← België

Arrest 258193 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 12/12/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.193 Rolnummer: A. 240630/IX-10385 Zaak: Arrest 258193 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 12/12/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-12-12 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-10 17:40 Fiche Arrest nr 258.193 van 12 december 2023 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 258.193 van 12 december 2023 in de zaak A. 240.630/IX-10.385 In zake: Olivier VOGELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Malumgré kantoor houdend te 3980 Tessenderlo Lichtveld 55A2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Defensie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 29 november 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de directeur-generaal Human Resources van 14 november 2023 waarbij de deelname van Olivier Vogels aan de vorming VKHO, sessie 2023-2024, wordt stopgezet. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 december 2023, om 10.30 uur. IX-10.385-1/7 Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaat Pascal Malumgré, die verschijnt voor de verzoekende partij en luitenant Marie-Sofie Thiriaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is beroepsofficier bij de marine, bekleed met de graad van luitenant-ter-zee eerste klasse en ingeschreven in de vakrichting ‘Supply chain en mobiliteit’. 3.
  5. Verzoeker neemt deel aan de vorming Kandidaat Hoofdofficier (hierna: VKHO) 2015-
  6. Hij slaagt niet voor het onderdeel ‘Management en Leadership’. Op 16 september 2016 beslist de deliberatiecommissie dat verzoeker “definitief mislukt” is in zijn vervolmakingscursus. Verzoeker maakt geen gebruik van de beroepsmogelijkheid om deze beslissing aan te vechten. 3.
  7. Op 26 oktober 2022 verspreidt de divisie Beheer van de algemene directie Human Resources een nota ‘Aanpassing van de voortgezette IX-10.385-2/7 vorming voor officieren van het actief kader’ via het platform News@Defence. Deze aanpassing beoogt een verhoogde flexibiliteit voor de kandidaten hoofdofficieren door hen in staat te stellen te bepalen wanneer zij deze vorming wensen af te leggen. Als overgangsmaatregel wordt besloten de personen die eerder verzaakt hadden aan de vorming, opnieuw in de lijst van mogelijke deelnemers op te nemen. 3.
  8. Op 28 november 2022 verspreidt de divisie Beheer een nota met instructies die betrekking hebben op de deelname aan de VKHO 2023-
  9. Verzoeker schrijft zich in voor deze vormingscyclus. Op 31 januari 2023 wordt zijn inschrijving bevestigd. Op 25 april 2023 verspreidt de divisie Beheer een lijst met de officieren voor deelname aan de VKHO 2023-
  10. Verzoeker staat hierop vermeld. 3.
  11. Een drietal maanden na de start van de opleiding ontvangt verzoeker op 17 november 2023 een nota van de directeur-generaal Human Resources, waarbij zijn deelname aan de VKHO 2023-2024 stopgezet wordt. Het gaat om de bestreden beslissing, die als volgt is gemotiveerd: “
  12. Motivering in feite: a. U was niet geslaagd in uw tweede poging van het domein ‘Management & Leadership’ van de vorming VKHO 2015-
  13. b. De deliberatiecomrnissle van 16 Sep 2016 heeft beslist dat u definitief mislukt was in de professionele proeven voor de benoeming tot de graad van korvetkapitein. U hebt geen beroep tegen deze beslissing van de deliberatiecommissie ingediend binnen de voorziene termijnen. c. Ingevolge een gewijzigde wetgeving omtrent de voortgezette vorming voor Offr, meerbepaald met betrekking tot Offr die eerder verzaakt hebben aan de VKHO, werd een aangepaste rapportering gebruikt. Door de twee voorgaande feiten verscheen u onterecht op de lijst met officieren in de voorwaarden voor deelname aan de VKHO. d. Naar aanleiding van een routinematige beheersactie werd uw onterechte aanvaarding voor de VKHO gedetecteerd. IX-10.385-3/7 e. De definitieve mislukking kwam niet voor in HRM@Defence en was niet gedetecteerd tijdens de voorafgaande controle aan de vorming. Andere kandidaten waren in hetzelfde geval maar hebben contact genomen met HRB-Car/Offr om hun mislukkingen te laten kennen. f. Uw situatie werd vastgesteld door HRB-Eval na een controle van hun eigen archieven. g. Uw deelname aan de VKHO is niet langer geldig gezien de mislukking tijdens de sessie VKHO 2015-2016 na de beslissing van de deliberatiecommissie.
  14. Motivering in rechte: a. Aangezien de vorming voor kandidaat hoofdofficier (VKHO) één van de vervolmakingscursussen is die deel uitmaken van de voortgezette vorming van de beroepsofficieren van niveau A (Ref 2, Art 2, 2°). b. Aangezien Ref 2, Art 26/1, bepaalt dat wanneer de stagiair niet aan de in artikel 26 bedoelde criteria tot slagen in de VKHO heeft voldaan, zijn beoordelingen worden voorgelegd aan de deliberatiecommissie van de voortgezette vorming voor officieren bedoeld in artikel 72, § 1 van Ref 2, die één van de beslissingen neemt bedoeld in artikel 113/1 van Ref
  15. c. Aangezien één van deze beslissingen de definitieve mislukking is in zijn vervolmakingscursus (Ref 1, Art 113/1, tweede lid, 4°), waardoor de betrokken officier bijgevolg niet opnieuw kan deelnemen aan deze vervolmakingscursus. d. Aangezien u voor de deliberatiecommissie van de voortgezette vorming verschenen bent, die op 16 Sep 2016 beslist heeft dat u definitief mislukt bent in de VKHO. e. Aangezien tegen deze beslissing beroep kan worden ingediend bij de beroepsinstantie ten laatste op de tiende werkdag die volgt op de dag waarop de beslissing in eerste aanleg werd betekend (Ref 1, Art 178/2, eerste lid, 5° en derde lid). f. Aangezien het KB in Ref 3 een aantal wijzigingen heeft aangebracht in het KB in Ref 2 op het vlak van de vervolmakingscursussen. g. Aangezien Art 30 van Ref 3 een aantal overgangsbepalingen voorziet, waarbij de paragrafen 1 en 2 van Art 30 bepalen dat de officier die, overeenkomstig de bepalingen die toepasselijk waren de dag vóór de inwerkingtreding van het besluit in Ref 3, verzaakt of definitief verzaakt heeft, die een uitstel heeft bekomen of die een vervolmakingscursus niet heeft kunnen aanvatten of deze heeft moeten onderbreken, een vervolmakingscursus kan volgen of verder zetten overeenkomstig de bepalingen van toepassing na de inwerkingtreding van het besluit in Ref
  16. h. Aangezien de officier die definitief mislukt was in een vervolmakingscursus dus niet geviseerd is in deze overgangsbepalingen. i. Is er bijgevolg geen wettelijke basis om u opnieuw te laten deelnemen aan de VKHO.
  17. Op basis van bovenstaande motivering in rechte en in feite besluit DG HR dat u onterecht verschenen bent op de lijst van de Offr in de voorwaarden voor deelname aan de VKHO en bijgevolg onterecht aanvaard werd voor deelname aan de vorming. Op basis van deze IX-10.385-4/7 motivering dient DG HR u met onmiddellijke ingang de hoedanigheid van stagiair te ontnemen.” IV. Ontvankelijkheid van de vordering Exceptie
  18. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering. De bestreden beslissing stelt een einde aan een onwettige situatie die zich wegens een materiële vergissing voorgedaan heeft. Binnen de toepasselijke regelgeving beschikt zij over geen enkele beoordelingsvrijheid met betrekking tot de rechtssituatie van verzoeker, die op 16 september 2016 nu eenmaal “definitief mislukt” is verklaard door de deliberatiecommissie. Verzoeker heeft geen belang bij huidige vordering, gelet op de onmogelijkheid om een beslissing in zijn voordeel te verkrijgen. Beoordeling
  19. Overeenkomstig artikel 113/1 van de wet van 28 februari 2007 ‘tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de krijgsmacht’ doet de deliberatiecommissie voor de voortgezette vorming uitspraak over de militair in vorming die niet heeft voldaan aan de criteria om te slagen voor één van de voortgezette vormingen. Steeds volgens ditzelfde artikel kan de deliberatiecommissie één of meerdere van de volgende beslissingen nemen: “1° de betrokken militair is geheel of gedeeltelijk geslaagd en mag, in voorkomend geval, zijn vorming verderzetten; 2° de betrokken militair kan een herkansing krijgen; 3° de betrokken militair kan een uitstel krijgen; 4° de betrokken militair is definitief mislukt in […] zijn vervolmakingscursus.”
  20. Verzoeker betwist op het eerste gezicht in geen van zijn middelen het gegeven dat hij op 16 september 2016 door de deliberatiecommissie IX-10.385-5/7 ‘definitief mislukt’ is verklaard noch dat hij toentertijd die beslissing niet heeft aangevochten, zodat ze definitief en onaantastbaar is geworden. Hij betwist voorts nergens, zo lijkt, dat dit “definitief mislukt” zijn, in tegenstelling tot de “herkansing” of het “uitstel” als bedoeld in artikel 113/1, 2° en 3°, van de wet van 28 februari 2007, betekent dat de met die vermelding getroffen militair uitgesloten is van deelname aan dezelfde vorming op een later ogenblik. Hij weerspreekt met andere woorden niet, dat zijn opname op de lijst van kandidaten een vergissing is geweest, in strijd met de geldende regelgeving. Wat hij in zijn middelen wel aanvoert, is een schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals het vertrouwensbeginsel, het redelijkheidsbeginsel of de zorgvuldigheidsplicht en van de formelemotiveringsplicht. Ook voert hij aan dat niet de DGHR, maar wel de deliberatiecommissie te oordelen had over zijn vorming, nu hij eenmaal was toegelaten. Welnu, op het eerste gezicht moeten algemene beginselen van behoorlijk bestuur wijken voor de wet. Verzoeker betwist niet het determinerende motief van de bestreden beslissing, namelijk dat er op grond van de toepasselijke regelgeving geen rechtsgrond voorhanden is om hem toe te laten tot de vorming. Hij betwist evenmin die regelgeving. Na een eventuele schorsing op grond van één van de aangevoerde middelen kan de verwerende partij op het eerste gezicht dan ook niet anders dan andermaal vaststellen dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden om de vorming te mogen volgen. Voorts lijkt deelname aan de vorming verzoeker niet te kunnen brengen tot waar het hem finaal met deze vordering om te doen is, namelijk de door hem begeerde promotie, aangezien de deliberatiecommissie hoe dan ook zal moeten vaststellen, zo lijkt, dat zij verzoeker in 2016 al ‘definitief mislukt’ heeft verklaard en daarop niet mag terugkomen door hem alsnog ‘geslaagd’ te verklaren als bedoeld in artikel 113/1, 1°, van de wet van 28 februari
  21. IX-10.385-6/7
  22. Verzoeker heeft prima facie geen belang bij zijn vordering. De exceptie heeft in de huidige stand van de rechtspleging de vereiste ernst, opdat ze moet worden aangenomen.
  23. Wat voorafgaat leidt tot de conclusie dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet kan worden toegewezen. BESLISSING
  24. De Raad van State verwerpt de vordering.
  25. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf december tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-10.385-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.193 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.