id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.199 Rolnummer: A. 240199/X-18485 Zaak: Arrest 258199 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 12/12/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-12-13 Raadplegingen: 199 - laatst gezien 2026-06-19 03:36 Fiche Arrest nr 258.199 van 12 december 2023 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Oplegging dwangsom Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 258.199 van 12 december 2023 in de zaak A. 240.199/X-18.485 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 5 december 2023, strekt tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van het evaluatiecomité van de gemeente XXXX van 28 maart 2023 om XXXX, algemeen directeur, het evaluatieresultaat ‘Ongunstig, onvoldoende’ te geven. Tevens wordt gevraagd (nog andere) voorlopige maatregelen op te leggen, onder verbeurte van een dwangsom van 100.000 euro. X-18.458-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 december 2023, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaten Charlotte Mestdagh en Laura Cuppers, die loco advocaat Gitte Laenen verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Juridisch kader en feiten 3.
- Verzoeker is sinds 1989 in dienst van de verwerende partij, sinds 1 februari 2009 eerst als gemeentesecretaris en vervolgens als algemeen directeur. Eind 2022 wil de verwerende partij overgaan tot een evaluatie van de decretale graden. De evaluatie gebeurt door een evaluatiecomité, bestaande uit het college van burgemeester en schepenen en de voorzitter van de gemeenteraad. De evaluatie vindt plaats op basis van een voorbereidend rapport, opgesteld door een externe deskundige in het personeelsbeleid. Op 19 december 2022 beslist het college van burgemeester om deze opdracht te gunnen aan Key-consult. X-18.458-2/16 Op 30 januari 2023 keurt het evaluatiecomité de evaluatiecriteria van de algemeen directeur, opgesteld op grond van de belangrijkste elementen in de betrokken functiebeschrijving, goed. In de evaluatiecriteria is onder meer sprake van functiespecifieke competenties als “Beschikken over (team)leiderschap”, “Communicatieve vaardigheden, tact en discretie” en “(Zowel autonoom als) in teamverband kunnen functioneren: Samenwerken”. Het 16 maart 2023 gedateerde voorbereidend rapport voor de evaluatie van verzoeker, over de periode van 1 januari 2021 tot 31 december 2022, beoogt “een genuanceerde input te geven over de realisatie van de evaluatiecriteria”. De input is het resultaat van een onlinebevraging van verzoeker zelf, negen leden van het beleid en twaalf leden van de organisatie, en van interviews met zeven personen, onder wie verzoeker zelf. Er blijkt uit dat de “beleving van de wijze waarop XXXX zijn functie vervult […] eerder erg beladen en spanningsvol [is]”, dat hij een “vernederende communicatiestijl” heeft en een “eerder directieve en solistische leiderschapsstijl”, dat hij niet het vermogen toont “om federerend en verbindend te (samen)werken” en zich zowel van het beleid als zijn eigen mensen distantieert. Geconcludeerd wordt dat hij “op dit moment niet het vermogen [toont] om een moderne, dynamische, participatieve en enthousiasmerende leiderschapsstijl neer te zetten. Hij is het contact met zijn omgeving verloren en vaart een vrijwel geheel eigen eenzame koers.” Verzoeker maakt geen gebruik van de mogelijkheid om door het evaluatiecomité gehoord te worden. Het evaluatiecomité beslist op 28 maart 2023, “[o]p basis van het voorbereidend rapport en de toelichting ervan”, om verzoeker het evaluatieresultaat te geven: “Ongunstig, onvoldoende”. Beslist wordt dat op 1 april 2023 een verbetertraject van zes maanden wordt gestart, met ondersteuning van Key-consult. 3.
- Het decreet van 16 juni 2023 ‘tot wijziging van het Provinciedecreet van 9 december 2005 en het decreet van 22 december 2017 over X-18.458-3/16 het lokaal bestuur, wat betreft de beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid’ (hierna: decreet van 16 juni 2023) voegt met ingang van 1 oktober 2023 – en zonder overgangsmaatregelen – in het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ (hierna: decreet lokaal bestuur) de artikelen 194/1 en 194/2 in. De bepalingen luiden: “Art. 194/1 Met behoud van de toepassing van artikel 194, vierde lid, van dit decreet zijn voor de beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid artikel 15 en titel I, hoofdstuk IV, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [hierna: arbeidsovereenkomstenwet], met uitzondering van artikel 33, 37, §1, vijfde lid, § 2 tot en met 4, artikel 37/3, 37/5, 37/7, 37/11, 38 en 39bis, van overeenkomstige toepassing. De beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid mag niet kennelijk onredelijk zijn. De beëindiging is gebaseerd op redenen die verband houden met het gedrag of de geschiktheid van het personeelslid of berusten op noodwendigheden voor de werking van het bestuur. Het mag geen beëindiging zijn waartoe nooit beslist zou zijn door een normaal en redelijk handelend lokaal bestuur. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de beëindiging van het statutaire dienstverband. Art. 194/2 De rechtbanken, vermeld in artikel 578 en 607 van het Gerechtelijk Wetboek van 10 oktober 1967, zijn bevoegd voor geschillen over de beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid, vermeld in artikel 194/1 van dit decreet.” Artikel 194, vierde lid, waarnaar in het geciteerde artikel 194/1, eerste lid, wordt verwezen, schrijft voor: “Het ontslag wegens beroepsongeschiktheid ingevolge het ontoereikend functioneren van het personeelslid, is niet mogelijk zonder voorafgaande evaluatie.” In de memorie van toelichting bij het decreet van 16 juni 2023 wordt in dit verband uiteengezet (Vl.Parl. Parl.St, 2022-2023, 1631/1, 30-31): “Het is dus niet mogelijk over te gaan tot een ontslag wegens beroepsongeschiktheid ingevolge het ontoereikend functioneren van het personeelslid zonder een voorafgaande evaluatie. Dit is nu al een formele voorwaarde en wordt met de inwerkingtreding van dit decreet niet gewijzigd. Dit wordt ook zo vastgesteld door de afdeling Wetgeving van de Raad van State in randnummer 6.3 van advies 72.556/3 van 16 januari X-18.458-4/16 2023: ‘(…) wordt in de ontworpen regeling met het behoud van de toepassing van die bepalingen beoogd de voorafgaande evaluatie verplicht te houden vooraleer de statutaire tewerkstelling kan worden beëindigd “wegens beroepsongeschiktheid ingevolge het ontoereikend functioneren van het personeelslid”.’ Als de vormvoorwaarde tot voorafgaande evaluatie niet nageleefd wordt bij een ontslag wegens beroepsongeschiktheid ingevolge het ontoereikend functioneren van het personeelslid, blijft het ontslag evenwel geldig. De principiële ontslagmacht van het lokaal bestuur blijft gelden en de toepasselijke regels en principes verzetten zich tegen de nietigheid van het ontslag en de mogelijke re-integratie van het personeelslid.” 3.
- Verzoeker stelt op 3 oktober 2023 tegen de beslissing van het evaluatiecomité van 28 maart 2023 een annulatieberoep bij de Raad van State in. Op 30 november 2023 beslist de gemeenteraad tot het voornemen om verzoekers ambt van algemeen directeur definitief te beëindigen middels ontslag overeenkomstig de arbeidsovereenkomstenwet en artikel 194/1 van het decreet lokaal bestuur. Verzoeker wordt uitgenodigd voor een hoorzitting op 13 december
- In de gemeenteraadsbeslissing wordt uiteengezet dat uit de bevraging met betrekking tot verzoekers functioneren als algemeen directeur “een zeer duidelijk signaal” is gebleken “dat de samenwerking van de heer XXXX als algemeen directeur met het beleid en de organisatie in het algemeen problematisch verloopt”. Concreet wordt verwezen naar het feit dat verzoeker op de vergaderingen van het managementteam en op het diensthoofdenoverleg vooral zelf het woord voert en dat weinig andere personen het woord nemen uit angst aangevallen of bekritiseerd te worden, dat hij vaak zeer negatieve feedback aan zijn medewerkers geeft en ze verschillend behandelt, en dat ook zijn gedrag ten aanzien van het college van burgemeester en schepenen wordt ervaren als niet-professioneel en getuigend van een manifest gebrek aan tact en diplomatie. Door zijn gedrag en houding wordt de samenwerking met het beleid en de organisatie manifest bemoeilijkt en is er sprake van een vertrouwensbreuk tussen het bestuur en de algemeen directeur. Het verschil in visie op het uitoefenen van de functie, in het bijzonder het aansturen van en het omgaan met het personeel, maakt duidelijk “dat de overweging om tot het ontslag van de heer XXXX over te gaan X-18.458-5/16 geenszins gestoeld is op één enkel feit, doch op een aanhoudend deconstructief gedrag en houding, een voortdurend verschil in visie alsook een wederkerig patroon van fouten, onbegrip en meningsverschillen”. IV. Regelmatigheid van de procedure
- De verwerende partij vraagt de vertrouwelijke behandeling van een stuk van het administratief dossier, namelijk van een video ‘Toelichting deskundige Key-consult’. Ter terechtzitting verzet verzoeker zich daartegen en vraagt hij de vertrouwelijke behandeling af te wijzen.
- De vraag van verzoeker behoeft geen antwoord. Naar de verwerende partij aangeeft voegt het stuk niets wezenlijks toe aan het voorbereidend verslag van Key-consult van 16 maart
- Er wordt geen gebruik van gemaakt voor de beslechting van de voorliggende vorderingen. V. Onderzoek van de vordering tot schorsing. A. Ontvankelijkheid
- Volgens de verwerende partij beschikt verzoeker niet over het vereiste belang.
- De exceptie betreft in wezen kritiek tegen twee argumenten van verzoeker ter staving van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Zoals hierna zal blijken, wordt de voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid vervuld geacht. Uit het een en het ander volgt dat verzoeker geen belang bij de voorliggende vordering tot schorsing kan worden ontzegd. X-18.458-6/16 B. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. C. Voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
- Verzoeker betoogt dat eens de verwerende partij toepassing maakt van artikel 194/1 van het decreet lokaal bestuur en hem ontslaat, elk recht op (preventieve) rechtsbescherming wordt gefnuikt. In de eerste plaats zal een ontslag met toepassing van artikel 194/1 van het decreet lokaal bestuur meebrengen dat hij zijn belang zal verliezen bij het beroep tegen de beslissing van het evaluatiecomité van 28 maart
- In de tweede plaats zal het tot gevolg hebben dat hem elke preventieve rechtsbescherming wordt ontnomen met betrekking tot een willekeurige en wederrechtelijke toepassing van artikel 194/1 van het decreet lokaal bestuur, hoewel een dergelijk ontslag slechts mag nadat de evaluatieprocedure is afgerond. Er kan, zo meent verzoeker, niet worden aanvaard dat de verwerende partij bewust en willekeurig kan overgaan tot de beëindiging van zijn statutair dienstverband. Hetzelfde voorbereidende rapport waarop de ongunstige evaluatie berust, vormt de enige materiële grondslag voor de voorgenomen toepassing van artikel 194/1 van het decreet lokaal bestuur. Het gaat dus wel degelijk over verzoekers functioneren en zijn (on)geschiktheid, niét zijn gedrag of houding. Zonder de gevorderde schorsing kan de verwerende partij willekeurig en X-18.458-7/16 bewust de artikelen 194 en 194/1 van het decreet lokaal bestuur miskennen. Dat zou des te meer onredelijk zijn en niet doen blijken van het optreden van een normaal en redelijk handelend lokaal bestuur nu er sinds de evaluatie van 14 november 2016 geen enkel functioneringsgesprek met verzoeker heeft plaatsgevonden en hij nooit enige feedback heeft gekregen. Wat hem wordt verweten “is hem al zeker nooit meegedeeld en hij heeft nooit niet de mogelijkheid gekregen om zijn vermeend functioneren bij te sturen”.
- In de nota noemt de verwerende partij het onzeker of en wanneer de verwerende partij tot een ontslag zal besluiten. Verzoekers vermoeden en “de (zogenaamde) onherroepelijk schadelijke gevolgen” zijn op vandaag louter hypothetisch. Voorts beklemtoont de verwerende partij dat sinds 1 oktober 2023 de arbeidsgerechten bevoegd zijn voor geschillen over de beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid, zodat een beoordeling van het eventuele ontslag van verzoeker aan de arbeidsrechtbank zal toekomen in het kader van de betwisting van het ontslag. Aangezien de arbeidsgerechten geen vernietigingsbevoegdheid hebben, kunnen ontslagen statutaire personeelsleden niet gere-integreerd worden, ook niet indien het ontslag onrechtmatig bevonden zou worden. Het ontslag zou geldig blijven; de toepasselijke regels en principes verzetten zich tegen de nietigheid van het ontslag en de mogelijke re-integratie van het personeelslid. Na de inwerkingtreding van het decreet van 16 juni 2023 geldt enkel nog een curatieve rechtsbescherming. Het belet niet dat volgens de verwerende partij verzoeker zijn belang in het kader van de annulatieprocedure tegen de beslissing van het evaluatiecomité van 28 maart 2023 behoudt. Het verlies daarentegen van de preventieve rechtsbescherming ingeval tot een definitief ontslag wordt overgegaan, “ligt volledig in de lijn met de bedoeling van de Decreetgever”. Overigens mag het dan wel zo zijn dat de vaststellingen in de gemeenteraadsbeslissing van 30 november 2023 voortkomen uit het voorbereidende rapport van de externe deskundige, het besluit tot het voornemen X-18.458-8/16 om verzoekers ambt definitief te beëindigen is “louter en alleen gestoeld […] op redenen die verband houden met zijn gedrag en houding”. Het is ten stelligste betwist “dat het functiegebonden disfunctioneren, zoals omschreven in het voorbereidend rapport als formeel (verplicht) instrument binnen de evaluatieprocedure voor decretale graden, de oorzaak is van de ontstane vertrouwensbreuk dewelke verwerende partij ertoe heeft aangezet om [de gemeenteraadsbeslissing van 30 november 2023] te nemen”. De overwegingen in de gemeenteraadsbeslissing “overstijgen duidelijk het louter functioneren” en zijn “niet functiegebonden, doch houden rechtstreeks verband met het gedrag en de houding van verzoekende partij”. Een zorgvuldigheidstoetsing van de opgeworpen ontslagredenen komt bij aanhoudende betwisting tussen partijen uitsluitend toe aan de arbeidsrechtbank. Een schorsing van de bestreden beslissing door de Raad van State, alsdus nog de verwerende partij, zou haar er niet van kunnen weerhouden om definitief te besluiten tot verzoekers ontslag, om redenen die verband houden met zijn gedrag en houding. Beoordeling
- Artikel 194, vierde lid, van het decreet lokaal bestuur is duidelijk: het ontslag wegens beroepsongeschiktheid ingevolge het ontoereikend functioneren van het personeelslid, is niet mogelijk zonder voorafgaande evaluatie. Het nieuw ingevoegde artikel 194/1 van het decreet lokaal bestuur dat bepaalt dat de arbeidsovereenkomstenwet in geval van beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid van overeenkomstige toepassing is, verandert dat niet. Ook bij toepassing van die bepaling mag niet zonder evaluatie tot de beëindiging van de hoedanigheid van het statutaire personeelslid worden overgegaan op grond van redenen die verband houden met de geschiktheid van het personeelslid. De “geschiktheid van het personeelslid” in artikel 194/1, tweede lid, X-18.458-9/16 van het decreet lokaal bestuur valt immers samen met het begrip ‘beroepsgeschiktheid’ in artikel 194, vierde lid, van het decreet van 22 december 2017 (advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State over het voorontwerp van decreet dat tot het decreet van 16 juni 2023 heeft geleid, Vl.Parl. Parl.St. 2022-2013, 1631/1, 114).
- Te dezen is verzoeker begin 2023 onderworpen aan een evaluatie. Een evaluatie wordt omschreven als de procedure waarbij een oordeel wordt geformuleerd over de manier waarop het personeelslid functioneert. Verzoekers evaluatie had plaats op grond van een voorbereidend rapport, dat wordt opgemaakt op basis van een onderzoek over de wijze van functioneren van de functiehouder, waarbij gepeild wordt naar de mate waarin en de wijze waarop de functiehouder voldaan heeft aan de vastgestelde evaluatiecriteria, zijnde de doelstellingen, resultaatgebieden en functiespecifieke competenties die bepaald werden aan de hand van de functiebeschrijving en het competentiewoordenboek van de Vlaamse overheid (artikelen 82 en 86 van de rechtspositieregeling voor het gemeentepersoneel). Ten minste in de huidige stand van de procedure komt het de Raad van State voor dat wat de verwerende partij in de gemeenteraadsbeslissing van 30 november 2023 als verzoekers problematische gedrag en onwerkbare houding in aanmerking neemt niets anders is dan wat eerder al door de externe deskundige in het voorbereidend rapport van 16 maart 2023 aan bod wordt gebracht. In dat rapport evenwel heten dat gedrag en die houding de uitkomst te zijn van de “verkregen feedback” in het kader van de toetsing van verzoekers presteren en functioneren aan de evaluatiecriteria. Terwijl het evaluatiecomité uit dat voorbereidend rapport besloot dat verzoeker in ontoereikende mate aan die evaluatiecriteria voldeed en dus zijn geschiktheid en prestaties gedurende de evaluatieperiode ongunstig beoordeelde, grijpt blijkbaar de gemeenteraad op 30 november 2023 dezelfde “verkregen feedback” aan om deze feedback te recycleren als motieven voor een eventueel X-18.458-10/16 definitief ontslag die volstrekt niet “functiegebonden” zouden zijn, maar “louter en alleen” verband houden met verzoekers gedrag en houding. De Raad van State kan dat, tenminste hic et nunc, niet bijvallen.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat alleszins voorshands wordt aangenomen dat het gedrag en de houding waarop de gemeenteraad zich in zijn beslissing van 30 november 2023 beroept, verband houdt met verzoekers “geschiktheid” als bedoeld in artikel 194/1, tweede lid, van het decreet lokaal bestuur. In dit licht blijkt de bestreden beslissing van het evaluatiecomité van 28 maart 2023 de noodzakelijke voorwaarde te zijn opdat het voornemen van de gemeenteraad van de verwerende partij om verzoeker te ontslaan rechtmatig doorgang kan vinden.
- Zonder schorsing van de bestreden beslissing riskeert verzoeker op zeer korte termijn ontslagen te worden. Gelet op het gestelde sub 3.2 moet in voorkomend geval dit ontslag, ook al zou het onwettig zijn, voor irreversibel worden gehouden.
- De slotsom is dat naar het oordeel van de Raad van State een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is. D. Voorwaarde van een ernstig middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker leidt een vierde middel af uit de schending van onder andere artikel 87 van de rechtspositieregeling voor het gemeentepersoneel. In een derde middelonderdeel voert hij aan dat er geen enkel functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden sinds de evaluatie van 14 november 2016 en dat hij nooit enige feedback heeft gekregen over zijn functioneren Dit miskent het doel van de X-18.458-11/16 evaluatieperiode. Verzoeker heeft niet de mogelijkheid gekregen om zijn functioneren bij te sturen.
- De verwerende partij repliceert in de nota “dat er voorafgaand aan de evaluatieprocedure op diverse momenten informele feedbackgesprekken hebben plaatsgevonden met verzoekende partij. Indien verzoekende partij dit ontkent, dan spreekt hij niet de waarheid”. Beoordeling
- Artikel 87 van de rechtspositieregeling voor het gemeentepersoneel voorziet erin dat de “gemeentesecretaris” tussentijds feedback krijgt over zijn manier van functioneren tussen de “gemeentesecretaris” en het college. De feedback “neemt de vorm aan van een functioneringsgesprek met de functiehouder”. Onder functioneringsgesprek wordt verstaan: “een tweegesprek tussen het college en de functiehouder met het oog op het optimaal functioneren van het personeelslid en de optimale kwaliteit van de dienstverlening”. Het functioneringsgesprek vindt plaats op vraag van de functiehouder of van het college. Als feiten of gedragingen van de functiehouder die een negatieve weerslag kunnen hebben op de evaluatie daartoe aanleiding geven, “is een functioneringsgesprek noodzakelijk”. Het functioneringsgesprek resulteert in schriftelijke afspraken over bepaalde aandachtspunten.
- Op het eerste gezicht is er geen spoor van enig functioneringsgesprek of van schriftelijke afspraken die eruit voortgevloeid zijn. Nochtans moet uit het voorbereidend rapport van de externe deskundige van 16 maart 2023 worden afgeleid dat verzoeker in de periode van 1 januari 2021 tot 31 december 2022 zowel wat het beleid als wat de organisatie betreft voor werkelijk elk evaluatiecriterium ondermaats gescoord zou hebben. In de gegeven omstandigheden komt het middel ernstig voor. X-18.458-12/16 E. Conclusie
- De voorwaarden voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zijn vervuld. VI. Onderzoek van de andere gevorderde voorlopige maatregelen Standpunt van de partijen
- Verzoeker vraagt twee voorlopige maatregelen te bevelen die hij noodzakelijk acht om “te vermijden dat het onherroepelijk nadeel van het verlies van de hoedanigheid van statutair ambtenaar zich realiseert ten aanzien van de verzoekende partij”. Een eerste voorlopige maatregel moet tegemoetkomen aan de vrees dat de Raad van State niet vóór 13 december 2023, om 21 uur, uitspraak zou kunnen doen over de vordering tot schorsing. Een tweede voorlopige maatregel strekt ertoe een verbod te doen opleggen aan de gemeenteraad van de verwerende partij om met toepassing van artikel 194/1 van het decreet lokaal bestuur een einde te maken aan verzoekers hoedanigheid van statutair personeelslid op basis van de ongunstige evaluatie van 28 maart 2023 en het voorbereidend rapport van 16 maart
- Opdat de verwerende partij zich “met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid” zou houden aan de gevraagde voorlopige maatregelen wordt een dwangsom van 100.000 euro gevorderd.
- De verwerende partij vraagt de gevorderde voorlopige maatregelen te verwerpen. Wat de tweede voorlopige maatregel betreft, meent zij dat de Raad van State zonder rechtsmacht is. Het opleggen ervan zou indruisen tegen het decreet van 16 juni 2023 “door de ontslagmacht in hoofde van verwerende partij te beperken”. Bovendien is het voornemen tot ontslag niet gestoeld op het disfunctioneren van verzoeker of op het ongunstig X-18.458-13/16 evaluatieresultaat, maar enkel en alleen op zijn problematische gedrag en onaanvaardbare houding. De voorlopige maatregel heeft dus geen nut. Wat de gevorderde dwangsom aangaat, wijst de verwerende partij erop dat er geen antecedent bestaat waaruit het vermoeden kan worden afgeleid dat de verwerende partij zich niet naar het oordeel van de Raad van State zou schikken. Het bedrag is ook buitensporig. In het verleden legde de Raad van State dwangsommen op begroot op 1.500 tot 3.000 euro per dag dat de verwerende partij in gebreke blijft. Beoordeling
- De eerste vraag is, getuige voorliggend arrest, zonder voorwerp.
- Wat de tweede gevorderde maatregel betreft, is hiervóór geoordeeld dat het gedrag en de houding waarop de gemeenteraad zich beroept voor zijn voornemen om verzoeker te ontslaan, ogenschijnlijk wél verband houden met verzoekers “geschiktheid” als bedoeld in artikel 194/1, tweede lid, van het decreet lokaal bestuur.
- Voorts behoort de schorsing van de bestreden beslissing van het evaluatiecomité van 28 maart 2023 beslist tot de rechtsmacht van de Raad van State, en wil verzoeker met de tweede voorlopige maatregel in essentie alleen maar de naleving van die schorsing veiligstellen, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak. Deze concrete omstandigheden worden speciaal gekenmerkt door artikel 194/1, eerste lid, juncto artikel 194, derde lid, van het decreet lokaal bestuur. Het zijn deze bepalingen die de verwerende partij verbieden tot een ontslag wegens beroepsongeschiktheid over te gaan zonder voorafgaande evaluatie en waarop dus de beperking van haar “ontslagmacht”, die de verwerende partij ontwaart, wezenlijk teruggaat. X-18.458-14/16
- Naar de mening van verzoeker kan alleen de tweede voorlopige maatregel, onder verbeurte van een zeer aanzienlijke dwangsom in geval van miskenning, voldoende het risico tekeergaan dat de verwerende partij in de verleiding komt om toch tot een ontslag over te gaan niettegenstaande een schorsing van de bestreden beslissing. De Raad van State volgt die zienswijze. Zoals de verwerende partij niet heeft nagelaten flink in de verf te zetten, is het ontslag van verzoeker, eens genomen en zelfs al gebeurde dat met miskenning van de schorsing van de bestreden beslissing, onomkeerbaar.
- De vrijwaring van de verzoekers belangen noodzaakt om de tweede voorlopige maatregel die verzoeker vordert op te leggen en om de maatregel vergezeld te laten gaan van een dwangsom die maximaal inspireert tot naleving ervan. Een bedrag, zoals vooropgesteld door verzoeker, is dan beduidend effectiever dan de 1.500 tot 3.000 euro die de verwerende partij suggereert. BESLISSING
- De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van het evaluatiecomité van de gemeente XXXX van 28 maart 2023 om XXXX, algemeen directeur, het evaluatieresultaat ‘Ongunstig, onvoldoende’ te geven.
- Aan de verwerende partij wordt, onder verbeurte van een dwangsom van 100.000 euro bij overtreding, het verbod opgelegd om het ambt van XXXX definitief te beëindigen met toepassing van artikel 194/1 van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ op grond van de feiten en overwegingen in de gemeenteraadsbeslissing van 30 november 2023 waarin tot een voornemen in die zin wordt besloten.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt noch de identiteit van de verzoekende partij, noch die van de verwerende partij bekendgemaakt. X-18.458-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf december tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-18.458-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.199 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.017 geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.085 ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.015 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.