id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.217 Rolnummer: A. 240672/X-18527 Zaak: Arrest 258217 - Tucht (openbaar ambt) - 13/12/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-12-14 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-06-10 17:50 Fiche Arrest nr 258.217 van 13 december 2023 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 258.217 van 13 december 2023 in de zaak A. 240.672/X-18.527 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Messiaen kantoor houdend te 9051 Gent Kortrijksesteenweg 1084/0401 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sven Boullart en Hannes Speeckaert kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 6 december 2023, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslissing van 28 november 2023 van het bestuur van XXXX om verzoekende partij met onmiddellijke ingang te schorsen als ontvanger-griffier voor een periode van 1 maand”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 december 2023, om 11.00 uur. X-18.527-1/8 Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaat Daphne Segers, die loco advocaat Tom Messiaen verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Sven Boullart en raadgever van de commissaris Paul Cooreman, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De verzoeker is ontvanger-griffier bij de verwerende partij.
- Op 8 november 2023 heeft het bestuur de agenda vastgesteld voor de algemene vergadering van 28 november
- Vervolgens worden de leden van de algemene vergadering uitgenodigd voor de vergadering van 28 november en wordt de agenda meegedeeld. Punt 12 van de agenda vermeldt: “a. Voorstel tot sanctie van de ontvanger-griffier door schorsing voor 1 maand; b. voorstel van vraag aan de Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen tot afzetting van de ontvanger-griffier.”
- Bij schrijven van de raadsman van verzoeker van 23 november 2023 wordt de verwerende partij verzocht om tegen de volgende dag het tuchtdossier over te maken. Er wordt aangekondigd dat de raadsman op de X-18.527-2/8 algemene vergadering van 28 november 2023 aanwezig zal zijn, weze het onder voorbehoud van de tijd die nodig is om zich voor te bereiden.
- Op 24 november 2023 ontvangt de verzoeker een aangetekend schrijven van de verwerende partij met uitnodiging om te worden gehoord.
- Op 25 november 2023 – een zaterdag – bezorgt de verwerende partij per e-mail het tuchtdossier aan de raadsman van verzoeker.
- De raadsman van verzoeker vraagt per e-mail van 27 november 2023 om de hoorzitting van 28 november 2023 uit te stellen, gezien de omvang van het dossier.
- Bij e-mail van dezelfde dag antwoordt de verwerende partij dat “deze Algemene Vergadering niet zomaar kan verplaatst worden” en dat verzoeker “reeds voldoende ruime tijd op de hoogte van de organisatie van deze Algemene Vergadering” was.
- Nog steeds op 27 november 2023 antwoordt de raadsman van verzoeker dat het hoorrecht in deze omstandigheden op geen enkele wijze gerespecteerd kan worden “zodat wijzelf noch cliënt morgen aanwezig zullen zijn”.
- Op 28 november 2023 heeft de algemene vergadering van de verwerende partij beslist om verzoeker met onmiddellijke ingang te schorsen voor een periode van één maand.
- Per e-mail van 29 november 2023 en met een ter post aangetekende brief van 30 november 2023 heeft verwerende partij verzoeker van deze beslissing in kennis gesteld. Deze kennisgeving bevat geen motieven, en ook geen kennisgeving van de gemotiveerde beslissing. X-18.527-3/8 IV. Ontvankelijkheid van de vordering Standpunt van de verwerende partij
- De verwerende partij betwist niet dat de eigenlijke beslissing van de algemene vergadering van 28 november 2023 om verzoeker met onmiddellijke ingang voor de duur van één maand te schorsen op ontvankelijke wijze voor de Raad van State kan worden aangevochten. Wel wordt voorgehouden dat de vordering in werkelijkheid gericht is tegen de kennisgeving van de genomen beslissing, terwijl de kennisgeving zelf geen aanvechtbare rechtshandeling uitmaakt. Beoordeling
- Het verzoekschrift beoogt onmiskenbaar de schorsing van “[d]e beslissing van 28 november 2023 van het bestuur van XXXX om verzoekende partij met onmiddellijke ingang te schorsen als ontvanger-griffier voor een periode van 1 maand”. Het standpunt van de verwerende partij kan dan ook niet worden bijgetreden. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. X-18.527-4/8 VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- Tot staving van de uiterst dringende noodzakelijkheid roept verzoeker in de eerste plaats in dat hij “publiek [wordt] gebrandmerkt als een persoon die klaarblijkelijk ernstige professionele tekortkomingen heeft begaan, zelfs in die mate dat het tot afzetting zou leiden”. Hij wijst er op dat, hoe langer dit brandmerk aan zijn persoon blijft kleven, hoe moeilijker het zal zijn om in de ogen van derden van dit brandmerk af te geraken. Verzoeker wijst er in dat verband op dat hij ook nog tewerkgesteld is bij andere polders, en dat ook de relatie met de overige polders door de bestreden beslissing negatief zou kunnen worden beïnvloed.
- Verzoeker wijst ook op “mogelijks een aanzienlijk financieel nadeel en inkomstenverlies”, vermits niet duidelijk is of de schorsing met of zonder behoud van wedde is. Ook het gegeven dat hij kantoor houdt in zijn eigen woning is vanuit praktisch oogpunt “niet evident”.
- Verder beroept verzoeker er zich op dat de schorsing op psychisch vlak zeer moeilijk te verwerken is, omdat de verzoeker werd geschorst zonder te weten wat hem effectief wordt verweten en “gelet op zijn onberispelijke staat van dienst van 33 jaar”. 20 Daarbij komt dat een gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zou komen, vermits de bestreden beslissing dan al volledig uitwerking zal hebben gehad. Volgens verzoeker zou dit er “de facto op neerkomen dat verzoeker in de onmogelijkheid wordt gesteld om deze beslissing in rechte aan te vechten”. X-18.527-5/8
- Ten slotte “dient een halt te worden gesteld aan de démarche waar verwerende partij mee bezig is, zonder ook maar op enige wijze de rechten van de verzoekende partij te respecteren”. Beoordeling
- Er dient aan te worden herinnerd dat de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstotelijke wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, §1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterste dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”.
- Wat betreft het ingeroepen “brandmerk” en het psychisch nadeel slaagt verzoeker er in zijn verzoekschrift niet in om op voldoende concrete wijze te verwijzen naar bijzondere omstandigheden die doen blijken dat de aangevoerde morele schade van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht.
- Ook met betrekking tot het ingeroepen financieel nadeel reikt verzoeker geen concrete gegevens aan die aannemelijk kunnen maken dat de procedure ten gronde niet kan worden afgewacht. Dit is des te meer het geval nu, zoals ter zitting is gebleken, de schorsing geen aanleiding zal geven tot enige inhouding van wedde.
- Dat verzoeker kantoor houdt in zijn eigen woning kan vanuit praktisch oogpunt mogelijks “niet evident” zijn, maar ook hier verstrekt verzoeker X-18.527-6/8 geen concrete gegevens die nopen tot een dringende rechterlijke tussenkomst. Dit is des te meer het geval nu de bestreden schorsing slechts geldt voor één maand.
- De loutere omstandigheid dat de doorlooptijd van een gewone schorsingsprocedure of van een procedure ten gronde tot gevolg zal hebben dat de bestreden beslissing al volledig uitwerking zal hebben gehad, volstaat verder niet als verantwoording om een beroep te kunnen doen op de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Het voorhanden zijn van de uiterst dringende noodzakelijkheid vergt immers ook dat in concreto voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de gewone procedure geen adequaat rechtsherstel meer zal kunnen bieden. 27 Ten slotte is zelfs een prima facie ernstige miskenning van het recht van verdediging of van de hoorplicht op zich geen reden om het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid te aanvaarden.
- Verzoeker toont gezien het voormelde de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aan. VII. Besluit
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering X-18.527-7/8
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt noch de identiteit van de verzoekende partij, noch die van de verwerende partij bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien december tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: David D’Hooghe, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck David D’Hooghe X-18.527-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.217 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.108 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.