassing vindt. X-18.052-10/32 6.
  27. Verder moet worden vastgesteld dat het bestreden gemeentelijk RUP het voorwerp heeft uitgemaakt van een plan-MER-screening en een openbaar onderzoek. 6.
  28. Gelet op wat voorafgaat, wordt geen schending van de aangevoerde rechtsregel aangetoond. Er is geen grond om het instemmingsbesluit van de Vlaamse regering van 15 januari 2016 op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te laten. 6.
  29. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  30. Een tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 2.1.2, §§ 2 en 3, VCRO, en van het zorgvuldigheids- en materiëlemotiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 8.
  31. In een eerste middelonderdeel betoogt verzoekster dat wordt afgeweken van het bindend gedeelte van het GRS. Zij stelt dat in het bindend gedeelte van het GRS expliciet de locaties worden aangeduid waar recreatievoorzieningen (recreatieve steunpunten genoemd) kunnen komen. Het betrokken gebied ‘Waterheide’ wordt niet aangeduid als dergelijk recreatief steunpunt. Integendeel wordt de regio ‘Waterheide’ (oostelijk deel) in het bindend gedeelte van het GRS aangeduid als een structuurbepalend gebied voor agrarische activiteiten. Het is voor verzoekster evident dat het voorzien van een hoogdynamische recreatieve structuur (voetbalvelden, kantine, tribune, kleedkamers, lichtmasten, parking,…) strijdig is met de door het GRS vooropgestelde agrarische activiteiten. Het bestreden gemeentelijk RUP omvat de ontwikkeling van een recreatief steunpunt, hoewel die ontwikkeling niet gebeurt op één van de daarvoor in het bindend gedeelte van het GRS aangeduide locaties. X-18.052-11/32 8.
  32. Volgens een tweede middelonderdeel wijkt het bestreden gemeentelijk RUP af van het richtinggevend gedeelte van het GRS. Verzoekster betoogt dat dit richtinggevend gedeelte met betrekking tot het gebied ‘Waterheide’ uitdrukkelijk bepaalt dat de bestemming agrarisch gebied dient te worden behouden in afwachting van de ontwikkeling van de gehele zone. Verzoekster stelt dat middels het bestreden gemeentelijk RUP slechts een aantal percelen binnen de gehele zone ‘Waterheide’ worden herbestemd. Dit is strijdig met de visie uit het GRS. Na de vernietiging bij ’s Raads arrest nr. 250.754 van 1 juni 2021 van het voormalige definitievevaststellingsbesluit stelde de gemeenteraad van de stad Turnhout “plots” dat toepassing wordt gemaakt van artikel 2.1.1, § 3, VCRO en dit om “dringende sociale, economische of budgettaire redenen”. De door de eerste verwerende partij gehanteerde motivering ter onderbouwing van deze afwijking is niet afdoende en niet geloofwaardig. Een uitgebreide motivering van zowel de ingeroepen “sociale reden” als van het “dringend” karakter van de afwijking ontbreekt. De blote stelling dat voetbal een belangrijke sociale functie heeft, kan bezwaarlijk worden gekwalificeerd als een uitgebreide motivering. Het masterplan waarnaar wordt verwezen bevat honderden pagina’s. Dit masterplan is intussen reeds achterhaald. Blijkens de informatie die wordt vermeld op de website van de stad Turnhout wenst men het masterplan immers te herzien. Dat de toekomst van White Star op de huidige terreinen “onzeker” is, wordt behoudens een verwijzing naar de ligging ervan in woongebied niet gemotiveerd. Verzoekster besluit dat de vereiste uitgebreide motivering om af te kunnen wijken van het richtinggevend gedeelte van het GRS ontbreekt, vermits zij moet gissen naar de beweegredenen daartoe. Beoordeling 9.1.
  33. In het informatief gedeelte van het GRS wordt met betrekking tot het betrokken gebied ‘Waterheide’ vermeld: “Het gebied Waterheide wordt geselecteerd als reservegebied voor na
  34. Tot zolang krijgt het de bestemming stedelijk bouwvrij agrarisch gebied, zodat er geen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen plaatsvinden, die de toekomst van Waterheide als bedrijventerrein zouden kunnen hypothekeren.” X-18.052-12/32 En verder: “Er wordt beoogd het gebied Waterheide te vrijwaren van ongewenste ontwikkelingen (bebouwing) opdat latere ontwikkelingen niet zouden worden gehypothekeerd. Deze doelstelling vertaalt zich in enkele ruimtelijk concepten die het tijdelijk open karakter vormgeven. - Waterheide als open en (bouwvrij) agrarisch gebied, aansluitend op de Darisdonkvinger: het westelijk deel wordt bouwvrij gehouden om in functie van de situering van een regionaal bedrijventerrein ongewenste ontwikkelingen te vermijden. Bestaande activiteiten kunnen evenwel blijven functioneren; - Behouden van beek en kleine landschapselementen zolang niet over een toekomstige ontwikkeling is beslist; - Reserveren van ruimte voor de E34, met name herinrichting van knooppunt
  35. Om stedelijke ontwikkeling op langere termijn mogelijk te maken wordt tevens de nodige ruimte gereserveerd die de herinrichting van het op- en afrittencomplex 24 mogelijk maakt.” 9.1.
  36. In het richtinggevend gedeelte van het GRS wordt met betrekking tot het betrokken gebied het volgende ontwikkelingsperspectief vermeld: “Ontwikkelingsperspectief Waterheide, stedelijk bouwvrij agrarisch gebied Er wordt beoogd het gebied Waterheide te vrijwaren van ongewenste ontwikkelingen (bebouwing) opdat latere ontwikkelingen niet zouden worden gehypothekeerd. De hoofdfunctie blijft landbouw tot dan. Zolang niet over een toekomstige ontwikkeling is beslist, wordt geopteerd de bestaande landschappelijke elementen zoals bomenrijen en beek maximaal te vrijwaren. Om stedelijke ontwikkelingen op langere termijn mogelijk te maken wordt tevens de nodige ruimte gereserveerd die de herinrichting van het op- en afrittencomplex 24 mogelijk maakt. De herinrichting dient te zorgen voor een betere ontsluiting van het stedelijk gebied, Zevendonk en specifiek naar Waterheide. De bestaande recreatieve infrastructuur kan een aanzet vormen om bij later[e] ontwikkeling van het gebied een groen overgangsgebied aan de rand van de woonzone te scheppen, die openruimte-activiteiten toelaat. Uitbreiding is echter ongewenst tot er een eindvisie op geheel de zone is opgemaakt.” Nog in het richtinggevend gedeelte wordt met betrekking tot de gewenste structuur voor sport en recreatie het volgende vermeld: X-18.052-13/32 “Bouwvrij agrarisch gebied Waterheide: de bestaande voetbalterreinen zijn opgenomen in dit gebied. Op middellange termijn is Waterheide een mogelijke uitbreidingszone voor bedrijvigheid. Dan moet een landschappelijke en recreatieve buffer uitgebouwd worden zoals bij Veedijk - Zevendonk.” Voor wat de ‘gebiedsgerichte aanpak zonevreemde recreatie’, en in het bijzonder de aanwezigheid van de zonevreemde voetbalterreinen Technico in het betrokken gebied, betreft, vermeldt het richtinggevend gedeelte van het GRS: “De voetbalterreinen Technico zijn gesitueerd in het Stedelijk Bouwvrij Agrarisch Gebied Waterheide. Hierover is momenteel beslist in het GERUP Afbakening Regionaalstedelijk Gebied Turnhout, om het gebied bouwvrij te houden, met als hoofdfunctie landbouw in afwachting van een beslissing over de toekomstige ontwikkeling van het gebied, eventueel als bedrijventerrein. De gemeente dringt er bij de hogere overheid op aan de problematiek van Technico mee op te nemen en een oplossing aan te bieden, bv. in een overgangszone tussen woonlint aan de Slagmolenstraat en de toekomstige ontwikkelingen in Waterheide. Tot dan kan Technico verder blijven bestaan, de gebouwen zijn gelegen in woonzone, de velden in het Stedelijk Bouwvrij Agrarisch Gebied Waterheide. Ze ondersteunen de beslissing om het gebied bouwvrij te houden. Uitbreidingen zijn momenteel niet mogelijk.” 9.1.
  37. In het bindend gedeelte van het GRS wordt het oostelijk deel van het gebied ‘Waterheide’ geselecteerd als een structuurbepalend gebied voor agrarische activiteiten, meer in het bijzonder als een ‘waardevol, ruimtelijk-functioneel samenhangend landbouwgebied’. 9.
  38. Het GRS moet als een geheel begrepen worden. Het gegeven dat ‘het oostelijk deel van Waterheide’ in het bindend gedeelte van het GRS als landbouwgebied wordt geselecteerd, moet dan ook gezien worden in het licht van de ruimtelijke visie op dat gebied in de richtinggevende bepalingen van het GRS en de toelichting daarbij in het informatief gedeelte van het GRS. Daaruit blijkt dat de selectie van Waterheide als landbouwgebied slechts tijdelijk bedoeld is, met het oog op de in de richtinggevende bepalingen vermelde “mogelijke uitbreidingszone voor bedrijvigheid” op middellange termijn. De huidige zonevreemde recreatie binnen het gebied ‘Waterheide’ komt in de richtinggevende bepalingen evenzeer aan bod, waarbij melding wordt gemaakt van recreatie als overgangszone/buffer X-18.052-14/32 tussen het woonlint en de toekomstige ontwikkelingen voor bedrijvigheid in ‘Waterheide’. De voormelde gegevens worden ook aangehaald in de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP. Verzoekster gaat er bij de uiteenzetting van haar eerste middelonderdeel evenwel niet op in. Door geen rekening te houden met de specifieke visie betreffende de selectie als landbouwgrond in het GRS – het tijdelijke karakter ervan, de toekomstige ontwikkeling voor bedrijvigheid, recreatie als buffer/overgangszone – gaat verzoekster uit van een te enge lezing van de bepalingen van het GRS, en toont zij niet aan dat het bestreden gemeentelijk RUP strijdig zou zijn met de bindende bepalingen ervan. 9.
  39. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen. 10.
  40. Zoals ook in ’s Raads meervermelde arrest nr. 250.754 van 1 juni 2021 wordt overwogen, is een afwijking van de richtinggevende bepalingen van een GRS bij wijze van uitzondering mogelijk “omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen”, en dient de plannende overheid die zich op één van de voormelde uitzonderingsgronden beroept dit uitgebreid te motiveren. 10.
  41. In het eerste bestreden besluit erkent de plannende overheid dat met het bestreden gemeentelijk RUP wordt afgeweken van de richtinggevende bepalingen van het GRS: “Het bestuur is zich bewust dat het GemRUP afwijkt van het richtinggevend gedeelte van het GRS Turnhout met betrekking tot het ontwikkelingsperspectief Waterheide Stedelijk Bouwvrij agrarisch gebied. Dit ontwikkelingsperspectief wordt in het GRS als volgt verwoord: ‘Er wordt beoogd het gebied Waterheide te vrijwaren van ongewenste ontwikkelingen (bebouwing) opdat latere ontwikkelingen niet zouden worden gehypothekeerd. De hoofdfunctie blijft landbouw tot dan. Zolang niet over een toekomstige ontwikkeling is beslist, wordt geopteerd de bestaande landschappelijke elementen zoals bomenrijen en beek maximaal te vrijwaren. Om stedelijke ontwikkelingen op langere termijn mogelijk te X-18.052-15/32 maken, wordt tevens de nodige ruimte gereserveerd die de herinrichting van het op- en afrittencomplex 24 mogelijk maakt. De herinrichting dient te zorgen voor een betere ontsluiting van het stedelijk gebied, Zevendonk en specifiek naar Waterheide. De bestaande recreatieve infrastructuur kan een aanzet vormen om bij latere ontwikkeling van het gebied een groen overgangsgebied aan de rand van de woonzone te scheppen, die open ruimte activiteiten toelaat. Uitbreiding is echter ongewenst tot er een eindvisie op geheel de zone is opgemaakt.’ Het is de laatste zin van het ontwikkelingsperspectief waarop het GemRUP ‘Sportterreinen’ afwijkt van het richtinggevend gedeelte van het GRS.” 10.
  42. Het eerste bestreden besluit stelt met betrekking tot de toepassing van artikel 2.1.2, § 3, eerste lid, VCRO: “[…] Het Gewestelijk RUP ‘Afbakening regionaalstedelijk gebied Turnhout’ is goedgekeurd op 4 juli 2004, met als deelplan 17 ‘Stedelijk bouwvrij agrarisch gebied Waterheide’. Het college van burgemeester en schepenen verzoekt de Vlaamse Regering vervolgens met toepassing van artikel 2.2.18, §1, derde lid VCRO te willen instemmen met afwijking van de voorschriften van voormeld deelplan van het gewestelijk RUP, waarmee de Vlaamse Regering instemt bij besluit van 15 januari 2016, waardoor [de] [s]tad Turnhout kon overgaan tot opmaak van het gemeentelijk RUP ‘Sportterreinen Waterheide’. Deze beleidsdocumenten tonen aan dat de oorspronkelijke aanname van het richtinggevende gedeelte van GRSP, nl. dat de ‘uitbreiding van de bestaande recreatieve infrastructuur ongewenst is tot er een eindvisie op geheel de zone is opgemaakt’ inmiddels achterhaald is ten gevolge van de dringende sociale redenen die resulteerden uit het studiewerk van voornoemd Masterplan dd. 27 juni 2016 ‘Schorvoort Morgen’ en de daarin opgenomen bevestiging van de ruimtelijke keuze van de voetbalinfrastructuur als onvoorzienbare ontwikkeling van ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten, zonder de strategische visie van het gemeentelijk beleidsniveau te hypothekeren. Dit wordt in onderstaande tekst nog verder verduidelijkt. Een eerste belangrijke vaststelling hierbij is dat het wel degelijk de bedoeling is om als eindbeeld een stedelijke ontwikkeling te krijgen waarvan een groen overgangsgebied als buffer tussen de woningen en een stedelijke ontwikkeling deel uitmaakt. En dat in dit groen overgangsgebied open ruimte activiteiten kunnen toegelaten worden. Het gewestelijk RUP ‘Afbakening regionaalstedelijk gebied Turnhout’ werd goedgekeurd op 4 juni
  43. Het is dit RUP dat zorgde voor het ontwikkelingsperspectief voor het gebied Waterheide. Het ontwikkelingsperspectief werd later overgenomen in het goedgekeurde GRS Turnhout van 3 juni
  44. Vlak ten noorden van het gebied Waterheide, ligt de Turnhoutse wijk Schorvoort. Om de verdere ontwikkeling van deze wijk kwalitatief te laten gebeuren (ook een doelstelling uit het GRS Turnhout) heeft de gemeenteraad van [de] stad Turnhout, na veel studiewerk, op 27 juni 2016 X-18.052-16/32 het Masterplan ‘Schorvoort Morgen’ goedgekeurd. Daaruit kwamen volgende zaken die relevant zijn voor dit dossier naar boven. De voetbalclubs in Schorvoort hebben een zeer belangrijke sociale en verbindende functie binnen de wijk Schorvoort. De terreinen waarop voetbalclub White Star traint en speelt liggen in woongebied, wat betekent dat hun toekomst op die terreinen onzeker is. Zeker als uit de studie blijkt dat de terreinen waarop de voetbalclub haar activiteiten uitoefent een zeer hoge potentie hebben om de kern (diensten, zorgvoorzieningen) van wijk Schorvoort te versterken. Vanuit sociaal oogpunt is het zeer belangrijk om voor de voetbalclub White Star een duurzame zone-eigen toekomst te kunnen bezorgen. De opmaak van het GemRUP ‘Sportterreinen Waterheide’ biedt hier een oplossing. Een oplossing om dringende sociale reden. [De] [s]tad Turnhout wenst daarom, gebruikmakend van art. 2.1.1 §3 van de VCRO, omwille van dringende sociale reden gemotiveerd af te wijken van het ontwikkelingsperspectief voor gebied Waterheide en dan met name het feit dat uitbreiding van open ruimte activiteiten ongewenst is tot er een eindvisie op geheel de zone is opgemaakt. Het is zeer belangrijk om hierbij op te merken dat de verdere uitbouw van een groen overgangsgebied met recreatieve activiteiten de strategische visie van het GRS niet hypothekeert. De uiteindelijke doelstelling voor de ontwikkeling van Waterheide is ook de uitbouw van een groen overgangsgebied. Het stadsbestuur hecht veel waarde aan haar GRS en stapt niet licht over afwijken van het GRS. Het is om deze reden dat er ook in het kader van de delegatievraag aan de Vlaamse Regering een kwalitatief ontwerpend onderzoek is gebeurd, waarin aangetoond wordt dat het voorzien van ruimte voor recreatie in de rand van gebied Waterheide de toekomstige verdere stedelijke ontwikkeling van Waterheide niet hypothekeert. Op deze manier is er ook al een doorzicht naar de eindvisie op de ontwikkeling van het gebied Waterheide.” 10.
  45. Met de eerste verwerende partij moet aangenomen worden dat de herlocalisatie van de voetbalclub FC White Star, waarvan de “toekomst […] op de huidige terreinen onzeker is”, gelet op de ligging ervan in woongebied, mede gezien de “zeer belangrijke sociale en verbindende functie” van deze voetbalclub “binnen de wijk Schorvoort”, een afdoende sociale reden uitmaakt om van het richtinggevend gedeelte van het GRS af te wijken en de voetbalclub te herlokaliseren. In dit verband wordt er in de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP nog op gewezen dat herlocalisatie vereist is “in […] onmiddellijke aansluiting op Schorvoort wegens de sterke lokale binding van de club” (toelichtingsnota gemeentelijk RUP, p. 11). X-18.052-17/32 Het dringend karakter van deze sociale reden wordt voorts afdoende aannemelijk gemaakt door de in de toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP vermelde omstandigheid dat “de druk” op de huidige gronden van de voetbalclub FC White Star “groot [is]”, aangezien deze een groot potentieel hebben voor de verdere ontwikkeling van de wijk Schorvoort. In dit verband wordt er in het eerste bestreden besluit vermeld dat uit het masterplan blijkt “dat de terreinen waarop de voetbalclub haar activiteiten uitoefent een zeer hoge potentie hebben om de kern (diensten, zorgvoorzieningen) van wijk Schorvoort te versterken”. Verzoekster toont niet aan, noch maakt zij aannemelijk, dat de desbetreffende bevindingen van het masterplan achterhaald zouden zijn. 10.
  46. Het tweede middelonderdeel is ongegrond.
  47. Het middel wordt in zijn geheel verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  48. Verzoekster voert in het middel de schending aan van de artikelen 4.2.1 en 4.2.3 DABM, alsook van het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids-en materiëlemotiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het middel is gericht tegen de tweede bestreden beslissing. Verzoekster is van mening dat de dienst Mer op kennelijk onredelijke en onzorgvuldige wijze heeft besloten dat het voorgenomen plan geen aanleiding zal geven tot aanzienlijke milieueffecten en dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is. Uit het verzoek tot ontheffing blijkt immers dat er significante effecten te verwachten zijn inzake de aanwezige fauna en flora. Wanneer het in het kader van een screeningsdossier noodzakelijk wordt geacht dat milderende maatregelen worden genomen, kan de dienst Mer niet in redelijkheid tot de conclusie komen dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is. In casu is de plannende overheid tot de conclusie gekomen dat de significante effecten die verwacht kunnen worden op de X-18.052-18/32 in de omgeving aanwezige fauna en flora, beperkt kunnen worden door het opleggen van een aantal maatregelen en het volgen van een aantal aanbevelingen. Verzoekster merkt op dat in het verzoek tot ontheffing niet wordt gemotiveerd om welke redenen de opgelegde maatregelen en aanbevelingen voldoende zouden zijn om de te verwachten significante effecten te beperken. Verder argumenteert verzoekster dat de voorgestelde maatregelen niet rechtszeker zijn. Het is niet duidelijk wat bedoeld wordt met de aanbeveling om in de groenbuffer en groenschermen zoveel mogelijk van de bestaande beplantingen te behouden. Daarenboven is de voorziene omliggende buffer uiterst beperkt, en stelt verzoekster zich de vraag uit welk onderzoek blijkt dat deze beperkte buffer zal volstaan om de te verwachten negatieve effecten te milderen. In ondergeschikte orde voert verzoekster aan dat de geformuleerde aanbevelingen en maatregelen niet eens worden doorvertaald in de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP. Zij betoogt dat in de stedenbouwkundige voorschriften van dat plan geen enkele maatregel is opgenomen inzake het beperken van verlichting. Beoordeling 13.
  49. Krachtens de in het middel aangevoerde bepalingen van het DABM dienden de verwerende partijen na te gaan of het betrokken gemeentelijk RUP aanzienlijke milieueffecten op de bestaande situatie van mens en leefmilieu kan hebben, aan de hand van de in bijlage I van het DABM opgesomde criteria. Indien er voor een of meer van deze criteria aanzienlijke milieueffecten kunnen zijn, geldt in beginsel de plan-MER-plicht. Wat de intrinsieke degelijkheid van een plan-MER-screening betreft, is de Raad van State niet bevoegd om zijn beoordeling in de plaats van de dienst Mer te stellen. In de uitoefening van het hem opgedragen rechtmatigheidstoezicht is hij wel bevoegd om na te gaan of de dienst Mer op grond van juiste, relevante en toereikende feitelijke gegevens in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat de opmaak van een plan-MER niet nodig is. X-18.052-19/32 13.2.
  50. In de screeningsnota waarbij de dienst Mer zich met de tweede bestreden beslissing heeft aangesloten, wordt met betrekking tot de discipline ‘fauna en flora’ overwogen: “Direct biotoopverlies door ruimtebeslag Binnen het plangebied zijn enkele bomenrijen en een stuk bos aanwezig. Het oostelijk gedeelte is op dit moment nog bebost. Indien de herbestemming wordt doorgevoerd, dan zal in functie van de inrichting van het gebied een groot deel van deze bebossing verdwijnen in functie van de aanleg van een voetbalveld. In functie van het verdwijnen van het bos is het bosdecreet […] hier van toepassing. Indien de regels van het bosdecreet worden gevolgd, dan wordt aangenomen dat het negatieve effect het verlies aan vegetatie gemilderd is. De bomenrijen binnen het plangebied bestaan vnl. uit populieren. De natuurwaarde van deze bomen is niet bijzonder. Het verdwijnen van deze bomen is vanuit het oogpunt van biotoopverlies weinig significant. In het zuiden is wel een bomenrij aanwezig met als dominante soort de zomereik. Deze bomenrij is waardevol en dient te worden gevrijwaard. Indien er in functie van de inrichting van het gebied bepaalde natuurelementen gekapt worden, kunnen deze mogelijks op een gewijzigde plaats binnen het plangebied heraangeplant worden. In de groenbuffers en de groenstroken kan zoveel mogelijk van de bestaande beplanting behouden blijven. In functie van direct biotoopverlies zijn, bij behoud van de zuidelijke bomenrij geen significante effecten te verwachten in vergelijking met de bestaande toestand. Indien het nulalternatief (bouwvrij agrarisch gebied) als referentiesituatie beschouwd wordt, kunnen geen garanties gegeven worden in functie van het behoud van de vegetatie binnen het plangebied. Barrièrewerking, aantasting van de ecologische verbindingen en de ecologische infrastructuur Het plangebied bestaat in de bestaande toestand over voetbalvelden, een deel in landbouwgebruik en een klein deel bebost. De ecologische infrastructuur wordt in de bestaande toestand voornamelijk bepaald door de bomenrijen en houtkanten in en aan de randen van het plangebied. Deze bomenrijen en houtkanten zijn kenmerkend in het landschap van de open ruimte in het gebied Waterheide. Deze ecologische infrastructuur stopt in het noorden van het plangebied omdat het plangebied daar grenst aan de kern van Schorvoort, die voor een groot deel reeds is ingevuld. In functie van de realisatie van het RUP kunnen een aantal van deze elementen van de ecologische infrastructuur mogelijks verdwijnen. Indien het nulalternatief (bouwvrij agrarisch gebied) als referentiesituatie beschouwd wordt, kunnen geen garanties gegeven worden in functie van het behoud van de vegetatie binnen het plangebied. Indien bij inrichting van het gebied opnieuw bomenrijen worden voorzien tussen speelvelden of op de randen van het plangebied, voorzien uit streekeigen, standplaatsgeschikte soorten, dan kan dit als een meerwaarde in functie van de ecologische infrastructuur en de functie als ecologische verbinding worden gezien. X-18.052-20/32 Het RUP veroorzaakt geen barrièrewerking in vergelijking met de referentiesituatie (bestaande toestand) Eutrofiëring Via water en lucht kunnen eutrofiërende middelen in gebieden worden gebracht die de nutriëntenbalans kunnen verstoren. Bij vergunningverlening moet worden toegekeken dat de kwaliteit van het grondwater niet in gevaar wordt gebracht. Het eventuele afvalwater mag niet ongezuiverd worden geloosd. Door toepassing van de milieureglementering i.v.m. lozingen (zie discipline bodem en water) kan ervan worden uitgegaan dat er geen indirecte impact van eutrofiëring kan ontstaan voor fauna en flora. De ingrepen binnen het plangebied houden geen eutrofiëring rechtstreeks of onrechtstreeks van de SBZ in. Voor dit RUP kan ervan uitgegaan worden dat er geen effecten te verwachten zijn met betrekking tot biotoopwijzigingen en wijzigingen in soortendiversiteit door de wijzigingen in de abiotische kenmerken van bodem, water en nutriënten. Toename van geluidshinder Het RUP wordt opgemaakt om een bestaand recreatiegebied dat deels zonevreemd is gelegen te bestendigen en mogelijkheden te bieden voor uitbreiding. Het gaat om een gebied met in hoofdzaak openluchtrecreatie. De ingrepen veroorzaken geen bijkomende geluidshinder. Binnen het plangebied zelf, zijn geen soorten gekend die gevoelig zijn voor geluidshinder. Er word[en] geen significante effecten verwacht met betrekking tot geluidshinder ten opzichte van fauna en flora. De ingrepen binnen het plangebied hebben geen impact op het geluidsniveau binnen de SBZ. Er word[en] aldus geen significante effecten verwacht met betrekking tot geluidshinder ten opzichte van fauna en flora. Toename van lichthinder In functie van het mogelijk maken van trainingen ’s avonds, zal het wenselijk zijn om verlichting te voorzien op het terrein. In de bestaande toestand zijn deze nog niet aanwezig op het terrein. Het plangebied ligt wel op korte afstand van een op- en afrittencomplex van de autosnelweg die verlicht wordt. Lichthinder kan veroorzaakt worden door uitrusting van de recreatiezone met verlichting. Indien verlichting noodzakelijk is, kan enkel gerichte en aangepaste verlichting gebruikt worden en enkel op de tijdstippen dat dit strikt noodzakelijk is voor wedstrijden/trainingen. Op die manier wordt de verstrooiing naar de omgeving tot een minimum beperkt. De hoeveelheid weerkaatst licht dient tot een minimum worden beperkt. Bovendien zal de groenbuffer die voorzien wordt tussen het recreatiegebied en de voorliggende woningen. Hierdoor wordt reeds het grootste deel van het verstrooid licht weggevangen. Binnen het plangebied zelf, zijn geen soorten gekend die gevoelig zijn voor lichthinder. Indien dit wordt nageleefd, wordt verwacht dat de ingrepen binnen het plangebied geen lichthinder veroorzaken binnen de SBZ. X-18.052-21/32 Indien met deze maatregel wordt rekening gehouden, wordt geen significant effect verwacht met betrekking tot lichthinder ten opzichte fauna en flora. Er wordt geen significante effecten verwacht met betrekking tot lichthinder ten opzichte van fauna en flora. Effecten op de speciale beschermingszone Bij de beschrijving van de referentietoestand werd de speciale beschermingszone (habitatrichtlijngebied) beschreven, samen met ook de voorkomende habitats en instandhoudingsdoelstellingen voor deze habitats. Het habitatrichtlijngebied ligt op een 500-tal meter ten zuiden van het plangebied. Tussen het plangebied en het habitatrichtlijngebied ligt een belangrijke barrière, nl. de autosnelweg E
  51. Een ingreep heeft significant negatieve gevolgen op een speciale beschermingszone indien deze een verslechtering van de algemene kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van de soorten met zich meebrengt of een soort verstoort waarvoor de zone werd aangewezen. De uiteindelijke significantie moet worden vastgesteld in functie van de bijdrage die de onderzochte zone levert aan het Natura 2000-netwerk. De significantie van de eventuele negatieve effecten op de te beschermen habitats en soorten wordt dus beoordeeld in vergelijking met de totale speciale beschermingszone. Uit voorgaande beoordelingspunten kan al geconcludeerd worden dat met betrekking tot biotoopverlies, versnippering en verstoring geen effecten te verwachten zijn. Met betrekking tot verstoring van de abiotische kenmerken van het gebied zijn eveneens geen betekenisvolle effecten te verwachten. De beoordeling bij de bespreking van de discipline Bodem en water toont aan dat niet betekenisvol ingegrepen wordt in de waterhuishouding. Er worden met andere woorden ook geen afgewentelde effecten op de abiotiek in de SBZ verwacht. Het plangebied maakt bovendien geen direct contact met het deelgebied van het habitatrichtlijngebied. Tussen het plangebied en de SBZ ligt een open agrarisch gebied en een autosnelweg als belangrijke barrière. Er is geen directe verbinding tussen beide gebieden. In vergelijking met de referentiesituatie (bestaande toestand) waar reeds openluchtrecreatieve activiteiten voorkomen, veroorzaakt het RUP geen bijkomende geluidshinder, lichthinder en betreding met mogelijke effecten op de soorten en habitats in de SBZ. De planinhoud van het RUP veroorzaakt geen significant negatief effect voor de SBZ.” 13.2.
  52. Op basis van deze beoordeling worden vervolgens, bij wijze van conclusie, de volgende “maatregelen en aanbevelingen” geformuleerd: “2.4.5 Conclusie: maatregelen en aanbevelingen Rekening houdend met de volgende maatregelen: - Behoud van de bomenrij van zomereik in het zuiden van het plangebied. X-18.052-22/32 - In de groenbuffers en de groenstroken kan zoveel mogelijk van de bestaande beplanting behouden blijven. - Voorzien van een groenbuffer en groenstroken in streekeigen, standplaatsgeschikte soorten kan geoordeeld worden dat er geen aanzienlijke effecten met betrekking tot de discipline fauna en flora te verwachten zijn. Er zijn geen bijkomende milderende maatregelen noodzakelijk. Verder vloeien volgende aanbevelingen voort uit de screening: - enkel verlichting toelaten indien het gaat om gerichte verlichting die enkel gebruikt wordt indien dit strikt noodzakelijk is. - Bij vergunningverlening moet worden toegekeken dat de kwaliteit van het grondwater niet in gevaar wordt gebracht. Het eventuele afvalwater mag niet ongezuiverd worden geloosd.” 14.
  53. Uit de in het randnummer 13.2.1 weergegeven inhoud van de screeningsnota blijkt dat met betrekking tot een mogelijk direct biotoopverlies er geen significante effecten te verwachten zijn in vergelijking met de bestaande toestand “bij behoud van de zuidelijke bomenrij”. Het behoud van die bomenrij wordt vervolgens als “maatregel” geformuleerd. 14.
  54. Met de eerste verwerende partij kan worden vastgesteld dat het behoud van de zuidelijke bomenrij wel degelijk is doorvertaald geworden in de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP. Artikel 3 van de stedenbouwkundige voorschriften bepaalt immers: “Aan de zuidkant van perceel 1077 zijn waardevolle eiken aanwezig. Deze dienen maximaal te worden behouden.” 14.
  55. Aangenomen moet worden dat te dezen kan worden volstaan om de in de screeningsnota voorgestelde preventieve maatregelen te verankeren of door te vertalen in de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP, zonder dat een plan-Mer moest worden opgesteld. 14.
  56. De bedenking in de laatste memorie van verzoekster dat “geenszins [blijkt] wat er dient te gebeuren” indien de zuidelijke bomenrij “zou afsterven”, en haar loutere bewering dat “men [bovendien heeft] nagelaten te onderzoeken of het behoud van de bestaande bomenrij volstaat om de in de X-18.052-23/32 screeningsnota aangehaalde hinderaspecten te voorkomen”, zijn niet van aard om het bestreden gemeentelijk RUP te vitiëren.
  57. Wat de mogelijke lichthinder betreft, wordt er in de screeningsnota van uitgegaan dat de groenbuffer het grootste deel van het verstrooid licht zal “wegvangen”. Gesteld wordt verder dat “enkel gerichte en aangepaste verlichting” gebruikt mag worden en dit “enkel op de tijdstippen dat dit strikt noodzakelijk is voor wedstrijden/trainingen”. Indien dit wordt voorzien, wordt er volgens de screeningsnota “geen significant effect verwacht met betrekking tot lichthinder ten opzichte [van] fauna en flora”. Om negatieve effecten ingevolge lichthinder te voorkomen, wordt in de screeningsnota de “aanbeveling” geformuleerd om “enkel verlichting toe [te] laten indien het gaat om gerichte verlichting die enkel gebruikt wordt indien dit strikt noodzakelijk is” (zie randnummer 13.2.2). Verzoekster overtuigt er niet van dat deze conclusie in de door de dienst Mer goedgekeurde screeningsnota de grenzen van de redelijkheid zou te buiten gaan of anderszins onwettig zou zijn. 16.
  58. Vastgesteld moet verder worden dat in artikel 1 ‘zone voor sport en recreatie’, onderdeel ‘inrichting en beheer’, deel ‘sportterreinen’, de volgende verordenende stedenbouwkundige voorschriften zijn opgenomen ter voorkoming van lichthinder voor het landschap en de omwonenden: “Bij de situering van de sportvelden en de plaatsing en keuze van de verlichtingspalen dient rekening gehouden te worden met het beperken van de lichthinder zowel naar het landschap als voor de omwonenden. Verlichtingsmasten kunnen enkel toegestaan worden indien ze verplicht neerwaarts gericht zijn en mits bij aanvraag tot omgevingsvergunning aangetoond wordt dat deze noodzakelijk zijn voor de werking van de activiteiten. Buitenverlichting dient zich te beperken tot het strikt functioneel noodzakelijke en is uitsluitend gericht naar het doelgebied. Buitenverlichting mag enkel gebruikt worden op de momenten [dat] het strikt noodzakelijk is in functie van de activiteiten.” Als toelichting bij dit voorschrift wordt vermeld: X-18.052-24/32 “Enkel de inrichting van lichtmasten wordt uitzonderlijk mogelijk gemaakt met oog op avondgebruik. De noodzaak van deze verlichtingselementen dient te worden aangetoond alvorens deze worden toegestaan. Lichtverstrooiing kan vermeden worden door het gebruik van aangepaste armaturen.” 16.
  59. De stedenbouwkundige voorschriften van artikel 2 ‘groenbuffer’ (overdruk) luiden: “– De groenbuffer dient een visueel dicht scherm te vormen. Om een visuele buffering te garanderen dient een aangepaste plantkeuze en een aangepast beheer te gebeuren. – De minimale breedte van deze groenbuffer bedraagt 3 meter. – Aanplant van beplanting in de groenbuffer dient te gebeuren met streekeigen, standplaatsgeschikte soorten. – De zone wordt ononderbroken beplant met een combinatie van hoogstammig groen en struiken. Deze bufferzone dient aldus te worden aangelegd als een dichte visuele buffer, bestaande uit streekeigen, standplaatsgeschikte planten. Ook tijdens de wintermaanden dient de buffer een minimaal visueel scheidend vermogen te hebben.” – De groenbuffer dient uiterlijk gerealiseerd te worden in het plantseizoen dat volgt op het verlenen van een omgevingsvergunning voor een inrichting binnen de zone op basis van dit RUP – Bebouwing, bovengrondse constructies en verhardingen zijn niet toegestaan binnen de groenbuffer met uitzondering van: - Het plaatsen van afsluitingen; - Het herstellen, verplaatsen of heraanleggen van nutsleidingen.” In de toelichting bij deze voorschriften wordt het volgende vermeld: “Om tot een visueel dichte groenbuffer te komen wordt een combinatie van zowel hoogstammig groen als struiken vooropgesteld. Voor de visuele scheiding tijdens de wintermaanden kan naast groenblijvend naaldhout ook met loofhout gewerkt worden. Bepaalde loofsoorten in haagvorm behouden immers hun (dor) blad tijdens de wintermaanden. Andere soorten kunnen via het intensief en herhaaldelijk terugsnoeien tijdens de eerste jaren na de aanplanting een dichte takkenstructuur ontwikkelen. Bij een voldoende brede houtkant (minimaal 3 meter) zal deze dichte takkenstructuur ook tot een aanvaarbare visuele scheiding komen tijdens de wintermaanden.” 16.
  60. Verzoekster toont niet aan dat de bestemming ‘groenbuffer’ (zie randnummer 16.2) niet zou inhouden dat het grootste deel van het verstrooid licht wordt “weggevangen”, zoals aangenomen in de screeningsnota. Voorts X-18.052-25/32 komen de stedenbouwkundige voorschriften vermeld onder randnummer 16.1 tegemoet aan de aanbeveling in de screeningsnota om “enkel gerichte en aangepaste verlichting” te gebruiken, en dit “enkel op de tijdstippen dat dit strikt noodzakelijk is voor wedstrijden/trainingen”. De geciteerde voorschriften moeten in redelijkheid geacht worden een afdoende, rechtszekere doorvertaling te zijn van de aanbevelingen uit de screeningsnota ter voorkoming van lichthinder. Het betoog in verzoeksters laatste memorie dat “[m]en […] zich […] de vraag [dient te] stellen vanaf wanneer een bepaalde buitenverlichting strikt functioneel noodzakelijk is”, doet niet anders besluiten.
  61. Het middel wordt verworpen. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  62. Verzoekster voert in een vierde middel de schending aan van de artikelen 4.2.1 en 4.2.3 DABM, alsook van het materiëlemotiverings-, rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Zij zet uiteen dat in de screeningsnota wordt gesteld dat er ten gevolge van het bestreden gemeentelijk RUP een aantal significante effecten kunnen verwacht worden op het vlak van mobiliteit, meer bepaald op het vlak van verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling. Er worden in de screeningnota een aantal milderende maatregelen vooropgesteld die de negatieve effecten zouden moeten wegnemen. Deze voorgestelde maatregelen hebben evenwel enkel betrekking op het voorzien van voldoende parkeerplaatsen en fietsstalplaatsen. Er worden geen maatregelen voorgesteld die de negatieve effecten op het vlak van verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling moeten opvangen. Er is aldus geen degelijk onderzoek gevoerd inzake verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling. Daarnaast herhaalt verzoekster dat in een screeningsnota niet allerlei milderende maatregelen kunnen worden opgenomen teneinde de aanzienlijke effecten als niet-bestaande te beschouwen. In een dergelijk geval dient immers een plan-MER te worden opgesteld, waarin de effecten van de milderende maatregelen worden X-18.052-26/32 opgenomen. Ondergeschikt merkt verzoekster op dat de maatregelen die wél in het verzoek tot ontheffing zijn voorgesteld, niet zijn doorvertaald in de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP. In de screeningsnota komt men tot de conclusie dat er 150 parkeerplaatsen moeten worden voorzien. In de stedenbouwkundige voorschriften wordt niets bepaald over het aantal te voorziene parkeerplaatsen. Er wordt slechts gesteld dat er “voldoende” moeten worden voorzien. Bijgevolg is het voor verzoekster onzeker hoeveel parkeerplaatsen uiteindelijk zullen worden gerealiseerd. Beoordeling 19.1.
  63. In de screeningsnota wordt met betrekking tot de verkeersveiligheid en de verkeersleefbaarheid in de omgeving het volgende vermeld: “impact op verkeersveiligheid en verkeersleefbaarheid in de omgeving Cf. voorgaand punt kan er dus geen probleem met doorstroming verwacht worden en wordt met betrekking hiermee de verkeersveiligheid en verkeersleefbaarheid niet beïnvloed. In functie van de verkeersveiligheid en verkeersleefbaarheid worden volgende mogelijke probleempunten nog aangehaald: – Snelheidsregime Slagmolenstraat: Ter hoogte van het project is [de] bebouwde kom (50km/u) maar blijkt uit verschillende snelheidsmetingen

(2016)dat de rijsnelheid te hoog […] is (85percentiel = 59km/u; pieken tot 120km/u). Het RUP wijzigt op zich niets aan de Slagmolenstraat, maar in functie van de bereikbaarheid van de zone voor traag verkeer/oversteekbaarheid) is de aanpak van het snelheidsregime in de Slagmolenstraat wel een aandachtspunt. – Oversteekbaarheid traag verkeer: Tegenover de toegang tot het plangebied is een doorgang in functie van traag verkeer gelegen. Dit ligt ook op de kortste verbinding tussen de kern van Schorvoort (met de voormalige voetbalvelden) en het plangebied. Een groot deel van het traag verkeer dat tot aan het plangebied komt, zal gebruik maken van deze verbinding. Het verbeteren van de oversteekbaarheid is dus een aandachtspunt bij de inrichting. Het RUP wijzigt op zich niets aan de oversteekbaarheid van de Slagmolenstraat, maar in functie van de bereikbaarheid van de zone voor traag verkeer/oversteekbaarheid is de inrichting van de weg wel van belang. Dit kan samen gezien worden met het aanpakken van het snelheidsregime op de weg. – Inrichting toegang gebied ifv combinatie van gemotoriseerd en traag-verkeer: X-18.052-27/32 De toegang voor het plangebied is gelegen tussen twee woningen langs de Slagmolenstraat. De breedte van deze toegang is langs de straatzijde beperkt, maar toch voldoende in functie van kruisend verkeer. Er is geen afzonderlijke zone voorzien in functie van traag verkeer. Bij de inrichting van het gebied dient echter te worden gezorgd dat het traag verkeer niet conflicteert met het gemotoriseerd verkeer. – Parkeren: om de verkeersleefbaarheid van de omgeving te waarborgen, dient ervoor te worden gezorgd dat er niet overal wordt wild geparkeerd. Er dient voldoende parking te worden voorzien binnen het plangebied voor de opvang van de parkeerdruk. In Deel 1, 5.1 vanaf pg. 28 werd dit berekend en werd een parkeerbehoefte van ca. 128 en met een marge tot ca. 150 wagens berekend. In het RUP dient dus voldoende ruimte te worden voorzien voor parkeren. Cf. de gemaakte inrichtingsschets (zie Deel 1, 7.2.1 op pg. 38) blijkt dat er voldoende ruimte voorhanden is voor parkeren, ook rekening houdend met de invulling van de behoefte aan andere infrastructuur en terreinen. Bij evenementen binnen het plangebied die buiten de normale werking van het plangebied vallen (vb. toernooien), dienen specifieke oplossingen te worden gezocht voor parkeren. Er dient zoveel mogelijk gebruik gemaakt [te] worden van duurzame alternatieve verplaatsingsvormen. Voorbeelden van alternatieven zijn: gemeenschappelijk vervoer, parkings met pendelbussen, parkeren op openbare weg (in overleg met bewoners), meer inzetten op langzaam verkeer, … Indien op het terrein voldoende ruimte voor parkeren wordt voorzien voor de normale werking van het gebied en er bij de inrichting van de toegang van het plangebied en van de Slagmolenstraat zelf gepaste inrichtingsmaatregelen worden getroffen, worden er geen significante effecten verwacht met betrekking tot verkeersleefbaarheid en verkeersveiligheid.” 19.1.
  1. In de “conclusie” met betrekking tot de mobiliteitsaspecten worden de volgende “aanbevelingen” geformuleerd met betrekking tot de inrichting van de Slagmolenstraat. “De oversteekbaarheid van de Slagmolenstraat voor traag verkeer moet worden verbeterd. Er dienen maatregelen te worden genomen zodat de snelheid op de Slagmolenstraat wordt beperkt, zodat de overstekende fietsers en voetgangers op een veilige manier de overzijde van de weg/het plangebied kunnen bereiken.” 19.
  2. Uit de in randnummer 19.1.1 aangehaalde vermeldingen van de screeningsnota blijkt verder dat “er geen significante effecten verwacht [worden] met betrekking tot verkeersleefbaarheid en verkeersveiligheid”, “[i]ndien op het terrein voldoende ruimte voor parkeren wordt voorzien voor de normale werking van het gebied en er bij de inrichting van de toegang van het plangebied en van de X-18.052-28/32 Slagmolenstraat zelf gepaste inrichtingswerken worden getroffen […]”. Finaal wordt de aanbeveling geformuleerd om “maatregelen te [nemen] zodat de snelheid op de Slagmolenstraat wordt beperkt, zodat de overstekende fietsers en voetgangers op een veilige manier de overzijde van de weg/het plangebied kunnen bereiken”. 19.
  3. Verzoekster overtuigt er vooreerst niet van dat de door artikel 1.1 ‘zone voor parkeren (overdruk)’en artikel 1.2 ‘zone voor occasioneel parkeren (overdruk)’ van het bestreden plan (zie randnummer 4.9.2) voorziene parkeerruimte niet zou volstaan. 19.
  4. Met de eerste verwerende partij wordt verder vastgesteld dat haar college van burgemeester en schepenen reeds vóór de definitieve vaststelling van het bestreden gemeentelijk RUP, met haar besluit van 29 juli 2021 ‘oversteek Slagmolenstraat ter hoogte van voetbalpleinen Waterheide: voorlopige inrichting oversteekbeveiliging’ formeel heeft beslist om de onder randnummer 19.1.
  5. vermelde aanbevelingen met betrekking tot de inrichting van de Slagmolenstraat uit te voeren, overwegende dat “[d]e heraanleg van de Slagmolenstraat […] niet voor het eerste jaar [is]”. In dat besluit van 29 juli 2021, waar verzoekster niet op ingaat, wordt immers het volgende overwogen: “Argumentatie Voor de veiligheid van kinderen op de trage weg route vanuit Schorvoort naar de voetbalvelden, moet de oversteek op de Slagmolenstraat veilig oversteekbaar voor kinderen gemaakt worden. De Slagmolenstraat heeft de categorisering Lokale weg type 2, en is een drukkere weg waar te snel wordt gereden. De intensiteiten op dit segment van de Slagmolenstraat naar Oud-Turnhout bedragen 412 pae in een ochtendspitsuur en 517 in een avondspitsuur (uit telgegevens op 18/03/2019 op kruispunt met de Oude Dijk) Ter hoogte van de voetbalvelden geldt in de Slagmolenstraat is het bebouwde kom (50km/u), maar uit verschillende snelheidsmetingen blijkt de rijsnelheid er te hoog: het 85ste percentiel = 59km/u en met pieken tot 120km/u. De hoge snelheden zijn te verklaren door het lange rechte stuk van de weg. Er moeten dus zeker maatregelen genomen worden. De voorgestelde maatregelen voor een veilige oversteek bestaan uit: – Een wegversmalling, met bloembakken of andere verticale elementen. Die zijn +-1,2m breed, en voorzien van witte en rode reflectorstrook. Tussenafstand tussen de bloembakken bedraagt 4m. X-18.052-29/32 – Een zebrapad en een verkeersbord F49: ‘Oversteekplaats voor voetgangers’ – Schildering van nieuwe kantlijn en schuine arcering verdrijvingsvlakken Vier dikke kunststof opvijspaaltjes Effect van de maatregelen: – Wegversmalling (4m breed) : maakt de oversteekafstand korter + doordat er slechts 1 rijrichting tegelijkertijd door kan, letten chauffeurs hier van nature beter op + de oversteektaak wordt eenvoudiger voor het kind. – Bloembakken of andere verticale elementen: maken de wegversmalling visueel duidelijk voor chauffeurs en geeft een natuurlijke snelheidsremming. – Uitstulping tussen de bloembakken: Hier zijn de voetgangers goed in het zicht. – Witte lijn markeert de nieuwe rand van de weg; dit is duidelijk leesbaar voor de voetgangers (hier begint de oversteek = opletten) – Zebrapad: geeft auto’s de verplichting om te stoppen voor de voetgangers. Op dat ogenblik kan een kind veilig oversteken. Randvoorwaarden: – Een wegversmalling kan functioneren met de verkeersintensiteiten op de Slagmolenstraat. – Locatie van de wegversmalling is afgetoetst met de draaicirkel van vrachtwagens (van en naar perceel nr 71 Drimavino) en met de draaicirkel van brandweer (van en naar de voetbalpleinen ).” 19.
  6. Met de eerste verwerende partij moet aangenomen worden dat de voormelde maatregelen, waartoe de eerste verwerende partij vóór het nemen van het eerste bestreden besluit aangaande de inrichting van de buiten het plangebied gelegen Slagmolenstraat heeft beslist, aan de aanbevelingen van de screeningsnota voldoen. Gelet op deze maatregelen, die blijkens een door de eerste verwerende partij bijgebrachte foto inmiddels werden uitgevoerd, diende de plannende overheid de uitvoering van het bestreden gemeentelijk RUP in haar verordenende stedenbouwkundige voorschriften niet afhankelijk te maken van de realisatie van de door de screeningsnota aanbevolen inrichtingsmaatregelen voor de Slagmolenstraat. 19.
  7. Dat voor het bestreden gemeentelijk RUP een plan-MER had dienen opgemaakt te worden, wordt, gelet op wat voorafgaat, niet aannemelijk gemaakt.
  8. Het middel wordt verworpen. X-18.052-30/32
  9. Er is reden tot een aanvullend onderzoek door het auditoraat. X-18.052-31/32 BESLISSING
  10. De Raad van State voert de zaak van de rol af wat Josephus Schuermans betreft.
  11. De kosten van het door hem ingestelde beroep, begroot op het rolrecht van 200 euro, komen ten laste van de nalatenschap.
  12. De Raad van State heropent het debat in zoverre het beroep is ingesteld door Maria Deleu.
  13. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt met een aanvullend onderzoek belast. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op een december tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-18.052-32/32 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.097 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.356 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.