← België

Arrest 258200 - Tucht (openbaar ambt) - 13/12/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.200 Rolnummer: A. 234721/XIV-38826 Zaak: Arrest 258200 - Tucht (openbaar ambt) - 13/12/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-12-21 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-06-10 17:50 Fiche Arrest nr 258.200 van 13 december 2023 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 258.200 van 13 december 2023 in de zaak A. 234.721/XIV-38.826 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Walter Van Steenbrugge en Esther Theyskens kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5441 ERPE-MERE/LEDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 30 september 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het politiecollege van de politiezone Erpe-Mere/Lede van 22 september 2021 om verzoeker “een voorlopige schorsing op te leggen met ingang van 26 september 2021 gedurende vier maanden, meer bepaald tot en met 25 januari 2022, zonder inhouding van wedde”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 252.734 van 21 januari 2022 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. XIV-38.826-1/43 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 november
  3. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Walter Van Steenbrugge, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is korpschef van de politiezone Erpe-Mere/Lede

(5441). XIV-38.826-2/43 3.2. Op 17 mei 2021 ontvangt de voorzitter van het politiecollege van de politiezone drie verschillende brieven van de procureur des Konings waarin gewag wordt gemaakt van drie opsporingsonderzoeken ten laste van verzoeker, met name inzake: - “valsheid in geschriften als openbaar ambtenaar en gebruik ervan te Lede”; - “A. Daden van willekeur (schending recht op privacy, recht op eerlijk proces), B. Kennisnemen van niet voor publiek toegankelijke communicatie, C. Inbreuk op de Wet op de Gegevens Bescherming te Lede ten laste van […] n.a.v. het toezichtsrapport dat opgesteld werd door het Controleorgaan op de politionele informatie”; - “schending van het beroepsgeheim te Lede op 27.04.2021”, waarover de brief verder vermeldt: “Hieruit is gebleken dat de korpschef derden in kennis stelt van door politie vastgestelde strafrechtelijke inbreuken en daaruit voorvloeiende gerechtelijke onderzoeken.” Deze brieven vermelden telkens dat het betrokken onderzoek toevertrouwd is aan de dienst enquêtes van het Comité P, dat nog geen inzage/afschrift van het dossier kan worden verleend, maar dat de procureur des Konings de politiezone op de hoogte zal houden van het verder verloop van de zaak. De procureur des Konings deelt in deze brieven mee dat het “geen verder betoog” hoeft dat het vertrouwen van haar ambt in verzoeker “ernstig”, respectievelijk “zeer ernstig”, respectievelijk “uitermate” geschonden is. Tot slot vraagt de procureur des Konings haar ambt in kennis te stellen van de eventuele ordemaatregelen die het politiecollege overweegt. 3.3. Op 25 mei 2021 beslist het politiecollege om verzoeker voorlopig te schorsen zonder inhouding van wedde van 26 mei 2021 tot en met 25 september 2021. Deze beslissing is niet in rechte betwist. XIV-38.826-3/43 3.4. Op 27 mei 2021 schrijft de verwerende partij de procureur des Konings aan naar aanleiding van persartikels met het verzoek om bijkomende informatie te krijgen. 3.5. Op 9 september 2021 roept het politiecollege verzoeker op om te worden gehoord over het voornemen om de voorlopige schorsing te verlengen. Op dat ogenblik is er nog geen antwoord gekomen op de in punt 3.4. vermelde brief van 27 mei 2021. 3.6. Verzoeker wordt op 15 september 2021 door het politiecollege gehoord. Hiervan wordt een verslag opgemaakt. 3.7. Op 16 september 2021 ontvangt de voorzitter van het politiecollege via de waarnemend korpschef drie brieven van de procureur des Konings van 14 september 2021, ontvangen door de politiezone op 15 september 2021, betreffende elk van de drie opsporingsonderzoeken. De procureur des Konings bevestigt daarin dat de opsporingsonderzoeken nog lopende zijn en dat nog geen inzage of afschrift van het dossier kan worden verleend. Nogmaals geeft de procureur des Konings aan dat de Politiezone Erpe-Mere/Lede op de hoogte zal worden gehouden van het verder verloop van de zaak. Een kopie van deze briefwisseling is meegedeeld aan de raadslieden van verzoeker. 3.8. Op 22 september 2021 beslist het politiecollege om verzoeker “een voorlopige schorsing op te leggen met ingang van 26 september 2021 gedurende vier maanden, meer bepaald tot en met 25 januari 2022, zonder inhouding van wedde”. Dit is de bestreden beslissing. XIV-38.826-4/43 XIV-38.826-5/43 IV. Rechtspleging De pleitnota bevattend een nieuw middel 4. Verzoeker dient de dag vóór de terechtzitting om 16.49u een aanzienlijke pleitnota en een bundel aanvullende stukken in. Ook zet hij daar een nieuw middel in uiteen, dat hij ter terechtzitting toelicht. Ter adstructie hiervan geeft hij aan dat het middel betrekking heeft op “nieuwe feiten” waarvan hij pas kennis kreeg na indiening van zijn verzoekschrift, alsook dat het nieuwe middel bovendien van openbare orde is. Beoordeling 5. De toepasselijke procedureregeling voorziet niet in de mogelijkheid tot de neerlegging van een pleitnota. In zoverre deze pleitnota de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. In zoverre verzoeker in zijn mondelinge opmerkingen ter terechtzitting of in de pleitnota die er derhalve de schriftelijke neerslag van vormt, nieuwe argumenten ter adstructie van het enige middel ontwikkelt waarvan hij - zoals te dezen - niet aantoont dat hij die niet in zijn verzoekschrift kon ontwikkelen, zijn zij niet-ontvankelijk en worden ze uit het debat geweerd. 6. In de mate dat de pleitnota tevens een nieuwe tweede middel aanvoert, wordt opgemerkt dat dit middel steunt op de burgerlijkepartijstelling van 20 december 2022 door de meergemeentezone in de strafprocedure lastens verzoeker. Dit stuk dateert van na het indienen van verzoekers laatste memorie op 10 november 2022 en na het verstrijken van de termijn om die in te dienen. Artikel 2, § 1, 3° van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) bepaalt dat het XIV-38.826-6/43 verzoekschrift een uiteenzetting van de middelen moet bevatten. Hieruit volgt dat in beginsel alle middelen tot nietigverklaring door verzoeker noodzakelijk, op straffe van niet-ontvankelijkheid, worden aangevoerd in het verzoekschrift of zodra hij daartoe de gelegenheid heeft in het kader van de procedure nadat hij er kennis van heeft gekregen of er kennis van moest hebben. Te dezen is de grondslag van het nieuwe middel pas na het indienen van de laatste memorie en na het verstrijken van die termijn daartoe, aan het licht gekomen. Verzoeker had aldus, in die stand van het geding, niet meer de gelegenheid om door middel van een in de algemene procedureregeling voorziene mogelijkheid dit middel alsnog aan te voeren. In dat geval leidt, in het licht van het recht op toegang tot de rechter, de enkele omstandigheid dat het middel is aangevoerd in een niet in de algemene procedureregeling voorzien stuk – te dezen de “pleitnota” – op zich niet tot het als niet-ontvankelijk ervan te verwerpen. Het voorgaande staat er evenwel niet aan in de weg dat van verzoeker die in die omstandigheden een nieuw middel opwerpt, een loyale procesvoering moet worden verwacht. Te dezen zet verzoeker niet uiteen wanneer hij kennis heeft gekregen van de burgerlijkepartijstelling van de verwerende partij en waarop hij het nieuwe middel grondt. Uit de door hem overgelegde stukken en inzonderheid uit het door hem overgelegde vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie correctionele rechtbank van 27 juni 2023, blijkt dat hij voor de openbare terechtzittingen in die zaak – de eerste op 16 mei 2023 – kennis had of moest hebben van die burgerlijkepartijstelling. Voorts blijkt uit de gegevens van de zaak dat verzoeker bij beschikking van 28 september 2023, aan verzoeker ter kennis gebracht op 13 oktober 2023, werd opgeroepen voor de terechtzitting in deze zaak op 8 november 2023, die nadien werd verplaatst naar 21 november 2023. Hij had aldus sinds minstens zes maanden, en sedert minstens één maand vanaf de kennisneming van de datum van de openbare terechtzitting, kennis van de feitelijke gegevens waarop zijn nieuw middel steunt. XIV-38.826-7/43 Verzoeker bleef niettemin stilzitten tot de avond voor de geplande terechtzitting op 21 november 2023 waarop de zaak was vastgesteld en het debat zou worden gesloten, om op basis van deze burgerlijkepartijstelling een nieuw middel te ontwikkelen. Op de terechtzitting, noch in de pleitnota heeft verzoeker redenen, laat staan in redelijkheid aanvaardbare redenen, gegeven waarom hij pas minder dan 24 uur voor de geplande terechtzitting een nieuw middel kon opwerpen. Hij geeft enkel aan dat het middel betrekking heeft op “nieuwe feiten” waarvan verzoeker pas kennis kreeg na indiening van zijn verzoekschrift, alsook dat dit middel bovendien van openbare orde is. Deze argumenten overtuigen niet. De enkele omstandigheid dat verzoeker pas kennis kreeg van de nieuwe feiten na het verzoekschrift, verklaart niet waarom hij ultiem tot de vooravond van de terechtzitting wachtte om met een schriftelijk stuk een nieuw middel in te dienen. Evenmin verklaart het argument dat verzoeker het middel aanbrengt als een middel van openbare orde, zulks. Zoals de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn arrest nr. 238.588 van 20 juni 2017 heeft overwogen, moet inderdaad een middel tot nietigverklaring dat aangebracht wordt als een middel van openbare orde “[i]n tegenstelling tot wat geldt voor de andere middelen [...] door de verzoekende partij niet noodzakelijk, op straffe van onontvankelijkheid, worden aangevoerd in het verzoekschrift of zodra zij daartoe de gelegenheid heeft in het kader van de procedure nadat ze er kennis van heeft gekregen of er kennis van moest hebben.” Evenwel, stelt het voornoemde arrest, kan het “in sommige omstandigheden eigen aan een bepaalde zaak gerechtvaardigd zijn dat het middel dat door de verzoekende partij aangebracht wordt als een middel van openbare orde, niet wordt onderzocht wanneer het aanvoeren van dat middel door de verzoekende partij voorkomt een duidelijke schending van de loyale procesvoering te zijn, die een substantiële XIV-38.826-8/43 tekortkoming uitmaakt aan het normale en behoorlijke verloop van het onderzoek van het beroep”. Hieruit volgt dat het enkele feit dat een middel wordt aangebracht als een middel van openbare orde, niet belet dat het niet in aanmerking wordt genomen omdat het de loyale procesvoering schendt. Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoeker geen deugdelijke redenen heeft die zijn stilzitten verantwoorden, minstens aannemelijk maken. Dat doet de Raad van State besluiten dat de proceshouding van verzoeker, die de verwerende partij, het auditoraat en de Raad van State nodeloos en vermijdbaar uitermate in extremis overvalt met een nieuw middel, niet getuigt van gepaste loyauteit ten aanzien van de merites van een correct en efficiënt procesverloop. In die omstandigheden is het voor het eerst in de pleitnota en ter terechtzitting toegelichte nieuwe middel niet ontvankelijk. V. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel 7. In het enig middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen 59 en 61 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: tuchtwet), van de “materiëlemotiveringsplicht vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen”, van “de motiveringsplicht”, van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het vermoeden van onschuld. 8. In een eerste onderdeel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing geen enkel geoorloofd motief bevat om te verantwoorden dat de aanwezigheid van verzoeker onverenigbaar zou zijn met het belang van de dienst, zodat niet is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van artikel 59, eerste lid van de tuchtwet. Volgens verzoeker zijn alzo eveneens de materiële- XIV-38.826-9/43 motiveringsplicht en de formelemotiveringsplicht geschonden, en door een gebrek aan zorgvuldig onderzoek ook het zorgvuldigheidsbeginsel. Het redelijkheids- beginsel is volgens verzoeker geschonden omdat het politiecollege geen kennis heeft van enig belastend element en er geen actuele aanwijzing voorligt dat verzoekers aanwezigheid nog steeds onverenigbaar zou zijn met de dienst. Verzoeker doet – op basis van een analyse van rechtspraak en rechtsleer – gelden dat de in de bestreden beslissing aangehaalde motieven niet het besluit verantwoorden dat de aanwezigheid van verzoeker onverenigbaar zou zijn met het belang van de dienst. Hij zet verder uiteen dat het politiecollege een degelijk eigen onderzoek naar de onderliggende feiten en naar de verantwoordelijkheid van verzoeker moet voeren en een nieuwe beslissing moet nemen over de eventuele onverenigbaarheid van de aanwezigheid van verzoeker met het belang van de dienst. Het politiecollege moet voldoende inspanningen leveren om een zicht te krijgen op wat er precies aan verzoeker wordt verweten en mag zich niet verschuilen achter een louter formele kennisgeving van de procureur des Konings; een verwijzing naar de louter strafrechtelijke kwalificatie van de feiten volstaat niet. Te dezen blijkt volgens verzoeker uit de bestreden beslissing dat het politiecollege niet beschikt over enige informatie over het voorwerp van de diverse opsporingsonderzoeken. Het versturen van één brief aan de procureur des Konings met verzoek om informatie volstaat niet in het licht van de plicht om een eigen onderzoek te voeren naar de feiten en de verantwoordelijkheid van verzoeker. Volgens verzoeker kan het politiecollege bovendien niet zonder meer aanvoeren dat de situatie niet anders is dan ten tijde van de beslissing over de oorspronkelijke voorlopige schorsing, nu niet meer kan worden verwezen naar de brief van de procureur des Konings van 17 mei 2021 en de meest recente brieven van de procureur des Konings niet vermelden dat het vertrouwen in verzoeker nog geschonden zou zijn. Daarnaast stelt verzoeker vast dat de bestreden beslissing vermeldt dat het politiecollege geen kennis heeft van bezwarende elementen in hoofde van verzoeker, zodat het politiecollege bevestigt dat er geen reden is om te oordelen dat verzoekers aanwezigheid onverenigbaar zou zijn met het belang van de dienst. Verder verzet verzoeker zich tegen twee “bijkomende” onwettige XIV-38.826-10/43 overwegingen in de bestreden beslissing: ten eerste, de overweging waaruit volgens verzoeker blijkt dat het politiecollege de rechtmatige uitoefening door verzoeker van zijn rechten om kennis te krijgen van het dossier, zijn rechten te vrijwaren en zijn schade hersteld te zien tegen hem gebruikt door erop te wijzen dat daardoor “des te meer noodzaak bestaat” om de sereniteit binnen het korps te vrijwaren, en ten tweede, de overweging dat de emotionele reactie van verzoeker op het bestaan van de opsporingsonderzoeken noopt tot de verlenging van de voorlopige schorsing “om de sereniteit van het onderzoek te bewaren”, waaruit verzoeker nog afleidt dat het politiecollege niet het belang van de dienst maar wel de sereniteit van het onderzoek voor ogen heeft. Daarnaast bekritiseert verzoeker het motief in de bestreden beslissing dat de door hem aangehaalde rechtspraak niet zou opgaan. 9. In een tweede onderdeel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht schendt door een gebrek aan deugdelijk onderzoek van de door hem aangevoerde argumenten en van het door hem neergelegde stuk en doordat de bestreden beslissing daarop niet reageert. De stellingnames in de bestreden beslissing schenden bovendien het vermoeden van onschuld en artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet. Verzoeker zet uiteen dat hij in zijn conclusie voor het politiecollege elke betrokkenheid bij strafbare feiten betwistte en daarbij op een aantal elementen wees, met name: - dat hij met betrekking tot het opsporingsonderzoek dat slaat op vermeende “afluisterpraktijken” zijn vermeende schuld aan enig misdrijf reeds met succes kon weerleggen, wat door de voorzitter van het politiecollege werd bevestigd, zodat dit opsporingsonderzoek geen grond kan vormen voor de verlenging van de voorlopige schorsing; - dat inzake het opsporingsonderzoek over schending van het beroepsgeheim zijn betrokkenheid bij de feiten allesbehalve bewezen is en er mogelijk sprake is van een interne afrekening; XIV-38.826-11/43 - dat noch verzoeker noch het politiecollege over enige informatie beschikt over de feiten die het voorwerp zijn van het opsporingsonderzoek over valsheid in geschriften als openbaar ambtenaar, zodat dit onderzoek geen grondslag kan vormen voor de verlenging van de voorlopige schorsing, daar het niet volstaat louter te verwijzen naar de kwalificatie van de feiten om te bewijzen dat verzoekers aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst. Verzoeker wijst er vervolgens op dat de overweging in de bestreden beslissing dat “het standpunt dat de verdediging reeds met succes elke schuld aan enig misdrijf heeft weerlegd, thans voorbarig [is]” en dat slaat op het opsporingsonderzoek over vermeende “afluisterpraktijken” in strijd is met de beslissing van het politiecollege van 25 mei 2021, waarin het politiecollege overweegt dat voormeld opsporingsonderzoek geen grond vormt voor de bij die beslissing opgelegde voorlopige schorsing. Dit bewijst dat de voorlopige schorsing niet tot doel heeft het belang van de dienst te vrijwaren, maar wel om de sereniteit van het onderzoek te verzekeren. Met de overwegingen over het opsporingsonderzoek dat slaat op de schending van het beroepsgeheim, geeft de bestreden beslissing aan dat de voorlopige schorsing een semiautomatisch gevolg is van het loutere bestaan van het opsporingsonderzoek, wat het vermoeden van onschuld schendt. Verzoeker besluit dat zijn verklaring door het politiecollege moest worden onderzocht en inhoudelijk weerlegd. 10. In het derde onderdeel voert verzoeker aan dat het politiecollege had moeten onderzoeken of er geen minder ingrijpende maatregel mogelijk was dan de verlenging van de voorlopige schorsing, zoals de tijdelijke overplaatsing naar een andere functie. Verzoeker ziet hierin een schending van artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet en van het zorgvuldigheidsbeginsel. XIV-38.826-12/43 11. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker allereerst wat hij in zijn verzoekschrift aanvoert. In aanvulling op zijn uiteenzetting van het eerste onderdeel van het middel werpt verzoeker op dat het politiecollege zelf personen kon horen in plaats van zich te “wentelen in onwetendheid” gelet op de mogelijkheid en de plicht om zelf te achterhalen waarop de opsporingsonderzoeken betrekking hebben. Het actualiseren van de feitelijke en juridische gegevens op basis van initiatieven genomen door de verdediging beantwoordt volgens verzoeker niet aan de plicht tot het voeren van een eigen onderzoek. Ook met de overweging in de bestreden beslissing dat “uit niets blijkt dat het gebrek aan vertrouwen zou zijn weggenomen” en de overweging dat verzoeker zelf geen enkel vertrouwen stelt in het ambt van de procureur des Konings gaat het politiecollege volgens verzoeker voorbij aan de eigen onderzoeksplicht. In aansluiting op de uiteenzetting van het tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat het gegeven dat de voorlopige schorsing geen betrekking heeft op de grond van de zaak, de verwerende partij niet ontslaat van de plicht om een eigen onderzoek te voeren naar de feiten vervat in de opsporingsonderzoeken die de basis vormen van de voorlopige schorsing. Wat het derde middelonderdeel betreft wijst verzoeker erop dat het politiecollege de detachering kan bevelen en dat hij bereid is om tijdelijk zijn functie van korpschef neer te leggen in het kader van een detachering. 12. In de laatste memorie gaat verzoeker uitvoerig in op het auditoraatsverslag. Wat het eerste middelonderdeel betreft, werpt verzoeker allereerst op dat de recentere rechtspraak aangehaald in het auditoraatsverslag niet belet dat de door hem aangehaalde oudere rechtspraak nog steeds geldt, daar er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen de oudere en de recentere rechtspraak. Uit de XIV-38.826-13/43 rechtspraak van de Raad van State blijkt volgens verzoeker juist door welke in zijn verzoekschrift gepreciseerde tekortkomingen de bestreden beslissing is aangetast. Met het standpunt in het auditoraatsverslag dat het politiecollege niet kan worden verweten te steunen op de drie brieven van de procureur des Konings van 17 mei 2021, gaat verzoeker niet akkoord, omdat het politiecollege na de brief van 27 mei 2021 met verzoek om meer informatie geen enkele verdere stap ondernam. In zoverre de bestreden beslissing verwijst naar mondelinge contacten met de procureur des Konings werpt verzoeker op dat elke daaruit voortvloeiende overweging het recht van verdediging, het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht schendt, omdat die contacten aan zijn tegenspraak ontsnappen. Het recht van verdediging, het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht zijn volgens verzoeker ook geschonden omdat de brieven van de procureur des Konings van 14 september 2021 als doorslaggevend motief voor de bestreden beslissing niet onderworpen waren aan tegenspraak, daar zowel het politiecollege als verzoeker er pas na de hoorzitting kennis van namen. Verder herhaalt verzoeker dat de bestreden beslissing niet kan steunen op een gebrek aan vertrouwen van de procureur des Konings in verzoeker, daar de brieven van de procureur des Konings van 14 september 2021 hiervan geen melding meer maken, in tegenstelling tot de brieven van 17 mei 2021. Verzoeker volhardt ook in zijn verzet tegen de twee onwettige motieven die hij in de bestreden beslissing ontwaart (zie supra, randnr. 8) en blijft bij zijn vaststelling dat de bestreden beslissing hem de uitoefening van zijn rechten op ongeoorloofde wijze ten kwade duidt. Hij betwist dat de bestreden beslissing zijn “emotionele reactie” op de opsporingsonderzoeken slechts als een bijkomend motief in aanmerking zou nemen. Wat het tweede middelonderdeel betreft, verliest het auditoraatsverslag volgens verzoeker uit het oog dat het gegeven dat de voorlopige schorsing geen betrekking heeft op de schuldvraag, niet belet dat de verwerende XIV-38.826-14/43 partij een eigen onderzoek moet voeren naar de feiten die het voorwerp zijn van de opsporingsonderzoeken. Verzoeker herhaalt dat het politiecollege heeft nagelaten om de concrete elementen die hij aanvoerde te onderzoeken en werpt nog op dat het auditoraatsverslag op een aantal van zijn argumenten niet ingaat. Wat het derde middelonderdeel betreft, blijft verzoeker erbij dat het politiecollege moest onderzoeken of geen minder ingrijpende maatregel dan een voorlopige schorsing mogelijk was, zoals een overplaatsing naar een andere dienst of een detachering. Volgens verzoeker staaft het auditoraatsverslag niet afdoende dat een alternatieve maatregel onmogelijk zou zijn, noch dat de bestreden beslissing verzoekers vraag tot een alternatieve maatregel genoegzaam heeft overwogen. Beoordeling Vooraf 13. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze artikel 61, eerste en derde lid, van de tuchtwet zou geschonden zijn. Het enige middel is in die mate niet-ontvankelijk. A. Eerste onderdeel 14. Verzoeker voert vooreerst de schending aan van artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), van de motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel en van het vermoeden van onschuld. XIV-38.826-15/43 15. Artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet luidt: “Art. 59. Onverminderd andere ordemaatregelen bepaald door de minister van Binnenlandse Zaken die onder meer ter gelegenheid van een tuchtvordering kunnen getroffen worden, kan de burgemeester of, naar gelang van het geval, het politiecollege, het personeelslid van de lokale politie tegen wie een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek loopt of een strafvervolging werd ingesteld en wiens aanwezigheid bij de lokale politie onverenigbaar is met het belang van de dienst, bij ordemaatregel voorlopig schorsen.” Uit artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet volgt dat, om na een eerste beslissing tot voorlopige schorsing die schorsing te verlengen, een nieuwe beslissing is vereist. Er kan enkel tot een verlenging van de lopende voorlopige schorsing worden besloten, indien bij die verlenging nog steeds is voldaan aan beide in artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet bepaalde cumulatieve voorwaarden. Wat te dezen het vervuld zijn van de eerste voorwaarde van artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet betreft, betwist verzoeker niet dat tegen hem drie opsporingsonderzoeken lopen. Wat de tweede voorwaarde van artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet betreft, kan tot een verlenging van de voorlopige schorsing slechts worden beslist wanneer de bevoegde overheid - rekening houdend met alle gegevens die op dat ogenblik beschikbaar zijn of die zij op basis van een eigen onderzoek kan verkrijgen -, nog altijd kan stellen dat het dienstbelang vereist dat de politieambtenaar buiten de dienst blijft. De bevoegde overheid dient hiertoe, met de mogelijkheden waarover zij beschikt, een actuele beoordeling te maken van de feiten en van de invloed daarvan op de aanwezigheid van betrokkene binnen de dienst. De plicht tot actualisatie vereist op zich evenwel niet dat het gehele dossier moet worden geactualiseerd. Het komt voorts de bevoegde overheid toe te oordelen of de voorlopige schorsing dient te worden verlengd. Zij beschikt ter zake over een discretionaire bevoegdheid. Het komt aan de Raad van State in het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf deze beoordeling te maken. De Raad van State is enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde bepalingen en binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. XIV-38.826-16/43 De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. XIV-38.826-17/43 Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordeling- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van de bevoegde administratieve overheid. Hij is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het vermoeden van onschuld houdt in dat eenieder tegen wie een tuchtvervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. 16. De bestreden beslissing is als volgt formeel gemotiveerd: “[…] 2.2 Uiteenzetting van de gevolgen Artikel 44, Wet 07 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna WGP) omschrijft de taak van een korpschef als volgt: ‘… Elk lokaal politiekorps staat onder de leiding van een korpschef. Hij is verantwoordelijk voor de uitvoering van het lokaal politiebeleid, en meer bepaald, voor de uitvoering van het zonaal veiligheidsplan. Hij staat in voor de leiding, de organisatie en de verdeling van de taken binnen het lokaal politiekorps en de uitvoering van het beheer van dit korps. Hiertoe kan de burgemeester of het politiecollege hem sommige van zijn bevoegdheden delegeren. In de uitoefening van deze functie is hij verantwoordelijk voor de uitvoering door het politiekorps van de lokale opdrachten, van de richtlijnen met betrekking tot de opdrachten met een federaal karakter en van de opvorderingen evenals van de toepassing van de normen bedoeld in de artikelen 141 en 142. Voor de uitoefening van zijn functie, kan de korpschef de in artikel 104, 1°, bedoelde hulp inroepen. …’ De korpschef is het aanspreekpunt namens de PZ Erpe-Mere/Lede voor de XIV-38.826-18/43 bestuurlijke en gerechtelijke overheden. De ernst van de kwalificatie van de feiten die het voorwerp uitmaken van de aangehaalde opsporingsonderzoeken ten laste van korpschef [verzoeker] creëren een voorlopige vertrouwensbreuk waardoor de goede werking van de lokale politiedienst van de PZ Erpe-Mere/Lede in het gedrang wordt gebracht. Het moreel gezag als korpschef wordt door de opsporingsonderzoeken ernstig aangetast zowel ten aanzien van de gerechtelijke overheid, de bestuurlijke overheid als de leden van het korps. De procureur des Konings heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat het vertrouwen korpschef [verzoeker] (zeer / uitermate) ernstig is geschonden en vraagt zijn ambt in kennis te stellen van de eventuele ordemaatregelen die het politiecollege overweegt. In dergelijke omstandigheden kan niet sereen worden samengewerkt en kunnen de opsporingsonderzoeken niet sereen worden uitgevoerd. De goede werking en het belang van de dienst kan enkel worden gevrijwaard als het vereiste vertrouwen aanwezig om leiding te geven en samen te werken. […] 5. Motivering van het voornemen tot voorlopige schorsing Aard van een voorlopige schorsing Een voorlopige schorsing is uitsluitend gericht op de goede werking van de dienst en is slechts een tijdelijke, bewarende en niet-tuchtrechtelijke maatregel. Een dergelijke ordemaatregel houdt geen oordeel in over de schuld van het personeelslid, maar beoogt enkel de goede werking van de dienst veilig te stellen in afwachting van de bevindingen van een tucht- of strafrechtelijk onderzoek. Voorwaarden voor het opleggen van een voorlopige schorsing Op grond van artikel 59, eerste lid, Tuchtwet is het politiecollege de bevoegde overheid om aan een personeelslid van de lokale politie, zo ook de korpschef, een voorlopige schorsing op te leggen mits is voldaan aan een dubbele voorwaarde: − ten aanzien van het betrokken personeelslid loopt een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek of is een strafvervolging ingesteld en; − de aanwezigheid van het betrokken personeelslid bij de lokale politie onverenigbaar is met het belang van de dienst. Het politiecollege oefent hierbij een discretionaire beoordelingsbevoegdheid uit. Opsporingsonderzoek Er kan geen betwisting bestaan over het bestaan van een opsporingsonderzoek ten laste van [verzoeker]. Het politiecollege kan daarbij verwijzen naar de drie kennisgevingen vanwege de procureur des Konings: − Brief van de procureur des Konings met betrekking tot een opsporingsonderzoek ten laste van [verzoeker] inzake valsheid in geschriften als openbaar ambtenaar en gebruik ervan te Lede van 17 mei 2021; − Brief van de procureur des Konings met betrekking tot een opsporingsonderzoek ten laste van [verzoeker] inzake schending van het beroepsgeheim te Lede op 27 april 2021 van 17 mei 2021; − Brief van de procureur des Konings met betrekking tot een opsporingsonderzoek ten laste van [verzoeker] inzake daden van willekeur, kennisnemen van niet voor publiek toegankelijke communicatie en inbreuk op de wet op de Gegevens Bescherming te Lede van 17 mei 2021. Deze onderzoeken zijn niet afgerond en nog lopende. De eerste voorwaarde om een voorlopige schorsing te kunnen opleggen, lijkt voldaan. Onverenigbaarheid van de aanwezigheid met het belang van de dienst De ernst van de kwalificatie van de feiten die het voorwerp uitmaken van de aangehaalde opsporingsonderzoeken ten laste van [verzoeker] creëren een XIV-38.826-19/43 voorlopige vertrouwensbreuk waardoor de goede werking van de lokale politiedienst van de PZ Erpe-Mere/Lede in het gedrang wordt gebracht. Het moreel gezag als korpschef wordt door de opsporingsonderzoeken ernstig aangetast, zowel ten aanzien van de gerechtelijke overheid, de bestuurlijke overheid als de leden van het korps. De procureur des Konings heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat het vertrouwen in [verzoeker] (zeer / uitermate) ernstig is geschonden en vraagt zijn ambt in kennis te stellen van de eventuele ordemaatregelen die het politiecollege overweegt. In dergelijke omstandigheden kan niet sereen worden samengewerkt en kunnen de opsporingsonderzoeken niet sereen worden uitgevoerd. De goede werking en het belang van de dienst kan enkel worden gevrijwaard als het vereiste vertrouwen aanwezig is om leiding te geven aan de leden van het korps en samen te werken met zowel de gerechtelijke overheid als de bestuurlijke overheid. Het belang van de dienst maakt dat de aanwezigheid van [verzoeker] op de dienst ermee onverenigbaar is. De tweede voorwaarde om een voorlopige schorsing te kunnen opleggen, lijkt voldaan. De cumulatieve voorwaarden om een voorlopige schorsing te kunnen opleggen, zijn voldaan. Duur van een voorlopige schorsing Artikel 61, eerste lid, Tuchtwet bepaalt dat (de verlenging van) een voorlopige schorsing wordt uitgesproken voor ten hoogste vier maanden. Deze maximale termijn lijkt wenselijk in het kader van de termijn noodzakelijk om de opsporingsonderzoeken sereen te laten verlopen en de resultaten ervan af te wachten. Inhouding van wedde Artikel 64, Tuchtwet staat toe dat de overheid die de voorlopige schorsing uitspreekt, kan beslissen dat die schorsing een inhouding van wedde omvat. De inhouding van wedde mag ten hoogste vijfentwintig procent van de brutowedde bedragen. De overheid waarborgt aan de betrokkene een nettowedde gelijk aan het bedrag van het bestaansminimum zoals dat wordt vastgesteld krachtens de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum. In geval van deeltijdse prestaties wordt dat bedrag evenredig met de omvang van de prestaties beperkt. Het politiecollege overweegt in de huidige stand van zaken evenwel niet om een voorlopige schorsing te koppelen aan een inhouding van wedde. Het personeelslid ontleent aan dit voorlopig standpunt geen rechten. Het politiecollege zal haar standpunt desgevallend actualiseren mocht een verlenging van de voorlopige schorsing noodzakelijk zijn. Bij gebrek aan nieuwe informatie blijft het politiecollege voorlopig in elk geval bij het voornemen om geen inhouding van wedde te koppelen aan de verlenging van een voorlopige schorsing. 6. Hoorrecht
  1. a)Artikel 62, Tuchtwet verleent aan het personeelslid waarvan de voorlopige schorsing wordt overwogen een hoorrecht na daartoe te zijn opgeroepen door een kennisgeving tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven.
  2. b)[Verzoeker] is opgeroepen om te worden gehoord per brief van 09 september 2021.
  3. c)[Verzoeker] is gehoord door het politiecollege op 15 september 2021 om 10u00. [Verzoeker] is bijgestaan door Mr. W. Van Steenbrugge en Mr. Esther Theyskens en heeft een schriftelijk verweer ingediend vergezeld van 18 geïnventariseerde stukken. Er is een verslag opgemaakt en ondertekend van de hoorzitting. XIV-38.826-20/43 Het pleidooi van de raadsman betreft de toelichting van het schriftelijk verweer. 7. Weerlegging van het gevoerde verweer Het politiecollege heeft kennis genomen van het schriftelijk en mondeling verweer en wenst dit als volgt te weerleggen. 1. Geen beroep tegen de beslissing van 25 mei 2021 tot voorlopige schorsing Het politiecollege stelt vooreerst vast dat er geen beroep is ingesteld geworden tegen de oorspronkelijke beslissing van 25 mei 2021 tot het opleggen van een voorlopige schorsing. Voor zover als nodig kan worden verwezen naar deze beslissing voor wat betreft de aldaar weerlegde bezwaren welke thans niet zijn hernomen. 2. Ruchtbaarheid in de media De ruchtbaarheid die in de media op basis van (anonieme) lekken / verklaringen wordt gegeven op basis van al dan niet correcte informatie inzake de diverse lopende opsporingsonderzoeken omtrent [verzoeker] betreurt het politiecollege ten zeerste. Deze ruchtbaarheid is evenwel noch de aanleiding noch het gevolg van enige beslissing van het politiecollege. Het politiecollege valt voor wat betreft deze ruchtbaarheid niets te verwijten. Wel integendeel, reeds uit de door de verdediging neergelegde persartikels blijkt uitdrukkelijk dat het politiecollege haar discretieplicht maximaal wenst na te leven. Bovendien is even uitdrukkelijk meegedeeld dat de voorlopige schorsing – zonder inhouding van wedde – enkel is ingegeven om de sereniteit van het onderzoek en de werking van de PZ Erpe-Mere – Lede te vrijwaren én ten aanzien van [verzoeker] het vermoeden van onschuld geldt. Het is aldus onjuist dat het politiecollege binnen haar mogelijkheden de reputatie van [verzoeker] niet zou hebben proberen beschermen. 3. Bestaan van diverse (nog lopende) opsporingsonderzoeken Het voldaan zijn aan de eerste voorwaarde om over te gaan tot het opleggen van een voorlopige schorsing kan niet worden betwist en is (voor zover als nodig) nogmaals bevestigd door de procureur des Konings: − Brief van de procureur des Konings met referte DE.25.99.[XXX]/21/TU04-21TU[XXX] van 14 september 2021, ontvangen op 15 september 2021; − Brief van de procureur des Konings met referte DE.52.58.[XX]/21/TU04-21TU[XXX] van 14 september 2021, ontvangen op 15 september 2021; − Brief van de procureur des Konings met referte DE.34.98.[XX]/21/TU04-21TU[XXX] van 14 september 2021, ontvangen op 15 september 2021. De procureur des Konings bevestigt daarin dat de opsporingsonderzoeken nog lopende zijn en op heden nog geen inzage/afschrift van het dossier kan worden verleend. Nogmaals wordt aangegeven dat de PZ Erpe-Mere – Lede op de hoogte zal worden gehouden van het verder verloop van de zaak. 4. Actualiseren van de feitelijke en juridische gegevens Het politiecollege betwist op geen enkele wijze dat op haar de verplichting rust om de feitelijke en juridische gegevens in het kader van een verlenging van de voorlopige schorsing te actualiseren. Zij betwist evenwel ten zeerste dat zij niet het nodige zou hebben gedaan. Op 17 mei 2021 heeft de procureur des Konings meegedeeld dat er diverse opsporingsonderzoeken lopen ten aanzien van korpschef [verzoeker] en dat de PZ Erpe-Mere – Lede op de hoogte zou worden gehouden van het verder verloop ervan. Ondanks de mededeling van de procureur des Konings dat de PZ Erpe-Mere – Lede ambtshalve op de hoogte zou worden gehouden, is de procureur des Konings reeds XIV-38.826-21/43 op 27 mei 2021 opnieuw aangeschreven om meer inzicht in de diverse opsporingsonderzoeken te willen verschaffen. In mondelinge contacten is daarop – ondanks de mededeling door de procureur des Konings dat de PZ Erpe-Mere – Lede op de hoogte zou worden gehouden –aangedrongen, maar is telkens aangeven dat de opsporingsonderzoeken nog lopende zijn en geen inzage/kopiename kan worden verleend. De PZ Erpe-Mere – Lede betreurt samen met de verdediging dat er niet sneller schriftelijke antwoorden worden verstrekt. Niettemin is zulks uiteindelijk na een laatste aandringen gebeurd middels de brieven van 14 september 2021, ontvangen op 15 september 2021 en waarvan is kennis genomen op 16 september 2021. Bovendien heeft het politiecollege de feitelijke en juridische gegevens ook geactualiseerd op basis van de initiatieven genomen door de verdediging waarvan zij op de hoogte is gehouden. De veelheid aan briefwisseling en andere initiatieven namens de verdediging hebben tot geen ander resultaat geleid dan de verzoeken namens het politiecollege. Geen van deze initiatieven hebben echter geleid tot bijkomende informatie en/of inzage/kopiename van het gerechtelijk dossier. In elk geval is er mee rekening gehouden en zijn ze betrokken bij het actualiseren van de feitelijke en juridische gegevens. Het gegeven dat na een actualisatie van de feitelijke en juridische gegevens de conclusie luidt dat ‘(i)n elk geval blijkt dat de diverse opsporingsonderzoeken nog lopende zijn en de situatie op heden niet anders is dan deze ten tijde van de beslissing over de oorspronkelijke voorlopige schorsing’, kan bezwaarlijk aan het politiecollege worden verweten, maar vormt slechts de enige mogelijke en terechte feitelijke en juridische vaststelling. Het politiecollege wenst samen met de verdediging dat er zo snel mogelijkheid (meer) duidelijkheid komt, maar zulks is op heden helaas nog niet het geval. 5. Onverenigbaarheid van de aanwezigheid van [verzoeker] met het belang van de dienst De verdediging meent dat er geen toereikende motieven worden aangereikt waarom de aanwezigheid van [verzoeker] onverenigbaar zou zijn met het belang van de dienst. De oproeping vermeldt dienaangaande (nochtans) het volgende: ‘… De ernst van de kwalificatie van de feiten die het voorwerp uitmaken van de aangehaalde opsporingsonderzoeken ten laste van [verzoeker] creëren een voorlopige vertrouwensbreuk waardoor de goede werking van de lokale politiedienst van de PZ Erpe-Mere/Lede in het gedrang wordt gebracht. Het moreel gezag als korpschef wordt door de opsporingsonderzoeken ernstig aangetast, zowel ten aanzien van de gerechtelijke overheid, de bestuurlijke overheid als de leden van het korps. De procureur des Konings heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat het vertrouwen in [verzoeker] (zeer / uitermate) ernstig is geschonden en vraagt zijn ambt in kennis te stellen van de eventuele ordemaatregelen die het politiecollege overweegt. In dergelijke omstandigheden kan niet sereen worden samengewerkt en kunnen de opsporingsonderzoeken niet sereen worden uitgevoerd. De goede werking en het belang van de dienst kan enkel worden gevrijwaard als het vereiste vertrouwen aanwezig is om leiding te geven aan de leden van het korps en samen te werken met zowel de gerechtelijke overheid als de bestuurlijke overheid. Het belang van de dienst maakt dat de aanwezigheid van [verzoeker] op de dienst ermee onverenigbaar is. …’ Het politiecollege stelt vast dat er geen betwisting wordt gevoerd, minstens kan worden gevoerd over: XIV-38.826-22/43 − het gegeven van de ernst van de kwalificatie van de feiten die het voorwerp uitmaken van de aangehaalde opsporingsonderzoeken ten laste van [verzoeker]; − de korpschef is het aanspreekpunt namens de PZ Erpe-Mere/Lede voor de bestuurlijke en gerechtelijke overheden; − een voorlopige vertrouwensbreuk bestaat ten aanzien de gerechtelijke overheid waardoor de goede werking van de lokale politiedienst van de PZ Erpe-Mere/Lede in het gedrang wordt gebracht; − de noodzaak om de sereniteit van het onderzoek te bewaren; − het moreel gezag door de opsporingsonderzoeken ernstig wordt aangetast, zowel ten aanzien van de gerechtelijke overheid, de bestuurlijke overheid als de leden van het korps. Het politiecollege zelf wordt niet enkel geconfronteerd met een opsporingsonderzoek naar aanleiding van de resultaten van het rapport van het Controleorgaan op de politionele informatie van 26 maart 2021, maar met twee bijkomende opsporingsonderzoeken. Het mag dan goed zijn dat het politiecollege op heden geen kennis heeft van bezwarende elementen in hoofde van [verzoeker] waarbij zijn individuele verantwoordelijkheid in het gedrang wordt gebracht, maar zulks maakt net het voorwerp uit van het lopende opsporingsonderzoek waarbij de procureur des Konings aangeeft dat het vertrouwen (ernstig) is geschonden. Het standpunt dat de verdediging reeds met succes elke schuld aan enig misdrijf heeft weerlegd, is thans voorbarig. Een beoordeling ten gronde van de feiten maakt op zich niet het voorwerp uit van een beslissing tot voorlopige schorsing. Een eerste opsporingsonderzoek ten laste van [verzoeker] heeft betrekking op valsheid in geschriften als openbaar ambtenaar en gebruik ervan te Lede. Noch het politiecollege, noch de verdediging beschikt over aanvullende informatie. Een tweede opsporingsonderzoek ten laste van [verzoeker] heeft betrekking op de schending van het beroepsgeheim te Lede op 27 april 2021. Daarbij wordt gewag gemaakt van het volgende: ‘… Hierbij is gebleken dat de korpschef derden in kennis stelt van door politie vastgestelde strafrechtelijke inbreuken en daaruit voortvloeiende gerechtelijke onderzoeken. […]. Mijn Ambt zag zich zelfs genoodzaakt om in het belang van de zaak het verder onderzoek in deze zaak weg te trekken vanuit de PZ Erpe-Mere/Lede. …’ De verdediging brengt een verklaring bij van [verzoeker] in het kader van het opsporingsonderzoek waarin hij de feiten kadert en betwist. Niettemin blijft zulks een enkel stuk uit het gerechtelijk dossier zonder dat kennis is kunnen worden genomen van de overige stukken. In het geval uit de resultaten van het onderzoek zou blijken dat er sprake zou zijn van onterechte beschuldigingen en revanche, zal het politiecollege de gepaste maatregelen nemen. Het politiecollege beoordeelt het bestaan van de diverse opsporingsonderzoeken bijgevolg wel degelijk concreet en naar de feiten en hun kwalificatie. De door de verdediging aangehaalde rechtspraak gaat in de voorliggende casus niet op. Er kan niet omheen de vaststelling worden gegaan dat niet een inspecteur van politie het voorwerp uitmaakt van de diverse opsporingsonderzoeken, maar wel de korpschef. De persaandacht is noch de aanleiding, noch het gevolg van een beslissing over de (verlenging van
  4. de)voorlopige schorsing. Het gaat evenmin over feiten die slechts na vier jaar ter kennis worden gebracht van de tuchtoverheid en waarna deze nogmaals twee jaar wacht om over te gaan tot voorlopige schorsing omwille van een doorverwijzing naar de correctionele rechtbank voor vermeende feiten inzake het niet verlenen van hulp. XIV-38.826-23/43 De procureur des Konings heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat het vertrouwen in [verzoeker] (zeer / uitermate) ernstig is geschonden en vraagt zijn ambt in kennis te stellen van de eventuele ordemaatregelen. Een korpschef is het aanspreekpunt voor de procureur des Konings. De verdediging kan bijgevolg niet voorhouden dat [verzoeker] zou worden afgerekend op de initiatieven van zijn raadsman ten aanzien van de procureur des Konings / procureur-generaal. Het is ten volste het recht van [verzoeker] om deze initiatieven te nemen in het kader van zijn recht van verdediging. Niettemin is het geen ‘cirkelredenering’ van het politiecollege op grond daarvan de feitelijke vaststelling te maken dat deze initiatieven er lijken op te wijzen dat er des te meer noodzaak bestaat om de sereniteit binnen het korps te bewaren tijdens de diverse opsporingsonderzoeken en de klachten dan wel bezwaren die daaromtrent worden geformuleerd. Het politiecollege en [verzoeker] kunnen enkel samen de resultaten van de opsporingsonderzoeken afwachten. Het afwachten van de betwistingen voor de Nederlandstalige Rechtbank van Eerste Aanleg Brussel is weinig zinvol gezien de pleidooien zijn vastgesteld op 22 december 2022. In dergelijke omstandigheden kan niet sereen worden samengewerkt en kunnen de opsporingsonderzoeken niet sereen worden uitgevoerd. De goede werking en het belang van de dienst kan enkel worden gevrijwaard als het vereiste vertrouwen aanwezig is om leiding te geven aan de leden van het korps en samen te werken met zowel de gerechtelijke overheid als de bestuurlijke overheid. Het belang van de dienst maakt dat de aanwezigheid van [verzoeker] op de dienst ermee tijdelijk onverenigbaar is. In deze omstandigheden kan het politiecollege niet worden verweten een tijdelijke en bewarende ordemaatregel te nemen in afwachting van de resultaten van een opsporingsonderzoek dat in alle sereniteit kan verlopen. Impliciet moet de verdediging zulks ook erkennen gezien tijdens de hoorzitting is aangegeven dat hoe de daadwerkelijke re-integratie zou moeten verlopen een ander paar mouwen is en nog zou moeten worden bekeken. Tot slot nog het volgende. Het politiecollege blijft alle begrip opbrengen over het gegeven dat deze beslissing voor [verzoeker] moeilijk valt. Begrijpelijkerwijs wordt emotioneel gereageerd op het bestaan van meerdere opsporingsonderzoeken waarvan hij het concrete voorwerp niet (b)lijkt te kennen. Zulks is evenwel des te meer van aard om de sereniteit van het onderzoek te bewaren en de situatie ten gepaste tijde opnieuw te evalueren.” 17. Verzoeker voert in het eerste middelonderdeel in essentie aan dat het politiecollege geen deugdelijke redenen had om te besluiten dat zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst, zodat niet voldaan is aan één van de grondvoorwaarden om de voorlopige schorsing te verlengen. Uit de hierboven weergegeven formele motivering van de bestreden beslissing blijkt dat het politiecollege het voldaan zijn aan de voorwaarde dat verzoekers aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst heeft beoordeeld en besluit dat deze voorwaarde vervuld is gelet op: XIV-38.826-24/43 - de ernst van de kwalificatie van de feiten die het voorwerp uitmaken van de drie opsporingsonderzoeken ten laste van verzoeker; - het feit dat die een voorlopige vertrouwensbreuk creëren waardoor de goede werking van de lokale politiedienst van de PZ Erpe-Mere/Lede in het gedrang wordt gebracht; - de overweging dat het moreel gezag van verzoeker als korpschef door de opsporingsonderzoeken ernstig wordt aangetast, zowel ten aanzien van de gerechtelijke overheid, de bestuurlijke overheid als de leden van het korps; - het feit dat de procureur des Konings uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat het vertrouwen in verzoeker (zeer / uitermate) ernstig is geschonden en vraagt haar ambt in kennis te stellen van de eventuele ordemaatregelen die het politiecollege overweegt; - dat in dergelijke omstandigheden niet sereen kan worden samengewerkt en de opsporingsonderzoeken niet sereen kunnen worden uitgevoerd; - dat de goede werking en het belang van de dienst enkel kan worden gevrijwaard als het vereiste vertrouwen aanwezig is om leiding te geven aan de leden van het korps en samen te werken met zowel de gerechtelijke overheid als de bestuurlijke overheid. Verzoeker beperkt zich, wat het eerste onderdeel betreft, in zijn verzoekschrift veeleer tot de algemene kritiek dat de bestreden beslissing “geen enkel geoorloofd motief” bevat die de beslissing kan verantwoorden en zet omstandig uiteen dat het politiecollege onvoldoende heeft gedaan om via een eigen onderzoek te achterhalen welke feiten het voorwerp vormen van de opsporingsonderzoeken. Meer specifiek bekritiseert hij het motief dat verwijst naar de briefwisseling met de procureur des Konings en het gebrek aan vertrouwen van de procureur des Konings in verzoeker. Verzoeker uit evenwel geen kritiek op een aantal dragende motieven van de bestreden beslissing, met name het bestaan van drie opsporingsonderzoeken, dat de kwalificaties van de feiten die worden onderzocht ernstig zijn, dat er daardoor sprake is van een voorlopige vertrouwensbreuk en dat verzoekers moreel gezag als korpschef is aangetast, dat in die omstandigheden niet sereen kan worden samengewerkt en het belang en de XIV-38.826-25/43 goede werking van de dienst in het gedrang komen. Met deze dragende motieven is het politiecollege uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens die voorhanden waren. Noch blijkt dat zij die niet correct heeft beoordeeld. Verzoeker toont aldus niet aan dat het politiecollege, door het oordeel dat verzoekers aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst op de voormelde motieven te steunen, de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid heeft overschreden en niet in redelijkheid tot de bestreden beslissing kon komen. 18. Uit de hiervoor weergegeven formele motivering blijkt dat verzoeker eruit kan afleiden op basis van welke juridische en feitelijke overwegingen tot de voorlopige schorsing werd besloten, zodat voldaan is aan de formelemotiveringsplicht vervat in de wet van 29 juli 1991. Bij gebrek aan kritiek op de voornoemde dragende motieven van de bestreden beslissing, toont verzoeker niet aan dat deze motieven niet afdoende zijn om de bestreden beslissing te kunnen dragen. Evenmin toont hij bij gebrek aan kritiek op de voormelde motieven aan dat het bestaan ervan niet naar behoren bewezen zou zijn, noch dat ze niet in rechte ter verantwoording van de bestreden beslissing in aanmerking kunnen worden genomen. De formelemotiveringsplicht vervat in de wet van 29 juli 1991, noch de materiëlemotiveringsplicht zijn geschonden. 19. Waar verzoeker opwerpt dat het politiecollege een eigen onderzoek moet voeren naar de feiten en de verantwoordelijkheid van verzoeker, dat het voldoende inspanningen moet leveren om een zicht te krijgen op wat er precies wordt verweten aan verzoeker, dat het niet louter mag verwijzen naar de briefwisseling van de procureur des Konings en niet zonder meer mag wijzen op de strafrechtelijke kwalificaties van de feiten die het voorwerp vormen van de opsporingsonderzoeken, vergist hij zich over de draagwijdte van de door hem geschonden geachte rechtsregels en beginselen van behoorlijk bestuur. De enige voorwaarden die artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet formuleert ten aanzien van (een verlenging van) een voorlopige schorsing zijn enerzijds het bestaan van een tuchtprocedure, een opsporingsonderzoek of een XIV-38.826-26/43 strafvervolging – voorwaarde waarvan verzoeker niet betwist dat ze vervuld is –, en anderzijds dat de aanwezigheid van het personeelslid onverenigbaar is met het belang van de dienst. Zoals hierboven overwogen, blijkt uit de formele motivering van de bestreden beslissing dat aan deze voorwaarden voldaan is. Geen van de door verzoeker geschonden geachte rechtsregels of beginselen van behoorlijk bestuur vereist dat het bestuur voorafgaand aan de beslissing over een voorlopige schorsing een eigen onderzoek voert naar de feiten die het voorwerp vormen van de opsporingsonderzoeken en de verantwoordelijkheid van het personeelslid. De schuldvraag is in het kader van de ordemaatregel die de voorlopige schorsing is, immers niet aan de orde. Bijgevolg moet het bestuur geen inspanningen leveren om zelf te onderzoeken welke feiten verzoeker precies worden verweten in het kader van de drie opsporingsonderzoeken. De vaststelling dat verzoeker het voorwerp vormt van drie opsporingsonderzoeken, naast de afweging dat verzoekers aanwezigheid om de aangehaalde redenen onverenigbaar is met het belang van de dienst, volstaan om de ordemaatregel van de voorlopige schorsing op te leggen. Dat de feiten niet bewezen zijn, is niet relevant ter beoordeling van de vraag of verzoekers aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst. In de memorie van wederantwoord werpt verzoeker in dit verband bijkomend op, enerzijds dat het politiecollege kon overgaan tot het verhoren van bepaalde personen om na te gaan wat precies aan verzoeker wordt verweten, anderzijds dat de overweging in de bestreden beslissing, dat de feitelijke en juridische gegevens werden geactualiseerd op basis van initiatieven genomen door de verdediging, niet kan worden beschouwd als het voeren van een eigen onderzoek. Verzoeker had deze argumenten ter adstructie van zijn middel reeds kunnen aanvoeren en ontwikkelen in zijn verzoekschrift. In die mate geeft verzoeker aldus in wezen op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Deze argumenten zijn derhalve laattijdig en niet-ontvankelijk. XIV-38.826-27/43 Ook de verwijzing ter terechtzitting en in de pleitnota naar een recent arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), dat verzoeker ook neerlegt, noopt niet tot een ander oordeel. Verzoeker benadrukt daarbij dat volgens dit arrest gerechtelijke onderzoeken des te performanter moeten zijn wanneer overheidsfouten worden onderzocht, wat volgens hem het geval is. De bestreden beslissing betreft evenwel een loutere ordemaatregel in het belang van de dienst en verzoeker zet niet uiteen hoe het performanter moeten zijn van het gerechtelijk onderzoek tot de onwettigheid van de bestreden beslissing zou leiden. In de mate dat verzoeker uit het arrest van het EHRM afleidt dat het politiecollege een eigen onderzoek had moeten voeren, herhaalt verzoeker louter wat hij reeds in zijn verzoekschrift aanvoerde en wat hiervoor ongegrond is bevonden. 20. Verzoekers argument dat het bestuur zich niet mag verschuilen achter de formele kennisgeving door de procureur des Konings of de strafrechtelijke kwalificaties van de feiten, wordt niet gevolgd. Bij gebrek aan toelating om inzage in of een afschrift van het strafdossier te bekomen, beschikte het politiecollege niet over de mogelijkheid om meer duidelijkheid te bekomen over de aan de opsporingsonderzoeken ten grondslag liggende materiële feiten, laat staan dat het politiecollege over de mogelijkheid beschikte om die feiten aan een eigen onderzoek te onderwerpen. Het is niet onredelijk om op basis van de te dezen beschikbare informatie te besluiten dat de strafrechtelijke kwalificaties van de feiten, voorwerp van de opsporingsonderzoeken, ernstig zijn, dat ze een “voorlopige” vertrouwensbreuk met zich brengen, dat ze verzoekers moreel gezag als korpschef aantasten zowel ten aanzien van de gerechtelijke overheid, de bestuurlijke overheid als de leden van het korps, dat in overweging wordt genomen het feit dat de procureur des Konings uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat het vertrouwen in verzoeker (zeer / uitermate) ernstig is geschonden, dat wordt overwogen dat in dergelijke omstandigheden niet sereen kan worden samengewerkt en de opsporingsonderzoeken niet sereen kunnen worden uitgevoerd en dat tot slot wordt XIV-38.826-28/43 opgemerkt dat de goede werking en het belang van de dienst enkel kan worden gevrijwaard als het vereiste vertrouwen aanwezig is om leiding te geven aan de leden van het korps en samen te werken met zowel de gerechtelijke overheid als de bestuurlijke overheid. 21. Verzoekers argument dat het politiecollege geen nieuw onderzoek heeft gevoerd naar de voorwaarde van de onverenigbaarheid van zijn aanwezigheid met het belang van de dienst, wordt evenmin bijgevallen. Het politiecollege heeft op 27 mei 2021, na de eerste beslissing tot voorlopige schorsing, een brief gericht aan de procureur des Konings met het verzoek om “in de mate van het mogelijke in kennis te worden gesteld van objectieve informatie over de feiten die het voorwerp uitmaken van de opsporingsonderzoeken zodat zij op een correcte manier kan optreden en reageren”. Deze brief werd door de procureur des Konings beantwoord met drie brieven (één per opsporingsonderzoek) van 14 september 2021, waarvan het politiecollege kennis heeft genomen op 16 september 2021 en die betrokken zijn bij de beoordeling in de bestreden beslissing. Verzoeker toont niet aan waarom het versturen van één brief “geen voldoende inspanning” is om de gegevens in het kader van de verlenging van de voorlopige schorsing te actualiseren, te meer verzoeker dit argument steunt op de vermeende plicht in hoofde van het bestuur om een eigen onderzoek te voeren naar de feiten, terwijl hiervoor is vastgesteld dat er geen dergelijke plicht rust op het bestuur. 22. Verzoeker kan evenmin worden gevolgd in het standpunt dat de bestreden beslissing niet meer kan verwijzen naar de brieven van de procureur des Konings van 17 mei 2021, omdat in de recentere brieven van 14 september 2021 niet langer expliciet wordt vermeld dat het vertrouwen van de procureur des Konings in verzoeker nog steeds geschonden zou zijn. De brieven van de procureur des Konings van 14 september 2021 zijn een louter formeel antwoord op de vraag van het politiecollege van 27 XIV-38.826-29/43 mei 2021 om meer informatie over de lopende opsporingsonderzoeken te kunnen bekomen. Uit de formele weigering om inzage/afschrift te verlenen omdat de opsporingsonderzoeken nog lopen, kan geenszins worden afgeleid – zoals verzoeker ten onrechte doet – dat het vertrouwen van de procureur des Konings in verzoeker op 14 september 2021 niet langer geschonden zou zijn. Dat vertrouwen was immers niet het voorwerp van de brief, waarop de brieven van de procureur des Konings een antwoord zijn. Er valt dan ook niet in te zien waarom de bestreden beslissing niet langer zou mogen verwijzen naar het geschonden vertrouwen, verwoord in de brieven van de procureur des Konings van 17 mei 2021, nu uit niets blijkt dat dit standpunt herzien zou zijn. De in de bestreden beslissing vastgestelde onverenigbaarheid van verzoekers aanwezigheid met het belang van de dienst steunt overigens niet enkel op het gebrek aan vertrouwen van de procureur des Konings in verzoeker, maar zoals hierboven aangegeven (zie supra, punt 14) ook op andere motieven en uit niets blijkt dat de opzeg van het vertrouwen door de procureur des Konings het enige decisieve motief is van de bestreden beslissing. 23. Verder verwijst verzoeker naar de overweging in de bestreden beslissing dat het politiecollege op heden geen kennis heeft van bezwarende elementen in hoofde van verzoeker waarbij zijn individuele verantwoordelijkheid in het gedrang wordt gebracht. De conclusie die verzoeker hieruit trekt, met name dat het politiecollege bevestigt niet over enige grond te beschikken om te oordelen dat verzoekers aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst, getuigt van een te selectieve lezing van de bestreden beslissing waaruit integendeel blijkt, zoals hierboven weergegeven (zie supra, punt 14), dat de motivering van de onverenigbaarheid van verzoekers aanwezigheid met het belang van de dienst op diverse motieven berust. 24. Verzoeker uit ook kritiek op “twee bijkomende ongeoorloofde en zelfs onwettige overwegingen” in de bestreden beslissing. XIV-38.826-30/43 Hij meent allereerst in de bestreden beslissing te lezen dat het politiecollege hem de initiatieven die hij heeft genomen om zijn rechten te vrijwaren en de geleden schade te herstellen ten kwade duidt, terwijl dit wettelijke rechtsmiddelen zijn waarover hij beschikt, zodat dit geen deugdelijk motief voor de bestreden beslissing kan zijn. Verzoeker meent deze houding van de verwerende partij te kunnen afleiden uit de volgende passage: “de feitelijke vaststelling dat deze initiatieven er lijken op te wijzen dat er des te meer noodzaak bestaat om de sereniteit binnen het korps te bewaren tijdens de diverse opsporingsonderzoeken en de klachten dan wel bezwaren die daaromtrent worden geformuleerd.” Allereerst wordt opgemerkt dat de door verzoeker geviseerde zin uit zijn context gerukt is. Deze zin maakt deel uit van de “uiteenzetting van de feiten en omstandigheden” in de bestreden beslissing en de volledige passage luidt als volgt: “Op 27 mei 2021 is de procureur des Konings aangeschreven naar aanleiding van persartikels met het verzoek om bijkomende informatie te krijgen. Op het ogenblik van de oproeping is hierop geen schriftelijk antwoord gekomen. In mondelinge contacten is daarop - ondanks de mededeling door de procureur des Konings dat de PZ Erpe-Mere - Lede op de hoogte zou worden gehouden - aangedrongen, maar is telkens aangeven dat de opsporingsonderzoeken nog lopende zijn en geen inzage/kopiename kan worden verleend. In elk geval blijkt dat de diverse opsporingsonderzoeken nog lopende zijn en de situatie op heden niet anders is dan deze ten tijde van de beslissing over de oorspronkelijke voorlopige schorsing. Bijkomend wordt rekening gehouden met: - Brief van de raadsman van [verzoeker] met bijlagen van 18 augustus 2021 - Brief van de raadsman van [verzoeker] met bijlagen van 19 augustus 2021 Uit voormelde briefwisseling blijkt dat de raadsman van [verzoeker]: - net als het politiecollege nog geen aanvullende informatie heeft gekregen vanwege de procureur des Konings over de lopende diverse opsporingsonderzoeken; - een klacht met burgerlijke partijstelling heeft ingediend op 4 juni 2021 - een dagvaarding in kort geding heeft uitgebracht ten aanzien van de Belgische Staat op 03 september 2021. De initiatieven van de raadsman van [verzoeker] doen geen afbreuk aan de mogelijkheid om te beslissen over een verlenging van de voorlopige schorsing. Meer nog, deze initiatieven lijken er op te wijzen dat er des te meer noodzaak bestaat om de sereniteit binnen het korps te bewaren tijdens de diverse opsporingsonderzoeken en de klachten dan wel bezwaren die daaromtrent worden geformuleerd.” XIV-38.826-31/43 XIV-38.826-32/43 In de bestreden beslissing wordt onder de titel “weerlegging van het gevoerde verweer” verder het volgende overwogen: “De procureur des Konings heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat het vertrouwen in [verzoeker] (zeer / uitermate) ernstig is geschonden en vraagt zijn ambt in kennis te stellen van de eventuele ordemaatregelen. Een korpschef is het aanspreekpunt voor de procureur des Konings. De verdediging kan bijgevolg niet voorhouden dat [verzoeker] zou worden afgerekend op de initiatieven van zijn raadsman ten aanzien van de procureur des Konings / procureur-generaal. Het is ten volste het recht van [verzoeker] om deze initiatieven te nemen in het kader van zijn recht van verdediging. Niettemin is het geen ‘cirkelredenering’ van het politiecollege op grond daarvan de feitelijke vaststelling te maken dat deze initiatieven er lijken op te wijzen dat er des te meer noodzaak bestaat om de sereniteit binnen het korps te bewaren tijdens de diverse opsporingsonderzoeken en de klachten dan wel bezwaren die daaromtrent worden geformuleerd. Het politiecollege en [verzoeker] kunnen enkel samen de resultaten van de opsporingsonderzoeken afwachten. Het afwachten van de betwistingen voor de Nederlandstalige Rechtbank van Eerste Aanleg Brussel is weinig zinvol gezien de pleidooien zijn vastgesteld op 22 december 2022. In dergelijke omstandigheden kan niet sereen worden samengewerkt en kunnen de opsporingsonderzoeken niet sereen worden uitgevoerd.” Hieruit blijkt dat het politiecollege de initiatieven die verzoeker heeft genomen hem niet ten kwade duidt en daarentegen expliciet erkent dat dit verzoekers “volste recht” is. Verzoekers kritiek mist aldus feitelijke grondslag. Voorts wordt opgemerkt dat de door verzoeker geviseerde zin deel uitmaakt van de “uiteenzetting van de feiten en omstandigheden” waarbij de bestreden beslissing ook aandacht besteed aan de initiatieven van verzoeker en waarbij verzoeker wordt uitgenodigd “om het politiecollege op de hoogte te houden van het verloop en het resultaat van deze initiatieven zodat telkens met volledige kennis van zaken kan worden geoordeeld”. In het onderdeel in de bestreden beslissing waarin het politiecollege omstandig antwoordt op het door verzoeker gevoerde verweer, wordt vervolgens gepreciseerd dat verzoekers initiatieven zijn “volste recht” zijn. Uit het geheel van de formele motivering en de structuur van de bestreden beslissing en de plaats daarin van de door verzoeker geviseerde zin, blijkt dat zijn kritiek slaat op een overtollig motief. Verzoekers kritiek op een dergelijk overtollig motief kan niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. XIV-38.826-33/43 25. Het tweede “bijkomende” motief dat verzoeker onwettig acht is dat verzoeker emotioneel reageert op het bestaan van de opsporingsonderzoeken en dat dit de verlenging van de voorlopige schorsing verantwoordt om de sereniteit van het onderzoek te bewaren. In de bestreden beslissing wordt dit onder de titel “weerlegging van het gevoerde verweer” als volgt verwoord: “Tot slot nog het volgende. Het politiecollege blijft alle begrip opbrengen over het gegeven dat deze beslissing voor [verzoeker] moeilijk valt. Begrijpelijkerwijs wordt emotioneel gereageerd op het bestaan van meerdere opsporingsonderzoeken waarvan hij het concrete voorwerp niet (b)lijkt te kennen. Zulks is evenwel des te meer van aard om de sereniteit van het onderzoek te bewaren en de situatie ten gepaste tijde opnieuw te evalueren.” Uit deze passage en de plaats ervan in de bestreden beslissing blijkt dat ook deze overweging slechts een bijkomend motief is dat op zich geen afbreuk doet aan de andere motieven die de bestreden beslissing schragen. Verzoeker kan daarbij ook niet ernstig voorhouden dat de stelling dat de bestreden beslissing hem moeilijk valt en dat het bestaan van meerdere opsporingsonderzoeken waarvan hij het voorwerp niet blijkt te kennen hem emotioneel raakt, niet correct is. Dat het politiecollege op grond daarvan besluit dat dit gegeven “des te meer” de bestreden beslissing verantwoordt om “de sereniteit van het onderzoek te bewaren” druist niet in tegen de voorwaarde van artikel 59 van de tuchtwet dat een voorlopige schorsing bij ordemaatregel slechts kan opgelegd worden als de aanwezigheid van de betrokkene onverenigbaar is met het belang van de dienst. Immers, het gegeven dat de procureur des Konings expliciet te kennen heeft gegeven dat het vertrouwen van haar ambt in verzoeker ernstig geschonden is, toont aan dat de sereniteit van het onderzoek in het gedrang komt wanneer verzoeker zijn functie van korpschef, die het aanspreekpunt is voor de procureur des Konings, blijft uitoefenen. In die omstandigheden zou de aanwezigheid van verzoeker in de dienst de sereniteit van het onderzoek in het gedrang brengen en aldus de goede werking van de dienst hypothekeren. XIV-38.826-34/43 26. Verzoeker toont niet aan dat het politiecollege, door te oordelen dat voldaan is aan de voorwaarde dat verzoekers aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst, artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet heeft geschonden, de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid heeft overschreden of onredelijk of onzorgvuldig heeft gehandeld. 27. In zoverre verzoeker voor het eerst in de laatste memorie nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, zoals onder meer de schending van zijn rechten van verdediging omdat de bestreden beslissing verwijst naar mondelinge contacten met het parket en naar de brieven van de procureur des Konings van 16 september 2021, die geen van alle aan zijn tegenspraak zijn onderworpen, toont verzoeker niet aan dat hij die niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. 28. Het eerste middelonderdeel is in die mate ongegrond. B. Tweede onderdeel 29. In een tweede onderdeel voert verzoeker aan dat het politiecollege het zorgvuldigheidsbeginsel en de motiveringsplicht schendt door de door hem aangevoerde argumenten niet in aanmerking te nemen, noch te beantwoorden. Meer concreet verwijt verzoeker de bestreden beslissing niet afdoende te hebben geantwoord op het verweerelement dat verzoeker ten stelligste elke betrokkenheid bij strafbare feiten betwist en daarbij voor elk van de drie opsporingsonderzoeken op een aantal elementen wees. Met de overweging dat de door verzoeker bijgebrachte verklaring in het kader van één van de opsporingsonderzoeken slechts “een enkel stuk uit het gerechtelijk dossier” is, schendt de bestreden beslissing volgens verzoeker het vermoeden van onschuld. Bovendien schenden “de stellingnames” in de bestreden beslissing artikel 59, eerste lid van de tuchtwet. XIV-38.826-35/43 30. De draagwijdte van de geschonden geachte bepaling en beginselen van behoorlijk bestuur werd hiervoor reeds uiteengezet (zie supra, punt 15). Er wordt naar verwezen. Verzoeker zet niet uiteen hoe artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet op een andere wijze dan uiteengezet in zijn eerste middelonderdeel wordt geschonden. Er wordt bijgevolg verwezen naar de beoordeling van het eerste middelonderdeel. 31. De door verzoeker aangevoerde verweerelementen worden ontmoet in de formele motivering van de bestreden beslissing onder de titel “weerlegging van het gevoerde verweer” en wel als volgt: “Het politiecollege zelf wordt niet enkel geconfronteerd met een opsporingsonderzoek naar aanleiding van de resultaten van het rapport van het Controleorgaan op de politionele informatie van 26 maart 2021, maar met twee bijkomende opsporingsonderzoeken. Het mag dan goed zijn dat het politiecollege op heden geen kennis heeft van bezwarende elementen in hoofde van [verzoeker] waarbij zijn individuele verantwoordelijkheid in het gedrang wordt gebracht, maar zulks maakt net het voorwerp uit van het lopende opsporingsonderzoek waarbij de procureur des Konings aangeeft dat het vertrouwen (ernstig) is geschonden. Het standpunt dat de verdediging reeds met succes elke schuld aan enig misdrijf heeft weerlegd, is thans voorbarig. Een beoordeling ten gronde van de feiten maakt op zich niet het voorwerp uit van een beslissing tot voorlopige schorsing. Een eerste opsporingsonderzoek ten laste van [verzoeker] heeft betrekking op valsheid in geschriften als openbaar ambtenaar en gebruik ervan te Lede. Noch het politiecollege, noch de verdediging beschikt over aanvullende informatie. Een tweede opsporingsonderzoek ten laste van [verzoeker] heeft betrekking op de schending van het beroepsgeheim te Lede op 27 april 2021. Daarbij wordt gewag gemaakt van het volgende: ‘… Hierbij is gebleken dat de korpschef derden in kennis stelt van door politie vastgestelde strafrechtelijke inbreuken en daaruit voortvloeiende gerechtelijke onderzoeken. (...) Mijn Ambt zag zich zelfs genoodzaakt om in het belang van de zaak het verder onderzoek in deze zaak weg te trekken vanuit de PZ Erpe-Mere/Lede. …’ De verdediging brengt een verklaring bij van [verzoeker] in het kader van het opsporingsonderzoek waarin hij de feiten kadert en betwist. Niettemin blijft zulks een enkel stuk uit het gerechtelijk dossier zonder dat kennis is kunnen worden genomen van de overige stukken. In het geval uit de resultaten van het onderzoek zou blijken dat er sprake zou zijn van onterechte beschuldigingen en revanche, zal het politiecollege de gepaste maatregelen nemen.” XIV-38.826-36/43 Hoewel de formelemotiveringsplicht het bestuur er niet toe verplicht uitdrukkelijk te antwoorden op alle door het personeelslid tijdens de procedure opgeworpen argumenten, moet uit zijn beslissing wel kunnen worden opgemaakt dat het verweer van het personeelslid daadwerkelijk in de besluitvorming is betrokken. Hieruit volgt dat het bestuur niet uitvoerig moet antwoorden op elk van deze argumenten. Wel moet impliciet of expliciet blijken dat de argumentatie van de betrokkene in de besluitvorming werd betrokken en moet hieruit minstens impliciet kunnen worden afgeleid waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. 32. Uit de formele motivering van de bestreden beslissing blijkt dat het gevoerde verweer, meer bepaald de betwisting van elke betrokkenheid bij strafbare feiten, daadwerkelijk in de besluitvorming werd betrokken, zodat verzoeker minstens impliciet uit de formele motivering kan afleiden waarom zijn argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. Dat volstaat in het licht van de door verzoeker geschonden geachte formelemotiveringsplicht, te meer dat verzoeker zich in het middel in eerste instantie beperkt tot het formuleren van een algemene kritiek. Voorts gaat de formelemotiveringsplicht niet zover dat ze het bestuur ertoe zou verplichten de uitgedrukte motieven nog nader te expliciteren. De enkele omstandigheid dat verzoeker zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering of meent dat die verder moet gaan, maakt die daarom niet onwettig. Overigens blijkt dat verzoeker deze motieven kent en er daadwerkelijk verweer heeft op gevoerd. De argumenten van verzoeker leiden niet tot een ander besluit. Verzoeker uit kritiek op de volgende overweging in de bestreden beslissing: “Het standpunt dat de verdediging reeds met succes elke schuld aan enig misdrijf heeft weerlegd, is thans voorbarig.” Verzoeker zet niet uiteen hoe het feit dat dit verweerelement enkel slaat op één van de opsporingsonderzoeken (de zogenaamde “afluisterpraktijken”), de formele motivering van de bestreden beslissing gebrekkig zou maken. XIV-38.826-37/43 Verzoeker ontwaart in de geciteerde zin ook een tegenstrijdigheid met de beslissing van 25 mei 2021 waarin wordt overwogen dat het opsporingsonderzoek betreffende de zogenaamde “afluisterpraktijken” geen grond vormde voor de voorlopige schorsing. Verzoeker toont echter niet aan dat het steunen op het bestaan van dit opsporingsonderzoek, naast de twee andere opsporingsonderzoeken, in een nieuwe beslissing en dit in tegenstelling tot in de eerste beslissing tot voorlopige schorsing, de door hem aangehaalde rechtsregels en beginselen van behoorlijk bestuur schendt. Dit geldt te meer nu de door verzoeker geviseerde zin in het geheel van de formele motivering moet worden beoordeeld en die zin onder meer wordt gevolgd door de zin: “Een beoordeling ten gronde van de feiten maakt op zich niet het voorwerp uit van een beslissing tot voorlopige schorsing.” Hiermee bevestigt de bestreden beslissing nogmaals dat bij een voorlopige schorsing niet het bewijs van de onderliggende feiten aan de orde is, maar enkel de vraag of voldaan is aan de voorwaarden tot voorlopige schorsing geformuleerd in artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet. 33. Verzoeker uit verder kritiek op de overweging dat de door hem neergelegde verklaring in het kader van het opsporingsonderzoek over de schending van het beroepsgeheim “een enkel stuk uit het gerechtelijk dossier” is “zonder dat kennis is kunnen worden genomen van de overige stukken” en dat als “uit de resultaten van het onderzoek zou blijken dat er sprake zou zijn van onterechte beschuldigingen en revanche” het politiecollege de gepaste maatregelen zal nemen. Verzoeker leidt hieruit af dat de voorlopige schorsing een semiautomatisch gevolg is van het bestaan van de opsporingsonderzoeken en slechts ongedaan moet worden gemaakt eens zijn onschuld definitief blijkt, wat strijdig is met het vermoeden van onschuld. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt, betekent het bezorgen aan het politiecollege van de door verzoeker afgelegde verklaring niet dat het opsporingsonderzoek daarmee is afgehandeld, zodat het niet onredelijk noch onzorgvuldig is om de resultaten van het onderzoek af te wachten vooraleer definitieve conclusies te koppelen aan verzoekers verklaring. Dit geldt te meer daar XIV-38.826-38/43 in de context van een voorlopige schorsing de schuldvraag niet aan de orde is, zodat a fortiori het vermoeden van onschuld niet wordt geschonden door een beoordeling van de grond van de zaak uit te stellen tot het politiecollege op basis van de resultaten van het opsporingsonderzoek met kennis van zaken kan oordelen. Om dezelfde redenen moest de verwerende partij de inhoud van verzoekers verklaring afgelegd in één van de drie opsporingsonderzoeken niet aan een deugdelijk inhoudelijk onderzoek onderwerpen. Dat de voorlopige schorsing een semiautomatisch gevolg is van het bestaan van de opsporingsonderzoeken toont verzoeker evenmin aan. In dit verband kan worden verwezen naar de beoordeling van het eerste middelonderdeel waaruit blijkt dat de bestreden beslissing voldoet aan de voorwaarden waaronder een voorlopige schorsing kan worden opgelegd. 34. In zoverre verzoeker voor het eerst in de laatste memorie nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, toont verzoeker niet aan dat hij die niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. 35. Het tweede middelonderdeel is in die mate ongegrond. C. Derde onderdeel 36. In het laatste middelonderdeel acht verzoeker in het verzoekschrift artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet en het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden, daar het politiecollege had moeten onderzoeken of geen minder ingrijpende maatregel dan een voorlopige schorsing aangewezen was, zoals zijn tijdelijke overplaatsing naar een andere functie. Volgens verzoeker blijkt uit de bestreden beslissing dat de aanwezigheid van verzoeker vooral onverenigbaar wordt geacht met het belang van de dienst omdat hij als korpschef het aanspreekpunt is namens de politiezone en omdat zijn moreel XIV-38.826-39/43 gezag zou aangetast zijn. Die argumenten zouden niet gelden indien verzoeker naar een andere functie zou worden overgeplaatst. 37. De draagwijdte van artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet en van het zorgvuldigheidsbeginsel werd hiervoor reeds uiteengezet (zie supra, punt 15). Er wordt naar verwezen. 38. Allereerst wordt opgemerkt dat uit artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet niet kan worden afgeleid dat de bevoegde overheid verplicht zou zijn een andere ordemaatregel dan de voorlopige schorsing te overwegen. In de mate dat verzoeker uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt die in rechte. Verder wordt erop gewezen dat – in tegensteling tot wat verzoeker aanvoert in zijn laatste memorie – hij zijn vraag tot overplaatsing geenszins heeft uiteengezet in het verweerschrift voor het politiecollege, laat staan “omstandig”. Uit dat verweerschrift blijkt enkel dat in een citaat uit een arrest van de Raad van State een zijdelingse verwijzing wordt gemaakt naar mogelijke andere maatregelen zoals een voorlopige tewerkstelling in een andere dienst. Uit het proces-verbaal van verhoor blijkt evenmin een uitdrukkelijke vraag tot overplaatsing. Verzoeker heeft dus geen dergelijke vraag geformuleerd, minstens niet duidelijk of expliciet. Het hoeft verzoeker dan ook niet te verwonderen dat de bestreden beslissing niet antwoordt op een niet (duidelijk) geformuleerd verzoek. In die omstandigheden getuigt het niet van onzorgvuldigheid in hoofde van het politiecollege om in de bestreden beslissing niet na te gaan of een andere ordemaatregel mogelijk was. Ook wordt opgemerkt dat verzoeker de plicht om een andere ordemaatregel dan de voorlopige schorsing te overwegen steunt op twee motieven van de voorlopige schorsing, enerzijds dat hij als korpschef het aanspreekpunt is voor de politiezone, anderzijds dat zijn moreel gezag is aangetast. Hij lijkt daarmee aan te voeren dat de beoordeling in de bestreden beslissing dat zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst, onlosmakelijk verbonden is aan de XIV-38.826-40/43 functie die hij bekleedt, en dat, mocht hij (tijdelijk) een andere functie bekleden, zijn aanwezigheid niet onverenigbaar zou zijn met het belang van de dienst. Dat standpunt faalt in de feiten. De beoordeling in de bestreden beslissing dat verzoekers aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst steunt, naast de door verzoeker vermelde motieven, ook op andere motieven, met name: - de ernst van de kwalificatie van de feiten die het voorwerp uitmaken van de drie opsporingsonderzoeken ten laste van verzoeker; - het feit dat die een voorlopige vertrouwensbreuk creëren waardoor de goede werking van de lokale politiedienst van de PZ Erpe-Mere/Lede in het gedrang wordt gebracht; - het feit dat de procureur des Konings uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat het vertrouwen in verzoeker (zeer / uitermate) ernstig is geschonden en vraagt zijn ambt in kennis te stellen van de eventuele ordemaatregelen die het politiecollege overweegt; - dat in dergelijke omstandigheden niet sereen kan worden samengewerkt en de opsporingsonderzoeken niet sereen kunnen worden uitgevoerd. Verzoeker betrekt deze motieven niet in de uiteenzetting van zijn middelonderdeel en toont niet aan dat deze motieven niet langer de bestreden beslissing zouden verantwoorden mocht verzoeker een andere functie bekleden dan korpschef. Dit blijkt ook niet spontaan uit deze motieven, die eerder van aard zijn om de bestreden beslissing en meer bepaald de beoordeling dat verzoekers aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst te kunnen schragen ongeacht de functie die verzoeker als politieambtenaar bekleedt. Verzoeker heeft dan ook geen belang bij het middelonderdeel in de mate dat de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel wordt aangevoerd. 39. In zoverre verzoeker voor het eerst in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie nieuwe argumenten en kritieken aanvoert, waaronder dat het politiecollege verzoeker ook had kunnen detacheren, toont verzoeker niet aan dat hij die niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een XIV-38.826-41/43 nieuwe grondslag aan het middel. Die argumenten en kritieken kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. 40. Het derde middelonderdeel is in de aangegeven mate ongegrond. Conclusie 41. Het enig middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. XIV-38.826-42/43 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien december tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.826-43/43 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.200 Gerelateerde publicatie(
  5. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.734 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.240 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.