← België

Arrest 258127 - Personeel van de rechterlijke orde - 05/12/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.127 Rolnummer: A. 236220/IX-10031 Zaak: Arrest 258127 - Personeel van de rechterlijke orde - 05/12/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-12-07 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-10 17:09 Fiche Arrest nr 258.127 van 5 december 2023 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 258.127 van 5 december 2023 in de zaak A. 236.220/IX-10.031 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Claes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist kantoor houdend te 3550 Heusden-Zolder Pastoor Paquaylaan 184 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrik De Maeyer en Adrien Neyrinck kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Rudi GORIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Bruyninckx kantoor houdend te 3000 Leuven Franz Tielemanslaan 10 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 22 april 2022, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 18 januari 2022 waarbij Rudi Goris wordt benoemd tot raadsheer in het hof van beroep te Brussel. IX-10.031-1/29 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Rudi Goris heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 30 juni
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 november
  4. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Claes, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Adrien Neyrinck, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Johan Bruyninckx, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  5. IX-10.031-2/29 III. Feiten 3.
  6. In het Belgisch Staatsblad van 28 mei 2021 wordt bekendgemaakt dat drie Nederlandstalige betrekkingen vacant zijn van raadsheer in het hof van beroep te Brussel. Verzoekster en de tussenkomende partij stellen zich kandidaat. 3.
  7. Wat verzoekster betreft: - verleent de stafhouder van de Nederlandstalige orde van advocaten bij de balie te Brussel een advies met eindvermelding ‘gunstig’, - verleent de voorzitter van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel een advies met eindvermelding ‘zeer gunstig’, - verleent de algemene vergadering van het hof van beroep te Brussel een advies ‘ongunstig’. Wat de tussenkomende partij betreft: - verleent de stafhouder van de Nederlandstalige orde van advocaten bij de balie te Brussel een advies met eindvermelding ‘gunstig’, - verlenen de voorzitters van de Nederlandstalige en Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel een advies met eindvermelding ‘zeer gunstig’, - verleent de algemene vergadering van het hof van beroep te Brussel een advies ‘gunstig’. 3.
  8. Op 27 oktober 2021 deelt verzoekster aan de minister van Justitie haar opmerkingen mee op het advies van de algemene vergadering van het hof van beroep te Brussel. Op 8 november 2021 bezorgt zij deze opmerkingen ook nog aan de Hoge Raad voor de Justitie. 3.
  9. Op 23 november 2021 beslist de benoemings- en aanwijzingscommissie (BAC), de kandidaten gehoord, om de tussenkomende partij voor te dragen aan de minister van Justitie en om verzoekster niet voor te dragen. IX-10.031-3/29 Daags nadien meldt verzoekster aan de minister van Justitie dat haar tijdens de hoorzitting was meegedeeld dat de BAC haar opmerkingen aan de minister van Justitie op het advies van de algemene vergadering van het hof van beroep te Brussel niet ontvangen had.
  10. Bij koninklijk besluit van 18 januari 2022 wordt de tussenkomende partij benoemd tot raadsheer in het hof van beroep te Brussel. Dit is het bestreden besluit, waarvan de motivering luidt: “Overwegende dat [Rudi Goris], met de vereiste meerderheid van twee derde van de uitgebrachte stemmen, door deze commissie werd voorgedragen voor de vacante plaats van raadsheer in het hof van beroep te Brussel, op grond van volgende motivering: ‘Uit het advies van de algemene vergadering van het hof van beroep van Brussel valt niet af te leiden welk profiel het hof met de vacante plaats voor ogen heeft. De noden van het hof doen zich immers momenteel in alle secties van het hof voor. In de publicatie van de vacante plaats in het Belgisch Staatsblad van 28 mei 2021 wordt gespecifieerd dat in deze plaats, in toepassing van artikel 43bis, § 3, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, moet worden voorzien door de benoeming van een kandidaat die het bewijs levert van de grondige kennis van de andere landstaal. Rudi Goris behaalde in 1998 het diploma van licentiaat in de rechten. Hij behaalde in 2000 de academische graad van gediplomeerde in de gespecialiseerde studies van sociaal recht en in 2001 de academische graad van gediplomeerde in de aanvullende studies van bedrijfskunde. De kandidaat is houder van getuigschriften van kennis van het Frans in de zin van artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken (artikelen 5 en 6 van het koninklijk besluit van 19 december 2002). Hij was advocaat aan de balie Leuven van 23 oktober 1998 tot en met 30 september
  11. Hij was gerechtelijk stagiair bij het parket bij de rechtbank van eerste aanleg Brussel van 1 oktober 2008 tot 27 april
  12. Bij koninklijk besluit van 6 april 2010 werd hij benoemd tot substituut-procureur des Konings bij het parket bij de rechtbank van eerste aanleg Brussel. Bij koninklijk besluit van 9 december 2044 werd hij benoemd tot vrederechter van het derde kanton Brussel en, in subsidiaire orde, tot vrederechter in elk kanton van het gerechtelijk arrondissement Brussel. Bij beschikking van de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg Brussel van 3 augustus 2016 werd hij, met ingang van 1 september 2016, gedelegeerd vrederechter van het tweede kanton Schaarbeek. Bij koninklijk besluit van 3 juni 2018 IX-10.031-4/29 werd hij benoemd tot vrederechter van voornoemd kanton en, in subsidiaire orde, tot vrederechter in elk kanton van het gerechtelijk arrondissement Brussel. De kandidaat kan bogen op een ervaring als lesgever recht in het Centrum voor Volwassenenonderwijs te Leuven, als lesgever bij de Gewestelijke en Intercommunale politieschool en als plaatsvervangend voorzitter van de speciale invaliditeitscommissie te Brussel (benoemd bij ministerieel besluit van 29 juni 2012). Uit het dossier blijkt een beperkte aandacht voor opleiding en vorming. Nog blijkens het dossier beschikt de kandidaat op 18 augustus 2021 over een blanco strafregister. Het advies van de algemene vergadering van hof van beroep van Brussel luidt gunstig. De kandidaat toont volgens het advies aan dat hij een zeer gevarieerde beroepservaring heeft verworven waardoor hij over een relatief brede procedurele bagage beschikt. Hij is plichtsbewust, besluitvaardig, stressbestendig en kan onder hoge tijdsdruk werken. Zijn opeenvolgende overstappen naar verschillende functies binnen de magistratuur wijzen op de bereidheid én capaciteit van de kandidaat om zich op korte termijn in hem minder bekende materies in te werken. Het advies staat ten slotte stil bij zijn wettelijke tweetaligheid en zijn openheid van geest en luisterbereidheid, gelet op zijn ervaring als vrederechter in een multicultureel kanton. De voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel en de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg van Brussel verstrekken een zeer gunstig advies en zijn van oordeel dat Rudi Goris een geschikte kandidaat raadsheer is gelet op zijn goede kennis van alle delen van het rechtsgebied van het hof van beroep, zijn ervaring in verschillende domeinen van het recht en zijn rustig en plichtsbewust temperament. Volgens het advies zal de kandidaat zich moeten aanpassen aan een andere manier van werken op het hof van beroep, maar is hij daartoe in staat en is hij alleszins gemotiveerd om diepgaander juridisch werk te verrichten. De kandidaat kan omschreven worden als een generalist en past in die hoedanigheid in het gezochte profiel. Het advies verwijst hiervoor naar zijn ervaring als parketmagistraat, advocaat en vrederechter. Het advies van de Brusselse balie luidt gunstig. De kandidaat heeft volgens het advies door zijn balie-ervaring een gedegen kennis van de verschillende takken van het recht, onder meer het burgerlijk recht en het gerechtelijk recht, kunnen opdoen. Het advies heeft voorts ook aandacht voor zijn ervaring als parketmagistraat en vrederechter. Het advies acht hem als nabijheidsrechter bijzonder geschikt en stelt dat de kandidaat daarvoor over alle menselijke vaardigheden beschikt. Tijdens de hoorzitting maakt Rudi Goris een bescheiden en rustige indruk. Hij geeft vooreerst duiding bij zijn ruime en gevarieerde beroepsloopbaan als advocaat, gerechtelijk stagiair, parketmagistraat en vrederechter en benadrukt zo zijn expertise binnen zowel het strafrecht als het burgerlijk recht. Zijn IX-10.031-5/29 toenmalige keuze voor het vredegerecht werd mede ingegeven door zijn wettelijke tweetaligheid en de vele vacante plaatsen in Brussel. Het autonoom kunnen werken en het contact met de rechtsonderhorigen haalt hij aan als voordelen van een vrederechter. Hij stelt evenwel vast dat hij nood heeft aan meer variatie aangezien hij nu vooral huurgeschillen behandelt. Hij hoopt op het hof van beroep meer in zijn moedertaal strafrechtelijke dossiers te kunnen behandelen. Hij is er zich ten slotte van bewust dat het hof van beroep een andere werkwijze hanteert maar acht zich daartoe in staat en is zeker bereid zich ook in hem niet-vertrouwde materies in te werken. De commissie is van oordeel dat Rudy Goris over de nodige ervaring, juridische kennis en professionele en gedragsvaardigheden beschikt om voor het ambt van raadsheer in het hof van beroep van Brussel te worden voorgedragen. Met zijn reeds lange en gediversifieerde ervaring als advocaat, gerechtelijk stagiair, substituut-procureur des Konings bij het parket bij de rechtbank van eerste aanleg Brussel en vrederechter, zijn zittingservaring, zijn kennis en expertise binnen het strafrecht en het burgerlijk recht, de bereidheid om zich op korte termijn in hem minder bekende materies in te werken, zijn besluitvaardigheid, zijn stressbestendigheid, zijn openheid van geest, zijn luisterbereidheid, zijn wettelijke tweetaligheid en zijn gunstige adviezen, beantwoordt hij voldoende aan het gezochte profiel en beschikt hij over de nodige kwaliteiten en troeven om het ambt tot eenieders voldoening uit te oefenen. [Verzoekster] behaalde in 1999 het diploma van licentiaat in de rechten. In 2000 behaalde ze, met onderscheiding, het diploma van geaggregeerde voor het secundair onderwijs en het hoger onderwijs van het korte type en in 2001 het diploma van master in de intellectuele rechten. In 2014-2015 nam ze deel aan een opleiding ‘praktische managementvaardigheden’, georganiseerd door de EHSAL Management School. De kandidaat is houder van een attest van kennis van de Franse taal, grote tweetaligheid, in de zin van artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Ze was advocaat-stagiair aan de balie Antwerpen van 1 oktober 2000 tot en met september
  13. Op 1 oktober 2002 vatte ze de gerechtelijke stage aan bij het parket bij de toenmalige rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. Bij koninklijk besluit van 5 juni 2004 werd de kandidaat benoemd tot toegevoegd substituut-procureur des Konings in het rechtsgebied van het hof van beroep van Brussel en bij koninklijk besluit van 11 april 2005 werd ze benoemd tot substituut-procureur des Konings bij het parket bij de (toenmalige) rechtbank van eerste aanleg Brussel. Als parketmagistraat startte ze in de burgerlijke sectie en was ze verantwoordelijk voor de geïnterneerden. Vanaf 2006 was ze zonemagistraat voor de zone Brussel-Hoofdstad-Elsene en van april 2008 tot juli 2012 gaf ze leiding aan de dienst CIS – Bureau Coopération Internationale IX-10.031-6/29 Samenwerking. Ze coördineerde de internationale opsporingsonderzoeken en vertegenwoordigde het parket van Brussel in de werkgroep Europees arrestatiebevel. Bij koninklijk besluit van 18 juli 2012 werd de kandidaat benoemd tot rechter in de rechtbank van koophandel (thans de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank) te Brussel. Ze zetelde onder meer in de kamer die de materies bouw-, verzekerings- en transportrecht behandelt en heeft als kamervoorzitter de afgelopen jaren bijzondere expertise kunnen ontwikkelen met betrekking tot alle materies uit het intellectuele eigendomsrecht. Sedert september 2020 zetelt ze ook in stakingsvorderingen. Ook heeft ze ervaring met de hogere beroepen tegen de vonnissen van de vredegerechten. Ze is effectief evaluator (sinds september 2015) en was verkozen lid van het directiecomité van mei 2015 tot juni
  14. Ze is ook Euro-coördinator in het kader van het project ‘A strong Belgian Network’. De kandidaat kan voorts onder meer bogen op een ervaring als docent handels- en vennootschapsrecht en burgerlijk recht bij Syntra (van 2001 tot 2004) en als gastspreker en panellid tijdens opleidingen en studiedagen. Uit het dossier blijkt een ruime aandacht voor permanente vorming. Nog blijkens het dossier beschikt de kandidaat op 18 augustus 2021 over een blanco strafregister. De algemene vergadering van het hof van beroep van Brussel verstrekt een ongunstig advies. Niet alleen de kwaliteit van de rechterlijke beslissingen en de juridische kennis van de kandidaat worden in vraag gesteld, er worden ook vraagtekens geplaatst bij haar collegialiteit. Het advies stelt onder meer dat het collegiaal zetelen in een hof van beroep van een andere orde is dan het collegiaal zetelen in de ondernemingsrechtbank en dat de aan de algemene vergadering aangegeven elementen met betrekking tot de wijze waarop de kandidaat soms omgaat met anderen twijfel opwerpen over de collegialiteit van de kandidaat en over het vermogen om in alle openheid om te gaan met juridische inbreng van collega’s. Verder stelt het advies dat de kandidaat weinig of niet schaaft aan de kwaliteit van haar beslissingen en dat de indruk bestaat dat de kandidaat inhoudelijk geen kennis neemt van de haar overgemaakte arresten, die uitgesproken worden in hoger beroep. Er wordt met betrekking tot de kwaliteit van de vonnissen van de kandidaat verder verwezen naar een eerder advies van de algemene vergadering van het hof van beroep van Brussel dat naar aanleiding van haar kandidaatstelling voor de openstaande plaats van 16 oktober 2020 werd verstrekt. Uit dit eerder advies kan worden afgeleid dat de op vraag van de objectiveringscommissie overgemaakte vonnissen niet over de ganse lijn overtuigen. In sommige vonnissen verschijnen minder duidelijke overwegingen, worden adviezen overgenomen en kan het taalgebruik zorgvuldiger. De verwoording is soms stroef of slordig, de zinsbouw klopt niet steeds, er zijn fouten tegen geslachten en IX-10.031-7/29 enkelvouden en meervouden. De algemene vergadering van het hof van beroep stelt (in het huidige advies) voorts dat, ook al werd de kandidaat opnieuw gehoord door de objectiveringscommissie, de objectiveringscommissie geen reden ziet om het verslag van het vorige onderhoud te wijzigen aangezien de affectatie van de kandidaat binnen de ondernemingsrechtbank niet is gewijzigd. Het advies stelt ten slotte dat het zeer lovende advies van de korpschef, op het vlak van de kwaliteit van de rechterlijke beslissingen van de kandidaat, ernstig moet worden genuanceerd aangezien de effectieve rechters in de ondernemingsrechtbank afzonderlijk functioneren en de ervaring van een korpschef met een lid van zijn rechtbank veelal vanuit een totaal andere invalshoek geschiedt. De voorzitter van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel verleent een zeer gunstig advies. Volgens het advies laten de kennis, ervaring en vaardigheden die de kandidaat in haar professionele loopbaan heeft ontwikkeld toe te besluiten dat ze over de nodige competenties beschikt om als raadsheer te zetelen in het hof van beroep van Brussel. Haar gevarieerde ervaring, enerzijds bij het openbaar ministerie gedurende bijna tien jaar en anderzijds, sinds 2012, bij de ondernemingsrechtbank zullen haar toelaten om zich vlot in te werken. Haar bewezen aanpassingsvermogen en vormingsbereidheid zullen hier ook zeker toe bijdragen. Nog steeds volgens het advies heeft ze binnen de rechtbank bovendien zeer veel ervaring opgedaan in het collegiaal zetelen en het leiden van zittingen. Ze heeft tot slot ook aangetoond dat ze een grondige en gespecialiseerde kennis kan verwerven in te behandelen juridische materies, zoals bijvoorbeeld het intellectueel eigendomsrecht. Het advies van de balie Brussel tot slot luidt gunstig en acht de kandidaat bijzonder geschikt voor het vacante ambt. Gelet op haar ervaring, haar juridisch-technische onderlegdheid en haar sociale vaardigheden waarbij ze nauw en op een deontologisch correcte wijze met de mensen in contact kan staan, haar brede interesse, gevarieerde professionele achtergrond en grondige tweetaligheid komt de kandidaat, zo stelt het advies, bijzonder in aanmerking voor het ambt van raadsheer in het hof van beroep van Brussel. Tijdens de hoorzitting maakt [de kandidaat] een zelfzekere indruk, maar neemt ze tevens een defensieve houding aan en getuigt zij in het bijzonder weinig van zelfreflectie. De kandidaat geeft vooreerst duiding bij haar ruime beroepsloopbaan en licht vervolgens haar motivatie voor het geambieerde ambt toe. De eerste beweegreden voor haar kandidatuurstelling is om de opgelopen beroepstermijn bij het hof van beroep van Brussel in ondernemingszaken terug te brengen en weg te werken zodat de rechtzoekende terug vertrouwen vindt in dit Brusselse rechtscollege. Het verlangen om collegiaal te zetelen haalt zij als tweede beweegreden aan. Zij benadrukt dat het een welbewuste keuze is om enkel voor een tweetalige plaats bij het hof van beroep te kandideren. De kandidaat gaat in op het ongunstige IX-10.031-8/29 advies van de algemene vergadering van het hof van beroep van Brussel, dat zowel ten aanzien van de juridisch-technische onderlegdheid van de kandidaat als haar persoonlijkheid zeer kritisch is. Zij verwijst hiervoor naar haar schriftelijke opmerkingen die ze n.a.v. dit advies heeft overgemaakt. De wnd. voorzitter stelt evenwel met betrekking tot deze schriftelijke repliek vast dat deze niet in het dossier zit dat aan de leden van de commissie ter beschikking werd gesteld. De kandidaat krijgt hierop de gelegenheid om haar tot de minister van justitie gerichte opmerkingen toe te lichten en zij doet dat ook uitvoerig. Zij betreurt vooreerst dat de objectiveringscommissie geen rekening heeft willen houden met de opmerkingen die zij n.a.v. van haar kandidaatstelling voor de openstaande plaats van 16 oktober 2020 aan de minister van Justitie heeft overgemaakt. De discrepantie tussen het ongunstig advies van de algemene vergadering van het hof van beroep en de overige gunstige adviezen wijt ze onder meer aan de ‘poortwachtersfunctie’ die ze in de ondernemingsrechtbank uitoefent. Zij werkt in dossiers waarvan de (financiële) inzet zeer hoog is wat betekent dat als deze in eerste aanleg zeer goed worden behandeld er geen beroep wordt aangetekend, aldus de kandidaat. Zij verwijst hiervoor ook naar de discrepantie tussen enerzijds de 120 miljoen euro als totaliteit aan vorderingen die zij beslecht binnen haar opdracht in de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel en anderzijds de slechts 310.000 euro aan vorderingen die zij, onder de vorm van arresten die haar eerstelijnsbeslissingen hervormen, ontvangt van het hof van beroep. Voorts stelt de kandidaat dat slechts in een zeer beperkte mate hoger beroep wordt ingesteld tegen door haar kamer gewezen uitspraken. Met betrekking tot de kritiek dat de rechtspraak van het hof niet zou worden geïmplementeerd houdt zij voor dat ze de rechtspraak van het Brusselse hof van beroep nu uitdrukkelijk citeert in haar vonnissen. Zij werkt daarnaast aan de leesbaarheid van haar vonnissen. Zij betreurt dan ook dat de objectiveringscommissie geen nieuwe vonnissen heeft willen opvragen. Bevraagd naar de in het advies geopperde gebrek aan collegialiteit, verwijst de kandidaat naar de bevragingstechniek van de ‘360° feedback’ die sinds kort opnieuw op de ondernemingsrechtbank voor evaluaties wordt gebruikt. Het voordeel van deze techniek bestaat er in dat de geëvalueerde zijn werkpunten kent. De kandidaat stelt dat het advies zich louter heeft beperkt tot een zeer algemene bemerking over een collegialiteitsprobleem, die enkel op anonieme getuigenissen werd gebaseerd. Deze algemene bemerking werd door de objectiveringscommissie, volgens haar, ook tijdens het gesprek niet concreter gemaakt. De kandidaat stelt vervolgens dat de objectiveringscommissie heel erg de nadruk heeft gelegd op het feit dat er voor haar geen plaats is in de kamer van het hof van beroep van Brussel die zich bezig houdt met de intellectuele rechten en dat zij de indruk heeft dat de objectiveringscommissie IX-10.031-9/29 het niet erg geloofwaardig vindt dat zij ook kan functioneren op de KI of in een burgerlijke of strafkamer. De kandidaat is er van overtuigd dat zij zich wel degelijk kan omscholen en verwijst hiervoor naar haar overstap van het parket naar de zetelende magistratuur. Tot slot stelt de kandidaat dat, ondanks het ongunstige advies van de algemene vergadering, zij erin gelooft dat zij bij toekomstige collega’s een andere indruk kan geven dan deze die van haar neergeschreven werd in het advies van de objectiveringscommissie. Als lid van de algemene vergadering zou zij immers ook niet kritisch naar het advies van de objectiveringscommissie hebben gekeken, en de voorbije tien jaar zijn slechts twee collega’s waarmee zij in de ondernemingsrechtbank heeft samen gewerkt, binnen het hof van beroep van Brussel benoemd. Hoewel de commissie aandacht heeft voor de gediversifieerde ervaring van de kandidaat, waaronder haar ruime ervaring als parketmagistraat en eerstelijnsrechter, haar kennis van en ervaring in uiteenlopende materies, haar ervaring met collegiaal zetelen, haar aanpassingsvermogen, haar vormingsbereidheid, haar wettelijke tweetaligheid en haar gemotiveerdheid, stelt ze vast dat het advies van de algemene vergadering van het hof van beroep van Brussel ten aanzien van Rudy Goris, zowel inhoudelijk als wat de eindbeoordeling betreft, gunstig luidt terwijl de kandidaat zelf een ongunstig advies krijgt. In dit ongunstige advies worden niet alleen de kwaliteit van de vonnissen en de juridische kennis van de kandidaat maar ook haar collegialiteit sterk in vraag gesteld, terwijl dit niet het geval is bij Rudy Goris. Ten slotte slaagt de kandidaat er niet in om de opmerkingen van de algemene vergadering van het hof van beroep afdoende te weerleggen. De repliek van de kandidaat op het advies van de algemene vergadering is weinig overtuigend, niet altijd relevant en haar motivatie voor het beoogde ambt bevat tegenstrijdigheden. Uit wat voorafgaat blijkt dat Rudi Goris de meest bekwame en geschikte kandidaat is voor deze vacante plaats.’ Overwegende dat uit wat voorafgaat tevens blijkt, dat betrokkene aan alle wettelijke benoemings- en taalvoorwaarden voldoet; Overwegende dat de Nederlandstalige Benoemings- en Aanwijzingscommissie de lijst met de voorgedragen kandidaat en de niet- voorgedragen kandidaat en het proces-verbaal van de voordracht aan de Minister van Justitie heeft meegedeeld, tegen gedagtekend ontvangstbewijs, op 14 december 2021; Overwegende dat de voordracht van deze commissie uitdrukkelijk en afdoende gemotiveerd is; Overwegende dat op grond van bovenstaande motivering, tot benoeming van de voorgedragen kandidaat dient te worden overgegaan.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep IX-10.031-10/29 Exceptie
  15. De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid wegens gebrek aan het rechtens vereiste belang op. De verwerende partij legt uit dat er voor dezelfde functie van raadsheer in het hof van beroep te Brussel drie vacante betrekkingen waren, twee belangstellenden zich hiervoor kandidaat stelden en slechts één van deze betrekkingen werd ingevuld door de benoeming van de tussenkomende partij met het bestreden besluit. Verzoekster en de tussenkomende partij waren niet in concurrentie met elkaar. Zij konden in principe beiden worden voorgedragen en benoemd. Verzoekster werd evenwel niet voorgedragen door de BAC, zodat zij niet werd benoemd. Het bestreden besluit staat hier los van. Verzoekster heeft bijgevolg geen belang bij haar beroep. De beoogde vernietiging van het bestreden besluit leidt immers niet tot de voordracht of benoeming van verzoekster. Bovendien beslist de verwerende partij enkel over de benoeming van de door de BAC voorgedragen kandidaten. De Koning dient een beslissing te nemen over de voordracht en mag deze weigeren. Wanneer hij de voordracht weigert, dient er een nieuwe voordracht te worden gedaan. De Koning neemt aldus geen beslissing over de niet-voorgedragen kandidaten. Het bestreden besluit betreft dus geen beslissing tot niet-benoeming van de niet-voorgedragen kandidaat. De verwerende partij wijst er nog op dat verzoekster naar aanleiding van haar nieuwe kandidaatstelling voor de in totaal drie, op 17 december 2021 gepubliceerde, vacante betrekkingen van dezelfde functie van raadsheer bij het hof van beroep te Brussel alsnog benoemd kan worden in diezelfde functie als die waarin de tussenkomende partij werd benoemd.
  16. Ook de tussenkomende partij betwist, grotendeels om dezelfde redenen, het belang van verzoekster. Bijkomend wijst zij erop dat in de IX-10.031-11/29 veronderstelling dat zij evenmin voorgedragen zou zijn en bijgevolg niemand benoemd zou zijn, de situatie van verzoekster niet anders was. Verzoekster zou dan evengoed twee keer niet voorgedragen zijn. Met andere woorden: een al dan niet benoeming van de tussenkomende partij verandert niets aan de situatie van verzoekster. Niet het koninklijk besluit tot benoeming van de tussenkomende partij berokkent verzoekster een persoonlijk, rechtstreeks, zeker en actueel nadeel, maar eventueel wel de beslissing tot niet-voordracht door de BAC. Verzoekster heeft enkel een beroep tot nietigverklaring ingesteld tegen het benoemingsbesluit en niet tegelijk ook tegen de beslissing tot niet-voordracht door de BAC, waardoor deze niet-voordrachtbeslissing definitief is. De nietigverklaring van het koninklijk besluit tot benoeming van de tussenkomende partij verandert de situatie van verzoekster niet. Verzoekster blijft in dat geval niet voorgedragen voor de tweede vacante betrekking. Zo verzoekster al belang zou hebben bij de nietigverklaring van de benoeming van de tussenkomende partij, verviel dit belang op het moment dat zij opnieuw postuleerde voor dezelfde vacante betrekkingen na de bekendmaking ervan op 17 december
  17. In haar laatste memorie wijst de tussenkomende partij erop dat lopende deze procedure nog zeven andere plaatsen van raadsheer in het hof van beroep te Brussel vacant zijn verklaard. Gelet op het nog vier maal niet voorgedragen zijn sinds de benoemingsprocedure waarin de tussenkomende partij werd benoemd en het thans nog kandidaat zijn in een lopende procedure voor een zelfde betrekking, kan worden gesteld dat verzoekster geen actueel belang meer heeft bij de vernietiging van de benoeming van de tussenkomende partij. Het steeds opnieuw niet voorgedragen worden toont aan dat het niet voordragen van verzoekster in de benoemingsprocedure die leidde tot de bestreden beslissing geen enkel verband heeft met de benoeming van de tussenkomende partij. Beoordeling IX-10.031-12/29
  18. Het voordeel dat verzoekster nastreeft bij de gevorderde nietigverklaring van de benoeming van de tussenkomende partij, bestaat erin dat zij een nieuwe kans verwerft op een benoeming. Verzoekster vordert niet de nietigverklaring van de impliciete weigering om haar te benoemen, noch de weigering om haar voor te dragen in de andere vacante plaatsen. Uit de motivering van het benoemingsbesluit dat zij wél bestrijdt, blijkt dat tot de benoeming van de tussenkomende partij is gekomen na een onderzoek van beider titels en verdiensten en een vergelijking en onderlinge afweging van hun aanspraken. Zo de benoeming van de tussenkomende partij uit het rechtsverkeer verdwijnt om reden dat verzoekster aantoont dat die vergelijking onregelmatig is, dan verwerft zij een nieuwe kans om, na een nieuw onderzoek van de dossiers waarbij de vastgestelde onregelmatigheid is hersteld, zelf benoemd te worden. Aangezien verzoekster op heden nog steeds niet is benoemd, is haar belang nog actueel. Een verzoekende partij kan redenen hebben om latere benoemingen waar zij naast grijpt niet aan te vechten, bijvoorbeeld omdat zij meent dat de vergelijking van de aanspraken van de kandidaten in die navolgende procedure wel correct is geschied en een beroep geen kans op slagen heeft. Noch de Raad, noch de andere partijen kunnen zich voor het maken van die inschatting in de plaats van de verzoekende partij stellen.
  19. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 10.
  20. In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van artikel 259ter, §§ 1, 2 en 4 GerW, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli IX-10.031-13/29 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van de materiëlemotiveringsplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het rechtszekerheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. De samenvatting van het middel luidt: “De bestreden beslissing schendt de voormelde bepalingen en beginselen, doordat zij zich baseert op een advies van de objectiveringscommissie dat op foutieve, minstens onvolledige informatie stoelt (eerste middelonderdeel) en doordat zij gestoeld is op een onvolledig benoemingsdossier (tweede middelonderdeel).” 10.
  21. Het advies van de objectiveringscommissie, zo stelt verzoekster in het eerste middelonderdeel, verwijst naar een openstaande Nederlandstalige plaats van raadsheer in het hof van beroep te Brussel, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 16 oktober
  22. Verzoekster heeft zich echter kandidaat gesteld voor drie openstaande Nederlandstalige plaatsen bij het hof van beroep te Brussel, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 28 mei
  23. Uit artikel 259ter, § 1, GerW leidt verzoekster af dat zulke schriftelijke adviezen verbonden moeten zijn met de vacature zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Het advies verwijst naar opmerkingen van drie (anonieme) raadsheren die stellen dat de kwaliteit van de vonnissen van verzoekster “eerder teleurstellend” is, dat verzoekster zich er gemakkelijk van af zou maken en dat zij oppervlakkig zou werken. Verzoekster wijst erop dat zij in 2021 tot op de datum van het advies achttien arresten heeft ontvangen waarin uitspraak werd gedaan over hoger beroep ingesteld tegen door haar gevelde vonnissen. Acht van deze arresten bevatten (gedeeltelijke) hervormingen. Van deze acht arresten hadden er drie betrekking op vonnissen van 2015, vier op vonnissen van 2016 en één op een vonnis uit
  24. De overige tien arresten bestonden uit een bevestiging van haar vonnissen, doorhaling van de hogere beroepen of afstand van geding. In het advies van de objectiveringscommissie werd aan drieëntwintig vonnissen getoetst, allemaal door verzoekster uitgesproken in november en december
  25. Het advies hield dus geen rekening met nadien geschreven vonnissen, zodat het advies niet actueel is. Het advies heeft genoegen genomen met het louter IX-10.031-14/29 verwijzen naar een vroeger advies dat betrekking had op een andere vacature zonder rekening te houden met vonnissen van verzoekster van na december
  26. De objectiveringscommissie stelt weliswaar dat verzoekster opnieuw werd gehoord op 28 september 2021, maar stelt vervolgens simpelweg zonder verdere duiding geen reden te zien om het verslag van het vorig onderhoud te wijzigen. Verzoekster wijst er ook op dat de anonieme verklaringen verkregen werden na een door de objectiveringscommissie georganiseerde schriftelijke rondvraag. De personen die deze verklaringen hebben afgelegd werden niet gehoord door de objectiveringscommissie. Verzoekster heeft bovendien aan de objectiveringscommissie gevraagd of bij de beoordeling van deze anonieme verklaringen rekening werd gehouden met het gegeven dat er tijdens de laatste tien jaar slechts twee collega’s uit de ondernemingsrechtbank Brussel in het hof werden benoemd, waarbij de samenwerking met hen beiden steeds zeer collegiaal is verlopen, waardoor de getuigenissen niet rechtstreeks verkregen kunnen zijn. De objectiveringscommissie heeft hier niet op geantwoord. Naar het oordeel van verzoekster had de objectiveringscommissie in overweging moeten nemen dat zij tot tweemaal toe met eenparigheid van stemmen door de algemene vergadering van de ondernemingsrechtbank waar zij zetelt als evaluator werd verkozen. Dit duidt erop dat zij zich collegiaal opstelt, in tegenstelling tot wat opgenomen werd in het advies van de objectiveringscommissie. Alzo is ook het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden, doordat 1) de BAC steunt op een advies dat verkeerde informatie bevatte en 2) de minister tot benoeming is overgegaan door voort te gaan op deze aanbeveling. Voorts acht zij de formele- en materiëlemotiveringsplicht geschonden aangezien de motieven die ertoe hebben geleid dat zij niet werd benoemd, niet afdoende blijken uit het bestreden besluit en bovendien niet in feite bestaan en niet in rechte aanvaardbaar zijn. Ook artikel 259ter GerW is geschonden doordat de voorgeschreven procedurele bepalingen niet nageleefd werden. De beslissing is IX-10.031-15/29 niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen en de rechtmatige verwachtingen van de rechtzoekende werden niet nageleefd. 10.
  27. In het tweede middelonderdeel verwijt verzoekster de verwerende partij te steunen op een onvolledig benoemingsdossier. Zij licht dit toe als volgt. Tijdens de hoorzitting van de BAC heeft verzoekster verwezen naar haar opmerkingen die zij had bezorgd aan de minister van Justitie overeenkomstig artikel 259ter, § 2, GerW. Daarop heeft de BAC aangegeven deze opmerkingen niet te hebben ontvangen. Ze maken aldus geen deel uit van het dossier, terwijl dat zou moeten. Verzoekster wijst erop het advies van de objectiveringscommissie op 14 oktober 2021 te hebben ontvangen en op 27 oktober 2021 – binnen de vooropgestelde termijn van vijftien dagen – haar opmerkingen te hebben meegedeeld aan de minister. Wanneer blijkt dat het benoemingsdossier zoals het voorlag bij de BAC op de hoorzitting onvolledig is, is de voordracht die daarop volgt en die gemaakt is op basis van een onvolledig benoemingsdossier ongeldig en onwettig. Deze ongeldigheid vindt zijn oorsprong in het miskennen van de wettelijke verplichtingen wat betreft de samenstelling van het benoemingsdossier. Verzoekster benadrukt dat de minister een volledig benoemingsdossier moet bezorgen aan de BAC. Het doel hiervan is dat de BAC over alle elementen zal beschikken om een correct te motiveren voordracht te doen. In geval van een normaal beslissingspatroon zal de benoemende overheid in eerste instantie overgaan tot nazicht van het benoemingsdossier, onder meer de volledigheid van dit dossier. Verzoekster diende erop te mogen vertrouwen dat gedurende de loop van de procedure alle wettelijke bepalingen en waarborgen strikt nageleefd zouden worden door zowel de minister als de BAC. IX-10.031-16/29
  28. In haar memorie van wederantwoord handhaaft verzoekster het middel, waarvan zij de toelichting resumeert.
  29. In haar laatste memorie benadrukt verzoekster dat er geenszins een buitensporig aantal van haar vonnissen aangevochten zou worden, of dat de kwaliteit van haar vonnissen buitensporig slecht zou zijn. Zij stipt andermaal aan dat het advies zich louter focust op 23 vonnissen die in november en december 2020 uitgesproken werden en op geen enkele actuelere zaak. In het licht van de structurele hervormingen van de redactie van haar recentere vonnissen is deze vaststelling des te pertinenter. Men heeft bij de benoeming echter een extrapolatie gemaakt van vonnissen die geenszins representatief zijn voor het actuele redactiemodel en toont hoe dan ook niet aan dat haar vonnissen in het algemeen buitenmatig slecht zouden zijn of dat tegen deze vonnissen buitenmatig veel hoger beroep zou ingesteld worden. Een en ander noemt verzoekster des te frappanter, nu het op louter anonieme getuigenissen steunt “na een beweerdelijk zeer beperkte en beweerdelijk schriftelijke rondvraag waarin niet eens alle Nederlandstalige raadsheren van het hof bevraagd zouden zijn, zonder dat deze vermeende getuigen zelfs maar gehoord werden”. Ten tweede betwist verzoekster dat zij “selectief” zou zijn met haar kritiek op de samenstelling van het benoemingsdossier. Het is hierbij niet relevant dat zij op de hoorzitting aan het woord kwam. Pertinent is immers, dat het benoemingsdossier zoals het voorlag op de dag van de hoorzitting onvolledig was. De daaropvolgende voordracht is dan ook gemaakt op basis van een onvolledig benoemingsdossier en dus onwettig. De mondelinge toelichting ter hoorzitting door verzoekster doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de voordracht gebeurd is op basis van een onvolledig benoemingsdossier. Beoordeling a. vooraf IX-10.031-17/29
  30. Het valt de Raad van State in het kader van het door hem uit te oefenen wettigheidstoezicht niet toe om zelf over te gaan tot een vergelijking van de aanspraken van de kandidaten en vervolgens die eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van het bestuur. De Raad van State moet wel, desgevraagd, nagaan of de benoemende overheid uitgegaan is van gegevens die in feite en in rechte juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de door haar vastgestelde criteria binnen de perken van de redelijkheid tot haar beslissing is gekomen. De Raad van State zal die waardering van de kandidaten voor onwettig houden indien er een zogenaamde kennelijke beoordelingsfout uit blijkt, omdat ze voorbijgaat aan voor eenieder zichtbare grotere aanspraken van de verzoekende partij. IX-10.031-18/29 b. eerste middelonderdeel
  31. De BAC komt tot de voordracht van de tussenkomende partij na een vergelijking van de titels en verdiensten van de beide kandidaten. Die vergelijking steunt, eensdeels, op het benoemingsdossier, waarvan de samenstelling door het Gerechtelijk Wetboek is voorgeschreven – inzonderheid de kandidatuurstelling en de vereiste adviezen – en, anderdeels, op de hoorzitting.
  32. Verzoekster verwart in haar stukken soms het verslag van de zogenaamde objectiveringscommissie met het advies van de algemene vergadering van het hof van beroep te Brussel. Het advies van de algemene vergadering van het hof van beroep te Brussel vermeldt in de hoofding een openstaande plaats van raadsheer “gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 16 oktober 2020”. Er kan, gelet op de tekst zelf van het advies, geen twijfel bestaan over het feit dat dit een verschrijving is. Het advies refereert immers meermaals naar het “vorige” advies met betrekking tot de openstaande plaats van 16 oktober 2020 en naar de nieuwe hoorzitting door de objectiveringscommissie op 28 september
  33. Er valt ook niet in te zien hoe deze verschrijving verzoekster kan hebben geschaad.
  34. De kritiek van verzoekster betreft voorts niet rechtstreeks het ongunstige advies van de algemene vergadering, maar wel twee aan dit advies onderliggende gegevens: eensdeels, de opmerkingen van de collegae en, anderdeels, het verslag van de objectiveringscommissie. Zowel de bevraagde collegae als de objectiveringscommissie zijn kritisch over de kwaliteit van de vonnissen van verzoekster en over haar collegialiteit. Verzoekster stelt dat zij in latere vonnissen rekening heeft gehouden met de kritiek en de stijl en de vorm ervan heeft aangepast. De objectiveringscommissie was van haar kant de mening toegedaan dat de affectatie van verzoekster niet is gewijzigd en dat er, verzoekster gehoord, geen reden was om het verslag aan te passen. Verzoekster heeft bij de hoorzitting op 28 IX-10.031-19/29 september 2021, zo is te lezen in het advies van de algemene vergadering, verklaard “zeer verwonderd” te zijn door de negatieve commentaren. Anders dan wat zij thans beweert, blijkt uit de stukken waarop de Raad acht kan slaan niet dat verzoekster de objectiveringscommissie heeft gesignaleerd dat zij de kritiek zeer ter harte nam en de stijl en vorm van haar vonnissen sedertdien heeft aangepast. In de stukken van het administratief dossier komt die verzuchting pas ter sprake in de brief van verzoekster aan de minister van 27 oktober 2021, dus nádat het advies van de algemene vergadering van het hof van beroep is verleend en dus ook na het advies van de objectiveringscommissie. Bovendien had de kritiek van de objectiveringscommissie niet enkel op de vorm, maar ook op de inhoud van de vonnissen betrekking. In die omstandigheden valt het de commissie niet kwalijk te nemen dat zij haar verslag ongewijzigd liet. De specifieke rubriek ‘collegae’ in het advies van de algemene vergadering bevat trouwens nog andere vaststellingen over de collegialiteit van verzoekster – of het gebrek eraan – waarover verzoekster in alle talen zwijgt in haar kritiek. Verzoekster toont aldus niet aan dat het advies van de algemene vergadering van het hof van beroep steunt op onjuiste gegevens of dat het niet verleend mocht worden aan de hand van de op dat ogenblik aan de algemene vergadering ter beschikking gestelde adviezen.
  35. Verzoekster gaat er ten slotte geheel aan voorbij dat dit advies op zijn beurt maar één element vormt in de motivering van de voordracht van de tussenkomende partij. De BAC erkent “de gediversifieerde ervaring van de kandidaat, waaronder haar ruime ervaring als parketmagistraat en eerstelijnsrechter, haar kennis van en ervaring in uiteenlopende materies, haar ervaring met collegiaal zetelen, haar aanpassingsvermogen, haar vormingsbereidheid, haar wettelijke tweetaligheid en haar gemotiveerdheid”. Daartegenover staat “dat het advies van de algemene vergadering van het hof van beroep van Brussel ten aanzien van Rudy Goris, zowel inhoudelijk als wat de IX-10.031-20/29 eindbeoordeling betreft, gunstig luidt terwijl de kandidaat zelf een ongunstig advies krijgt”: “In dit ongunstige advies worden niet alleen de kwaliteit van de vonnissen en de juridische kennis van de kandidaat maar ook haar collegialiteit sterk in vraag gesteld, terwijl dit niet het geval is bij Rudy Goris. Ten slotte slaagt de kandidaat er niet in om de opmerkingen van de algemene vergadering van het hof van beroep afdoende te weerleggen. De repliek van de kandidaat op het advies van de algemene vergadering is weinig overtuigend, niet altijd relevant en haar motivatie voor het beoogde ambt bevat tegenstrijdigheden.” De BAC heeft verzoekster gehoord en zij heeft zich ervan vergewist dat verzoekster niet, of niet overtuigend, de negatieve elementen nopens de kwaliteit van de vonnissen, de juridische kennis en de collegialiteit kon weerleggen. Bovendien kon haar motivatie de BAC evenmin overtuigen.
  36. Het eerste middelonderdeel is ongegrond. c. tweede middelonderdeel
  37. Artikel 259ter, § 2, vierde lid, GerW somt de stukken op waaruit het benoemingsdossier “uitsluitend” bestaat. Verzoekster beweert niet dat aan dit dossier een stuk ten onrechte is bijgevoegd. Zij hekelt dat er een stuk ontbrak, namelijk haar opmerkingen bij het advies van de algemene vergadering van het hof van beroep.
  38. Naar de letter genomen valt dit advies, immers vermeld in artikel 259ter, § 3, GerW, niet onder de “schriftelijke adviezen bedoeld in [artikel 259ter,] § 1”. Het advies wordt evenwel ook bij het benoemingsdossier gevoegd op grond van artikel 259ter, § 3, eerste lid, in fine, GerW. Het zou anders geen zin hebben. IX-10.031-21/29 Als de algemene vergadering van het hof van beroep een advies moet verlenen dat in het benoemingsdossier wordt gevoegd en de kandidaat vervolgens de kans wordt geboden om daar opmerkingen over te formuleren, dan mag het niet onzorgvuldig heten als de minister ook zonder daartoe wettelijk verplicht te zijn, die opmerkingen toevoegt aan het benoemingsdossier. Doet hij dit niet, dan is evenwel de wet niet geschonden – laat staan een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste.
  39. Volgens de verwerende partij was deze brief van verzoekster wel meegedeeld aan de BAC, maar is het stuk vervolgens niet aan de leden van de commissie bezorgd vóór de hoorzitting met verzoekster. Nog steeds volgens de verwerende partij zou dit naderhand wel aan de leden ter beschikking zijn gesteld. Wat daar ook van zij, feit is dat verzoekster haar brief ter sprake bracht op de hoorzitting en dat zij vervolgens de kans kreeg om haar opmerkingen aan de BAC toe te lichten, wat zij “uitvoerig” heeft kunnen doen. Die opmerkingen worden overigens in synthese overgenomen in het advies van de BAC, hetgeen aantoont dat ze zeer goed door de BAC zijn gehoord en mee in de overweging betrokken. In die omstandigheden ziet de Raad niet welk nadeel verzoekster heeft ondervonden van het feit dat haar brief niet, of slechts na de hoorzitting aan de leden van de BAC is bezorgd.
  40. Het middelonderdeel is onontvankelijk, bij gebrek aan belang. d. conclusie
  41. Het middel is deels onontvankelijk, deels ongegrond. Het wordt verworpen. B. Tweede middel IX-10.031-22/29 Uiteenzetting van het middel
  42. Verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van de artikelen 10, 11, 33 en 151, § 4, van de Grondwet, van de formelemotiveringsplicht en van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur inzonderheid de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van gelijke toegang tot het openbaar ambt en de verplichting om de titels en verdiensten van de kandidaten voor een openbaar ambt onderling te vergelijken”. Er blijkt niet dat de aanspraken en titels van de verschillende kandidaten daadwerkelijk en met de nodige zorgvuldigheid met elkaar vergeleken werden. Verzoekster herinnert aan de lovende adviezen die zij verkreeg van de korpschef en de balie. Zij overloopt de carrière van de tussenkomende partij en vergelijkt die met haar loopbaan. Hieruit blijkt volgens verzoekster dat zij meer ervaring kan optekenen, zowel qua duur als qua variatie, en een meer relevante specialisatie heeft voor het betrokken ambt. Uit de motivering van de voordracht blijkt dat het enige verschil tussen beide kandidaten gelegen is in het gegeven dat verzoekster een ongunstig advies heeft gekregen van de objectiveringscommissie. Maar dit advies is niet zorgvuldig tot stand gekomen om de redenen uiteengezet in het eerste middel. Verzoekster heeft ook meer ervaring met collegiaal overleg. Verzoekster besluit: “Een en ander maakt bijgevolg duidelijk, dat de bestreden beslissing niet het gevolg was van een zorgvuldige en daadwerkelijke vergelijking van titels en verdiensten, zodat art. 151, § 4 Grondwet geschonden werd. Ook art. 33 Gw. is geschonden, doordat de overheid gezien haar onzorgvuldige vergelijking niet het algemeen belang vooropgesteld heeft. Doordat verzoekende partij niet op gelijke wijze behandeld werd en er geen IX-10.031-23/29 objectieve verantwoording voor het verschil in behandeling voorligt, werd het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel geschonden, evenals het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. De beginselen van gelijke toegang tot het openbaar ambt en van de rechtsplicht om titels en verdiensten zorgvuldig te vergelijken, die ook in de voornoemde grondwetsartikels vervat zitten, werden tevens geschonden. De beslissing is op deze wijze ook niet afdoende of draagkrachtig gemotiveerd, niet zorgvuldig tot stand gekomen en genomen buiten de grenzen van het redelijk overheidshandelen. Een zorgvuldig handelende overheid zou immers in redelijkheid niet tot de bestreden beslissing gekomen zijn. Ook de formele en materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel werden aldus geschonden.”
  43. In haar laatste memorie stelt verzoekster dat nergens uit blijkt waarom precies het advies van de algemene vergadering hét doorslaggevende element moest zijn, dat de andere gunstige adviezen “overrulede”. Dit klemt des te meer, nu het enige verschil tussen beide kandidaten gelegen is in het gegeven dat verzoekster een ongunstig advies had gekregen van de algemene vergadering van het hof van beroep, waaromtrent zij de kritiek herhaalt die zij in het eerste middel al ontwikkelde. Beoordeling
  44. Het benoemingsbesluit is aangehaald hiervóór. Er kan bezwaarlijk worden beweerd dat het niet formeel is gemotiveerd. Voor zover het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht. Overigens heeft verzoekster de motieven goed gelezen, want zij onderwerpt ze onder aanvoering van de materiëlemotiveringsplicht ook aan kritiek.
  45. Verzoekster zet niet concreet uiteen hoe artikel 151, § 4, van de Grondwet is geschonden. In die mate is het middel niet ontvankelijk. In de mate waarin verzoekster dit artikel in verband brengt met de eis tot “daadwerkelijke afweging” van de aanspraken van de kandidaten, voegt het niets toe aan de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van de gelijke toegang tot het openbaar ambt dat daarvan een vertaling is. Ook “de verplichting IX-10.031-24/29 om de titels en verdiensten van de kandidaten voor een openbaar ambt onderling te vergelijken” is slechts een ander jasje voor dezelfde op de benoemende overheid rustende verplichting.
  46. Verzoekster poneert de schending van het redelijkheidsbeginsel, zonder dit concreet toe te lichten. Het aanvoeren ervan samen met de schending van de materiëlemotiveringsplicht in één en hetzelfde middel en met één en dezelfde toelichting loopt ook mank, aangezien er maar sprake is van een onredelijke beslissing in de veronderstelling dat de beslissing op deugdelijke grondslagen berust – wat verzoekster in het tweede middel nu precies betwist. Ook in die mate is het middel onontvankelijk.
  47. Hiervóór is bij de beoordeling van het eerste middel de kritiek van verzoekster op het advies van de algemene vergadering van het hof van beroep afgewezen. Voor zover het tweede middel voortbouwt op de premisse dat dit advies niet deugt, kan het middel niet slagen.
  48. Bij de beoordeling van het eerste middel is ook al opgemerkt dat verzoekster zich vergist, als zij beweert dat de vergelijking van titels en verdiensten uitsluitend steunt op het advies van de objectiveringsscommissie. Gewezen is op het gegeven dat de algemene vergadering ook andere elementen in haar advies betrok en dat de benoemingscommissie daarenboven mede steunt op de hoorzitting. Ook in de mate waarin het middel ervan uitgaat dat het advies van de objectiveringscommissie het enige punt van onderscheid is tussen de beide kandidaten, faalt het middel. IX-10.031-25/29
  49. Verzoekster wijst op verschilpunten tussen de loopbaan van de beide kandidaten. Dit betoog vermag niet aan te tonen dat zij over kennelijk grotere aanspraken beschikt. Er mag nogmaals op worden gewezen dat de verdiensten die verzoekster op velerlei gebied kan voorleggen geenszins door de BAC zijn ontkend. De BAC ziet evenwel ook bij de tussenkomende partij de nodige ervaring, juridische kennis en professionele en gedragsvaardigheden voor het ambt. De BAC ziet dan een verschil tussen beiden wat de kwaliteit van de vonnissen betreft, de juridische kennis, de collegialiteit en de motivatie, die haar voorkeur finaal doet uitgaan naar de tussenkomende partij. Verzoekster mag er zelf anders over denken, maar zij toont niet aan dat dit oordeel steunt op onjuiste gegevens of dat het de beoordelingsvrijheid van de BAC te buiten gaat en dat de BAC alzo een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt.
  50. Het tweede middel, voor zover ontvankelijk, is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  51. Verzoekster voert in een derde middel de schending aan van de formelemotiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de hoorplicht. Verzoekster stelt dat zij aan de verwerende partij uitdrukkelijk de gebreken in de procedure heeft gemeld en heeft gevraagd hierover gehoord te worden. Zij heeft op haar vraag evenwel geen antwoord gekregen. Zij licht meer in het bijzonder toe dat volgens haar de hoorplicht in de volgende gevallen geschonden werd: 1) Verzoekster heeft gepostuleerd voor een vacature die betrekking heeft op drie openstaande Nederlandstalige plaatsen bij het hof van beroep te Brussel. De BAC heeft haar echter slechts gehoord voor twee openstaande plaatsen. Volgens haar IX-10.031-26/29 werd enkel een voordracht voor die twee plaatsen gedaan en werd voorbijgegaan aan de derde openstaande plaats. Verzoekster meent dat zij, naast de wettelijke plicht zoals opgenomen in artikel 259ter GerW, het recht heeft om gehoord te worden wanneer zij regelmatig heeft gepostuleerd voor een openstaande plaats. 2) In navolging van de onregelmatigheden die zich hebben voorgedaan bij de samenstelling van het benoemingsdossier, heeft verzoekster de minister meermaals aangeschreven met de vraag om verheldering en uitleg. De minister heeft niet geantwoord. Naast de onvolledigheid van het benoemingsdossier en de vragen en bekommernissen inzake het advies van de objectiveringscommissie dat betrekking had op een voorgaande reeds afgesloten procedure, werd de minister door verzoekster ook op de hoogte gesteld van het gegeven dat er onduidelijkheid bestaat omtrent de derde plaats bij het hof van beroep te Brussel. De minister heeft nagelaten hierop te antwoorden of verzoekster uit te nodigen om haar hierover te horen. Verzoekster is dan ook van oordeel dat de hoorplicht geschonden werd doordat verzoekster niet door de minister werd uitgenodigd om gehoord te worden op het moment dat de minister op de hoogte werd gesteld van de onregelmatigheden van het benoemingsdossier. Door deze gebreken inzake de hoorplicht steunt de beslissing ook niet op afdoende en draagkrachtige motieven, is ze niet zorgvuldig tot stand gekomen en niet genomen binnen de grenzen van de redelijkheid.
  52. Voor zover de verwerende partij opwerpt dat de hoorplicht niet van toepassing is op benoemingen, wervingsbeslissingen of bevorderingen, merkt verzoekster in de memorie van wederantwoord op dat huidige zaak niet louter de weigering van het “voordeel” van een benoeming bij een hoger rechtscollege betreft. De kern van de zaak is dat zij tijdig onregelmatigheden gesignaleerd had, maar dat er met haar opmerkingen verder niets gedaan werd. Er is volgens verzoekster geen sprake van een “louter” benoemingsdossier, maar van pertinente opmerkingen door een kandidate, die tijdig en uitdrukkelijk opgemerkt had dat er IX-10.031-27/29 manifeste fouten en onregelmatigheden waren dewelke tot een voor haar ongunstig oordeel konden leiden. De hoorplicht was naar het oordeel van verzoekster aldus wel van toepassing. Beoordeling
  53. Anders dan verzoekster het ziet, is de hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op beslissingen over benoemingen en bevorderingen. Voor zover het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.
  54. Wanneer verzoekster in de voorliggende voordracht- en benoemingsprocedure de mogelijkheid moest krijgen om haar standpunt ter kennis te brengen, dan is dat uitsluitend omdat de wetgever met een normatieve verplichting in een bijzonder voorschrift daartoe heeft voorzien. De schending van die normatieve verplichting dan weer, wordt door verzoekster in het middel niet aangevoerd.
  55. De schending van andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur en van de formelemotiveringswet wordt in het middel wel aangevoerd, maar geenszins toegelicht. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  56. Gelet op wat voorafgaat geheel ten overvloede, mag nog worden opgemerkt dat de kritiek die verzoekster formuleert over de ándere openstaande plaatsen – zelfs al ware ze gegrond – niet de onwettigheid kan aantonen van de thans bestreden beslissing. Ook om die reden is het middel in zoverre onontvankelijk.
  57. Het derde middel wordt verworpen. IX-10.031-28/29 BESLISSING
  58. De Raad van State verwerpt het beroep.
  59. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
  60. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijf december tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-10.031-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.127 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.