id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.220 Rolnummer: A. 235505/X-18079 Zaak: Arrest 258220 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 14/12/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-12-22 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-06-10 17:53 Fiche Arrest nr 258.220 van 14 december 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 258.220 van 14 december 2023 in de zaken A. 235.505/X-18.079 In zake :
- de BV IMMO IMBREX
- Jozef LOCKS
- Viviane BORLOO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom Huygens en Bram De Smet kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thierry Walbrecht kantoor houdend te 2000 Antwerpen Frankrijklei 115 tegen :
- de STAD GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het VLAAMS GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Zandvoordestraat 444/b1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de beroepen
- Het beroep, ingesteld op 19 januari 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemeenteraad van de stad Gent van 28 september 2021 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’, en van “[h]et besluit van de dienst MER van 6 augustus 2020 dat geen opmaak van een plan-MER vereist is”. X-18.079-1/56 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De eerste verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 november
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bram De Smet, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaten Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue, die verschijnen voor de eerste verwerende partij, en advocaat Angelique Van De Meirssche, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- In 2003 wordt het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan (hierna: GRS) van de stad Gent goedgekeurd. In uitvoering van het GRS heeft de stad Gent op 15 februari 2012 een gemeentelijk groenstructuurplan aangenomen. X-18.079-2/56 Daarin wordt de in het GRS omschreven groenstructuur verfijnd en geconcretiseerd. In het groenstructuurplan wordt het “planjuridisch beschermen van bestaande groenwaarden” vooropgesteld: “Een aantal huidige waardevolle natuur- en boskernen en ook enkele wijkparken zijn gelegen in een niet groene bestemming hoewel er eensgezindheid is over hun voortbestaan en ze deel uitmaken van de gewenste groenstructuur. De toekomst van deze wijkparken en natuur- en boswaarden wordt verzekerd door ze op te nemen in een groen RUP dat deze gebieden groen inkleurt. Ze bevat wijkparken, natuur- en boskernen die verspreid gelegen zijn over het grondgebied. De locaties die hiervoor in aanmerking komen dienen verder te worden onderzocht. Hierbij denken we onder meer aan: Papeleupark, Fluweelstraat, Wandelbos Slotendries, Wolterslaanpark, natuurkern Lummersheim (deels), boskern Instituut voor Nucleaire Wetenschappen (de natuurkern), bosjes Campus Schoonmeersen, de Zandbergen, de Assels en de noordelijke Keuzemeersen. Deze lijst is niet-limitatief. Aan dit groen RUP wordt voorkooprecht en/of een onteigeningsplan gekoppeld.” Het groenstructuurplan bevat onder meer een sterkte-zwakteanalyse van de actuele groenstructuur. Onder meer wordt erin gesteld: “6.7.
- Natuurlijke structuur Sterkten - De aanwezigheid van restanten van landschapsecologische kwaliteiten, kleine landschapselementen, relicten van halfnatuurlijke vegetaties en ecotooptypes. - De openbare en privégroenstructuren met bomenrijen, woongroen, privétuinen en parken fungeren als stapsteenelementen doorheen het stadsweefsel. - Grote variatie aan natuurtypes. Kansen - De aaneenschakeling van grotere kerngebieden via tussenliggende verbindings- en stapsteengebieden biedt zeer grote potenties voor de uitbouw van een consistent netwerk van natuurgebieden. Naast het ruimtelijk schaalniveau bieden vooral de abiotische potenties grote kansen voor toekomstig natuurherstel en -ontwikkeling. - De ontwikkeling van de randstedelijke groenpolen is structuurversterkend en vormt een kans voor het uitbouwen van natuurlijke dwarsrelaties tussen natuurkerngebieden (bv. Parkbos als potentiële verbinding tussen Leie- en Scheldevallei). Daarnaast vormen deze groenpolen de contactzone naar natuurgebieden in aanpalende gemeenten. - Ook de aanwezige kleinere beekvalleien met een voldoende natuurlijke structuur kunnen als drager fungeren voor het ontwikkelen van de natuurlijke netwerkstructuur, zowel in het buitengebied als in de kernstad. X-18.079-3/56 - De aanwezigheid van kleinschalige groenelementen in het stedelijk weefsel is essentieel voor het behoud van een basisnatuurkwaliteit in de stad. - Door een aangepast beheer kan de aanwezigheid van infrastructuurgroen langs wegen, spoorwegen en kanalen bijdragen aan meer natuur in het stedelijk milieu. - De grote oppervlakte soortenarme graslanden (met name deze in groene bestemmingen) kunnen benut worden voor het opwaarderen van hun natuurwaarden. - Ook het belang van tijdelijke natuur in het stedelijk weefsel mag niet onderschat worden. Zones met tijdelijke ecologische infrastructuur kunnen een ondersteunende rol spelen. - Klimaatadaptatie als kans: inzetten van klimaatrobuuste natuur. Zwakten - Ruimtelijke versnippering van natuur en van natuurtypes. - De natuurlijke draagkracht en de grootte van de natuurgebieden zijn onvoldoende. - De belangrijke infrastructuurelementen kunnen zowel een dragend (verbindings)element zijn voor de natuurlijke structuur als een versnipperend en barrièrevormend element (vnl. naar de dwarsrelaties toe). Bedreigingen - Het intensiveren van het grondgebruik gekoppeld aan schaalvergroting en de wijziging van de abiotiek (door verdroging, verzuring en vermesting) werken de degradatie van de ecologische kwaliteit van de natuur in de hand. - Een belangrijk deel van de huidige natuurwaarden (circa 1/3) is gelegen binnen harde bestemmingszones, waardoor de garanties op het behoud of de bescherming ervan minimaal zijn. Ook in het havengebied zijn dergelijke tijdelijke natuurwaarden van groot belang, maar het behoud ervan is hoogst onzeker. - Het privékarakter van verspreide natuursnippers. - Stedelijke verdichting van het stadsweefsel, bebouwing en infrastructuur, is een moeilijk te stoppen evolutie. - Recreatieve druk op gebieden. Doorgedreven integratie kan leiden tot kwaliteitsverlies van de natuur. - Klimaatverandering als bedreiging voor de bestaande fauna en flora.” Verder stelt het groenstructuurplan de doelstelling voorop om het bestaande waardevolle bosareaal maximaal te behouden, en bijkomend effectieve bosuitbreiding te realiseren, met het oog op de benadering van de gemiddelde Vlaamse bebossingsindex: “9.
- Doelstellingen voor de bosstructuur Doelstelling: Bosbehoud In Gent is er nood aan bijkomend bos. Bosuitbreiding is echter slechts zinvol als het huidig waardevol bosareaal maximaal behouden kan blijven. Vooral boszones die al een langere ontwikkelingsgeschiedenis kennen X-18.079-4/56 zoals de loofbosbestanden in de grotere kasteelparken, historische oude boskernen of de ecologisch waardevolle bossen op natte bodems zijn niet zomaar vervangbaar. Doelstelling: Effectieve bosuitbreiding Om in de buurt te komen van de gemiddelde Vlaamse bebossingsindex (10,8%) zou er in Gent bijna 800 ha bos moeten bijkomen. Omdat deze oppervlakte niet realiseerbaar is, wordt uitgegaan van toename van bos met bijna de helft van de huidige oppervlakte.[…].” Het te dezen relevante openruimtelandschap Oude Bareel wordt in de gewenste groenstructuur aangeduid als site met twee kleinere natuurkernen en een bosgebied binnen de deelruimte ‘Randstad Noord-Oost’. 3.2.
- In 2016 beslist de stad Gent om een thematisch gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: gemeentelijk RUP) op te maken “om de bestaande waardevolle groenzones planologisch te beschermen”. 3.2.
- Op 10 juni 2016 keurt het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent de motivatienota en de lijst met deelgebieden van het voorgenomen plan goed en geeft het opdracht aan de dienst Stedenbouw en Ruimtelijke Planning om de opmaakprocedure van het gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ te starten. De lijsten met deelgebieden bevatten een A-lijst, bestaande zonevreemde groengebieden die mogelijk kunnen worden herbestemd naar een gepaste groene bestemming, en een B-lijst, die de nieuw te ontwikkelen groengebieden bevat. Binnen de A-lijst worden nog de ‘publiek toegankelijke groengebieden’ (A1) en de ‘bestaande natuur- en bosgebieden’ (A2) onderscheiden. De A2-lijst bevat onder meer een deelgebied ‘Bosje Achtenkouterstraat’ en een deelgebied ‘Grasland Beelbroekstraat’. De B-lijst omvat een deelgebied ‘Oude Bareel’. Het uiteindelijke door de verzoekende partijen geviseerde deelgebied ‘307 - Sint-Amandsberg - Oude Bareel’ zal ontstaan uit de samenvoeging van deze deelgebieden. De Gentse biologische waarderingskaart versie 2014 (BWK) duidt het deelgebied aan als biologisch zeer waardevol en biologisch waardevol. X-18.079-5/56 3.3.
- Luidens de toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ is de aanleiding voor de opmaak ervan de volgende: “2.
- Behoud van bestaande waardevolle groenzones Elke vierkante meter van het grondgebied Gent kreeg in het verleden een stedenbouwkundige bestemming. Dit kan zowel een gewestplanbestemming zijn als een bestemming in een Bijzonder Plan van Aanleg (BPA) of Ruimtelijk Uitvoeringsplan (RUP). In de wetenschap dat het gewestplan nog in belangrijke mate uit de jaren ’70 dateert en dat vele BPA’s voor de jaren ’90 werden opgemaakt, is er in de loop van de tijd een zekere spanning ontstaan tussen de stedenbouwkundige bestemming en de ontwikkeling van een aantal waardevolle groenzones. Zo zijn er verschillende bestaande groengebieden op het grondgebied van Gent, waarvoor een ‘harde’ stedenbouwkundige bestemming geldig is, waardoor ze juridisch gezien nog steeds kunnen worden aangesneden om te verharden en/of te bebouwen. De huidige ruimtelijke visie, zoals vastgelegd in de Structuurvisie 2030 - Ruimte voor Gent, beoogt echter een optimaal behoud en de bescherming van de groengebieden in Gent, omwille van hun functie als gebruiksgroen (woongroen of wijkpark) of omwille van hun natuur- en ecologische waarde (biologisch waardevol tot biologisch zeer waardevol) en in het kader van een beoogde stand-still voor natuur. Nog steeds verdwijnt er waardevolle open ruimte in functie van harde ontwikkelingen die dikwijls niet omkeerbaar zijn. De Stad Gent wil een actievere rol spelen bij het tegengaan van dergelijke ongewenste evoluties. Vandaar dat het behoud van deze groenwaarden en de eventuele bijkomende kwaliteiten van deze gebieden (erfgoedwaarde, gebruikswaarde, enz.) via het aanpassen van de planologische bestemming en/of stedenbouwkundige voorschriften zo veel mogelijk geregeld moet worden. De Stad Gent wil de oppervlakte waardevolle en zeer waardevolle natuur minstens op het peil houden van 1999 (2.865 ha). Daarbij wordt in de eerste plaats ingezet op het behoud van de huidige bestaande natuurwaarden, dus ook op het niet verplaatsen van (zeer) waardevolle natuur. In tweede instantie dient de (zeer) waardevolle natuur die toch nog verdwijnt, gecompenseerd te worden. Bovendien streeft de Stad naar een verhoging van de kwaliteit van de natuur en de verbinding van de waardevolle stukken natuur. Alle waardevolle en zeer waardevolle vegetaties samen vormen 19% van de oppervlakte van Gent (toestand 2014). Verdeeld over vegetatietypes betreft het ca. 32% bos, ca. 31% ruigten (in haven, langs spoorlijnen en wegen, op braakliggende terreinen), ca. 21% graslanden, 8% moerassen en stilstaande waters (in natuurgebieden en oude parken), 8% kleine landschapselementen en 0,2 % heide. Van deze natuur is 30% zeer waardevol en 70% waardevol. Rekening houdend met een foutenmarge van 5% is in 2014 de stand-still bereikt. Deze stand-still is echter vooral bereikt door de ontwikkeling van tijdelijke natuur in de haven. De bereikte stand-still is met andere woorden X-18.079-6/56 fragiel. Dit betekent dat de vegetaties die in de haven zullen verdwijnen moeten gecompenseerd worden met een aangroei elders in Gent. Bijkomend geldt dat de kwaliteit van onze natuur achteruit gaat: de oppervlakte zeer waardevolle natuur is immers gedaald tussen 1999 en
- Dit is voornamelijk te wijten aan een daling in het stedelijk gebied en de haven. Ook de inrichting van Eiland Zwijnaarde ligt hier mee aan de basis. In het buitengebied is er daarentegen een lichte stijging van de kwaliteit van de natuur, onder meer door het gevoerde beheer in de Bourgoyen-Ossemeersen en de Assels. Deze stijging is evenwel onvoldoende om de achteruitgang te compenseren. 2.
- Ontwikkeling van nieuwe natuur- en bosgebieden en parken De ruimtelijke visie op het groen in Gent gaat verder dan het loutere behouden van het bestaande. In het Groenstructuurplan is de gewenste groenstructuur vastgelegd en in de Structuurvisie 2030 - Ruimte voor Gent is de visie op het groene ruimtenetwerk vastgelegd. Er wordt gekozen voor een kwalitatieve verbetering van de bestaande groenstructuur en een aantal nieuwe ontwikkelingen zoals bosuitbreiding, natuurontwikkeling of nieuwe parken. Veel van deze ontwikkelingen zijn echter nu niet of moeilijk mogelijk omwille van hun stedenbouwkundige bestemming. In het Groenstructuurplan is dan ook de opmaak van een thematisch RUP Groen als actie opgenomen, zodat de planologische bestemming van een aantal groengebieden in overeenstemming kan worden gebracht met de bestaande groenstructuur en de gewenste ruimtelijke visie op groen in Gent. Deze actie is in de Structuurvisie 2030 - Ruimte voor Gent herbevestigd. Bosuitbreiding In Gent is er nood aan bijkomend bos. Het uitgangspunt hierbij is dat het huidig waardevol bosareaal maximaal behouden moet blijven. Vooral boszones die al een langere ontwikkelingsgeschiedenis kennen zoals de loofbosbestanden in de grotere kasteelparken, historische oude boskernen of de ecologisch waardevolle bossen op natte bodems zijn niet zomaar vervangbaar. De bosstructuur moet gedragen worden door grotere aaneensluitende boscomplexen (200-300 ha) of een netwerk van kleinere boscomplexen, onderling verbonden door middel van bomenrijen, dreven, kasteelparken of andere landschappelijke structuren zoals bijvoorbeeld beekvalleien. In 2014 hadden we 951 hectare bos of een bosindex van 6,4 procent (tegenover een […] bebossingsindex van Vlaanderen = 10,8%). We streven naar een bosindex van acht procent en 1260 hectare effectief bos in 2030 (zie ook hoofdstuk 9.3.2). Dit is een toename van 310 ha bos ten opzichte van
- Het areaal bos in Gent
(2014)kan als volgt ingedeeld worden: - 41 % zijn jonge loofhoutaanplantingen, biologisch waardevol - 20 % is zeer waardevol oud bos, biologisch zeer waardevol - 22 % is struweel (spontaan ontstaan jong bos), biologische waardevol en zeer waardevol - 17 % zijn populieren- en naaldhoutaanplantingen, biologisch waardevol Van het bosbestand in 2014 is 30% zeer waardevol en 70% waardevol. Dat duidt vooral op het belang van oud bos, waarbij de factor tijd essentieel is. X-18.079-7/56 Het duidt ook op het belang van spontane ontwikkeling van bos: struweel is immers rijk aan soorten en heeft al snel een grote ecologische waarde. Tussen 1999 en 2014 was er een lichte toename van de beboste oppervlakte in Gent. Dit danken we aan aanplantingen en spontane ontwikkeling in verspreide zones in onder meer het Parkbos, de Gentbrugse Meersen, het Ter Durmenpark en het koppelingsgebied Desteldonk. Tegelijk was er in die periode wel een daling van het areaal zeer waardevol bos: er verdwijnen immers nog steeds waardevolle bossen in industriegebieden of andere harde bestemmingen, terwijl de ontwikkeling van nieuw waardevol en/of oud) bos tijd vraagt. Een voldoende variatie aan bosleeftijdsstadia, structuur- en habitatdiversiteit en voldoende oppervlakte van diverse bostypes blijft het ideale ecologische toekomstperspectief voor bossen in Gent. In de Structuurvisie 2030 - Ruimte voor Gent is ervoor gekozen om de grote oppervlaktes bos te realiseren in de groenpolen, dit zijn bovenlokale projecten. In de bosclusters realiseren we vooral kleinere bossen of bossen als stapstenen als compensatie voor het zonevreemde bos dat op termijn verdwijnt door verdere industriële of stadsontwikkelingen. Dergelijke bosuitbreidingen maken deel uit van het voorliggende RUP Groen. De criteria voor bijkomende bossen zijn: zo groot mogelijk aaneensluitend bos, minimale oppervlakte, aansluitend op bestaand bos/vegetatie, als verbinding of stapsteen, voor een specifieke doelsoort, voor een specifiek vegetatietype (bijvoorbeeld struweel). In het Groenstructuurplan zijn zoekzones aangeduid voor bijkomend bos. Natuurontwikkeling De Stad Gent wil de oppervlakte waardevolle en zeer waardevolle natuur minstens op het peil houden van 1999 (2.865 ha). Dit is de zogenaamde stand-still die al sinds het Ruimtelijk Structuurplan Gent uit 2003 werd vastgelegd. De stand-still werd in 2014 bereikt maar is fragiel. Dit betekent dat de vegetaties die in de haven zullen verdwijnen moeten gecompenseerd worden met een aangroei elders in Gent. Om aan kwaliteitsvolle natuurontwikkeling te kunnen doen, wordt deze bij voorkeur voorzien in die zones die door hun specifieke abiotische kwaliteiten of potenties sterk kunnen bijdragen aan het realiseren van zeer waardevolle natuurdoeltypes. Uitbreiding recreatief groen (parken) In Gent streven we naar voldoende recreatief groen op de verschillende schaalniveaus (groenpolen, wijkparken, woongroen) en op een aanvaardbare afstand van de woning. De groenstructuur speelt een belangrijke rol voor zacht recreatief medegebruik, met aandacht voor de draagkracht en de natuurwaarde van het gebied. Wandelen, fietsen, joggen, trap- en speelvelden, picknicken, avonturenbos, … worden geïntegreerd met aandacht voor bescherming en opbouw van het landschap en de natuur. In de meest waardevolle (stedelijke) natuurelementen zal dit medegebruik het meest beperkt zijn. Naast voldoende beschikbare oppervlakte is ook de kwaliteit van het groen van groot belang. De draagkracht van een kwaliteitsvol ingericht park is groter waardoor de beschikbare oppervlakte relatief toeneemt. Gent streeft daarnaast naar voldoende toegankelijk bos. Dit betekent in eerste instantie het toegankelijk maken van bestaand bos en bosachtige X-18.079-8/56 kasteelparken. Omdat de bossen in Gent voornamelijk in privé-eigendom zijn wordt de openstelling ervan gestimuleerd. Een andere doelstelling is het streven naar recreatief medegebruik in groene ruimtes met een andere hoofdfunctie. Onder meer boscomplexen, natuurgebieden en sportparken hebben potenties op vlak van recreatief medegebruik. Het toegankelijker maken van deze complexen betekent een grote meerwaarde voor de recreatieve structuur. Via het tragewegennetwerk kunnen deze gebieden aantakken op de groenstructuur. Ten slotte willen we de verschillende groene ruimtes verbinden tot één samenhangend groen netwerk gekoppeld aan het tragewegennetwerk. De groene ruimtes moeten vlot en veilig toegankelijk zijn voor wandelaars en fietsers. 2.
- Duurzame en klimaatrobuuste stad De Stad wil dat Gent tegen 2050 klimaatneutraal is. O.m. de inrichting van de publieke ruimte en natuurontwikkeling zijn manieren om hiermee rekening te houden. De Stad wil dat Gent tegen 2030 klimaatrobuust is. We willen Gent voorbereiden en aanpassen aan klimaatwijzigingen. Heel wat klimaatadaptatiemaatregelen zijn ruimtelijke ingrepen: verstening terugdringen, inzetten op vergroening, ruimte voor water reserveren, koele plekken ontwerpen… De Gentse gemeenteraad ondertekende het nieuwe Burgemeestersconvenant voor klimaat en energie op 23 november
- Het engagement is gericht op het verminderen van de CO2-uitstoot met 40% tegen
- Ook klimaatadaptatie wordt in het nieuwe convenant ondergebracht, zodat mitigatie en adaptatie in 1 actieplan worden gevat. Het engagement richting Europa bevat ook de doelstellingen op lange termijn: een klimaatneutrale stad tegen
- In uitvoering van deze doelstellingen heeft de Stad haar Klimaatadaptatieplan 2016-2019 opgemaakt dat focust op het aanpassen van de stedelijke omgeving aan klimaatverandering door in te zetten op groen en water, ontharding, water vast te houden en te infiltreren. De impact van de stad op het klimaat moet worden gereduceerd met als ultieme doelstelling een klimaatneutrale stad. Eén van de vijf pakketten van maatregelen om dit doel te bereiken, is ‘groene ruimten en bossen aanleggen in en rond de stad’. Klimaatverandering maakt Gent vatbaar voor meer en intensere hittegolven, extremere neerslag en langere droogteperiodes. Dat laat zich ook vandaag al voelen. We moeten onze stad op die veranderingen voorbereiden, om ze aangenaam, leefbaar, gezond en veilig te houden. Vanuit de Stad hebben we een ambitieus doel vooropgesteld: tegen 2030 willen we klimaatrobuust zijn. Dat betekent dat we de stad zo inrichten dat we bestand zijn tegen te veel of te weinig water en het leefbaar en werkbaar blijft tijdens hittedagen. Groen brengt verkoeling in een stedelijke omgeving, en in Gent zeker in combinatie met water; een meer open stedelijke structuur vermindert het stedelijk hitte-eilandeffect. Onbebouwde ruimtes zijn ook nodig om water op te vangen bij zware regenval en water vast te houden om periodes van droogte te overbruggen (adaptatie) (structuurvisie 2030). X-18.079-9/56 Concreet stelt de Stad volgende doelstellingen voorop voor een klimaatrobuust Gent: - De ondergrond van Gent werkt als een spons, zodat de stad en haar inwoners minimale hinder ondervinden van wateroverlast en droogte. We zetten maximaal in op bronmaatregelen om het regenwater zoveel mogelijk ter plaatse vast te houden om te hergebruiken of te laten infiltreren in de bodem via groen of infiltratievoorzieningen. - We voorkomen hittestress door Gent af te koelen met groen. Het grootschalige groenblauwe netwerk, met robuuste bosbestanden en natuurgebieden, wordt verder uitgebouwd. Klimaatbestendigheid/veerkracht is het resultaat van de interactie tussen (klimaat-)adaptatie, d.w.z. het vermogen om zich aan te passen aan externe stress zoals klimaatverandering, en (klimaat-)-mitigatie, het vermogen om broeikasgassen zoals CO2, te beperken. Bij de toepassing van nature based solutions, oplossingen gebaseerd op natuurlijke processen, zijn de twee concepten sterk verweven en zal elke maatregel voor klimaatadaptatie, ook een positieve invloed hebben op klimaatmitigatie. (Calfapietra et al., 2015; Van Vuuren et al., 2011). Planten halen via fotosynthese het broeikasgas koolstofdioxide (CO2) uit de lucht en hebben hierdoor dus een positieve impact op het tegengaan van klimaatverandering. Het type ecosysteem en de abiotiek bepalen in sterke mate de potenties voor C-opslag. De ecosysteemdienst ‘koolstofopslag’ kan maximaal geleverd worden door natuurlijke ecosystemen op vochtige tot natte, bodems met een minimale verstoring en waarbij een belangrijk deel van de biomassa ter plaatse blijft (Jacobs S. et al., 2010). Van alle terrestrische ecosystemen stockeren bossen bovengronds de meeste C in hun biomassa en die ligt voor langere tijd vast in hout. Van de CO2 die wordt vastgelegd in bossen, wordt 30% vastgelegd in hout en vegetatie bovengronds en 70% in en op de bodem (wortels, afgevallen bladeren.) (T. Bade et al., 2011). Ook begraven veenbodems zijn hotspots voor CO2 opslag. Om de koolstofopslag te behouden, moeten we wel het grondwater op peil houden. Verdroging gaat gepaard met een daling van de C-opslag (PNAS March 12, 2019 116
(11)4822-4827; first published February 25, 2019). 2.4. Welzijn Verschillende wetenschappelijke en academische studies [tonen] aan dat een groene omgeving bijdraagt tot een beter welzijn en een betere gezondheid. Daarom wil het stadsbestuur de aanwezige open ruimte in Gent zo veel als mogelijk behouden en kwalitatief opwaarderen. Het thematisch RUP Groen wordt dan ook opgemaakt om de bestaande groengebieden planologisch te beschermen, zodat wordt vermeden dat bestaande parken, bossen of natuurgebieden verdwijnen in functie van bebouwing. En om de ontwikkeling van nieuwe groengebieden van de gewenste groenstructuur te ondersteunen en planologisch mogelijk te maken. Om de effectieve realisatie van het RUP mogelijk te maken zal de Stad inzetten op verwerving, enerzijds door de Stad zelf, anderzijds door erkende natuurverenigingen. Wanneer private eigenaars het bestaande groengebied willen verkopen, dan kan de Stad een beroep doen op het recht van voorkoop, om op die manier de bestaande natuur- of bosgebieden op een gepaste manier te beheren.” X-18.079-10/56 3.3.2. Het voorgenomen plan vertrekt blijkens de toelichtingsnota erbij van de volgende doelstellingen: “- De juridische bescherming van bestaande groengebieden (wijkparken, woongroen, natuur en bos) - De herbestemming van bijkomende groenzones in functie van de realisatie van de gewenste groenstructuur. De gewenste groenstructuur is oorspronkelijk vastgelegd in het Ruimtelijk Structuurplan Gent, verder verfijnd in het Groenstructuurplan en bevestigd in de Structuurvisie 2030 - Ruimte voor Gent.” 3.4. In de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP wordt voorts een overzicht gegeven van de verschillende selectiecriteria voor de opname van de deelgebieden in het ‘Thematisch RUP Groen’. Deze selectiecriteria zijn een verdere concretisering van de voormelde doelstellingen van het gemeentelijk RUP: “5.1. Bestaande publiek toegankelijke groengebieden […] 5.2. Bestaande natuur- en bosgebieden Behalve de publiek toegankelijke parken, zijn er in Gent ook een heel aantal niet of minder toegankelijke waardevolle groenzones gelegen, die door zonevreemde bestemming dreigen te verdwijnen. Het gaat dan voornamelijk over biologisch waardevolle tot zeer waardevolle delen natuur of bos. Biologische waarderingskaart Voor de analyse van de bestaande natuur- en bosstructuur in Gent wordt gebruik gemaakt van de gebiedsdekkende fijnschalige ecotopenkartering (of biologische waarderingskaart, BWK), opgemaakt volgens de methodiek van het Vlaams Gewest. De eerste gebiedsdekkende kartering werd uitgevoerd in 1999, in opdracht van de Stad. In 2009 en 2014 is een actualisatie gebeurd door een combinatie van desktop-interpretatie van orthofoto’s, aangevuld met terreinwerk. Deze vergelijking maakt een detailanalyse van de evolutie van de natuur- en bosstructuur mogelijk. De biologische waarderingskaart is raadpleegbaar op de website van de Stad Gent. De kaart op de website is opgebouwd volgens de vegetaties. Wanneer hierop doorgeklikt wordt, is ook de biologische waarde terug te vinden. Telkens wanneer daar aanleiding toe is, bijvoorbeeld een gewijzigde situatie of de vaststelling dat de kaart niet helemaal correct (meer) is, wordt de BWK geüpdatet. Het is dus een evoluerend, dynamisch document dat continu geactualiseerd wordt. De kaart die gepubliceerd is op de website is bijgevolg een momentopname van 2014. Er zijn verschillende aanpassingen gebeurd in 2017 en 2019. In de loop van 2020 - 2021 vindt een gebiedsdekkende actualisatie van de biologische waarderingskaart plaats. Deze actualisatie gebeurt in grote mate door terreinbezoeken. Deze X-18.079-11/56 nieuwe versie van de BWK is nog niet definitief afgerond en zal eveneens gebruikt worden om de evolutie van natuur en bos in de stad te monitoren. Bij de selectie van de deelgebieden is steeds gewerkt met de meest actuele kaarten die beschikbaar waren. Deze biologische waarderingskaart brengt op een gedetailleerde manier alle aanwezige vegetaties in beeld en koppelt hier automatisch een waarde aan. Zo worden de vegetaties aangeduid met een symbool of ‘karteringseenheid’. Volgende categorieën, die elk nog verder opgedeeld zijn in deelcategorieën, zijn te onderscheiden: — stilstaande waters (
- a)— moerassen (
- m)— graslanden (
- h)— struwelen (
- s)— mesofiele bossen (f en
- q)— vallei- en moerasbossen (
- v)— naaldhoutaanplantingen (
- p)— populierenaanplantingen (
- l)— (andere) aanplantingen (
- n)— akkers (
- b)— andere vegetaties (
- k)— urbane gebieden (u). De Vlaamse biologische waarderingskaart is een inventarisatie én evaluatie van het gehele Vlaamse grondgebied. De inventaris omvat het grondgebruik (bebouwing, grasland, bos, ...) en de eventuele aanwezige vegetatie (plantengroei zoals natte heide, dotterbloemhooiland, ...). Tevens wordt aandacht besteed aan kleine landschapselementen (veedrinkpoelen, bomenrijen, dijken, ...). Er werd voor gekozen elk van de karteringseenheden een vaste waardering of evaluatie toe te kennen. De inschatting van deze waardering gebeurde op basis van de ervaring van de wetenschappelijke stuurgroepleden, gebruik makend van de biologische criteria zeldzaamheid van vegetatie, vervangbaarheid, biologische kwaliteit (o.a. soortendiversiteit) en algemene kwetsbaarheid. De Gentse biologische waarderingskaart werd opgemaakt volgens diezelfde methodiek van het Vlaamse Gewest, maar omdat Gent een verstedelijkt gebied is en de BWK in eerste instantie voor landelijke gebieden werd ontwikkeld, kent de Gentse BWK een aantal verfijningen ten opzichte van de Vlaamse BWK: — de urbane gebieden (
- u)kregen een gedetailleerdere opdeling — binnen de categorie graslanden (
- h)werden gazons (
- hg)als vegetatietype opgenomen — binnen de categorie andere vegetaties werden kerkhoven (
- kk)als vegetatietype opgenomen — de tuinen in het stadscentrum werden via luchtfoto in kaart gebracht en aangeduid met een code van 1 tot 3, naargelang hun grootte. Een perceel kan met meerdere karteringseenheden getypeerd worden. Vervolgens is aan elke vegetatie een biologische waarde gekoppeld: — biologisch minder waardevol — biologisch waardevol X-18.079-12/56 — biologisch zeer waardevol — complex van biologisch minder waardevolle en waardevolle elementen — complex van biologisch minder waardevolle, waardevolle en zeer waardevolle elementen — complex van biologisch minder waardevolle en zeer waardevolle elementen — complex van biologisch waardevolle en zeer waardevolle elementen. De Stad Gent heeft, in het Groenstructuurplan en in Ruimte voor Gent – Structuurvisie 2030, als doelstellingen opgenomen: — een standstill voor natuur — bosuitbreiding. Het voorliggend RUP Groen is een van de instrumenten om deze doelstellingen te kunnen realiseren en ook op langere termijn te garanderen dat de kwantiteit en kwaliteit van de natuur/bos behouden blijft en verder kan ontwikkelen. De Gentse biologische waarderingskaart als selectiecriterium voor de deelgebieden De ecologisch of biologisch meest waardevolle bestaande groengebieden, deze die volgens de Gentse BWK biologisch waardevol, biologisch zeer waardevol, of een combinatie van beide zijn, maar gelegen zijn binnen een harde of een landbouw bestemming, krijgen een herbestemming in het thematisch RUP Groen. Er wordt bewust gekozen om niet te werken met een minimale of maximale oppervlakte, gezien de oppervlakte van zonevreemd groen geen beeld geeft van het belang ervan binnen de totale groenstructuur. Niet de oppervlakte maar de rol van het groengebied binnen de groenstructuur is doorslaggevend. Zo kan bijvoorbeeld een eerder klein biologisch waardevol gebied met een harde of een landbouw bestemming, wel een belangrijke schakel zijn tussen twee groengebieden met een groene bestemming. Sommige van deze waardevolle groengebieden zijn eerder klein van oppervlakte. In functie van het verhogen van de connectiviteit en het verbinden van groensnippers met elkaar, zijn enkele waardevolle groengebieden opgenomen binnen een groter geheel. Dit groter geheel heeft op vandaag nog niet volledig een biologische waarde, maar maakt wel deel uit van de gewenste groenstructuur (zie 5.3). Soortenplan Het soortenplan toont welke dieren en planten belangrijk zijn voor Gent en wat we kunnen doen om ze te beschermen. Er zijn heel wat plekken in Gent waar veel zeldzame planten en dieren samen voorkomen. De Stad Gent maakte daarom een soortenplan op, als eerste stad in Vlaanderen. Dit plan brengt de plekken waar veel bedreigde of zeldzame soorten, de hotspots, samen voorkomen in beeld en werkt acties uit om de biodiversiteit te behouden en te verbeteren. Zowel op Europees als op Vlaams en Oost-Vlaams niveau zijn er planten en dieren, die bedreigd zijn of bescherming verdienen. De bedreiging van soorten wordt per land samengevat in ‘Rode lijsten’. Op provinciaal niveau zijn de zogeheten ‘prioritaire en symboolsoorten’ aangeduid om in de gaten te houden. Het soortenplan focust op soorten die in Gent nu voorkomen en waarvoor we iets extra moeten doen. X-18.079-13/56 Het Gentse soortenplan is een aanvulling op de Biologische Waarderingskaart. Waar de Biologische Waarderingskaart toont welke vegetaties er in heel Gent groeien, geeft het soortenplan een beeld van welke zeldzame planten en dieren daarin leven en welke van die ‘biotopen’ reeds een goede kwaliteit hebben. Meer dan 80 prioritaire soorten zijn belangrijk in en voor Gent, gaande van lieveheersbeestjes tot ijsvogels, maar ook de dwergspitsmuis, de rosse vleermuis, Duits viltkruid en muurplanten zoals bepaalde varensoorten horen daarbij. Er zijn grote gebieden waar veel van deze belangrijke soorten samen voorkomen. Daarnaast zijn er ook habitats of leefomgevingen die voor specifieke soorten belangrijk zijn en dus daarom bijzonder waardevol. Hotspots met het grootste aantal soorten zijn de grotere park- en natuurgebieden zoals de Gentbrugse Meersen, de Vinderhoutse Bossen, de Bourgoyen - Malem - Blaarmeersen - Sneppemeersen, … Dat toont het belang van ‘ruimte’: hoe groter een gebied, hoe meer kans op verschillende soorten. Bij hotspots met veel bedreigde, kwetsbare of van bescherming afhankelijke soorten planten en dieren is er ook een grotere diversiteit aan niet-bedreigde soorten. Ook zij profiteren dus [van] deze grote biotopen. Gent telt ook een aantal typische milieus. Die milieus vormen dan weer typische leefgebieden of habitats voor zeer specifieke soorten. Voor die planten en dieren is onze stad een belangrijk leefgebied. Voorbeelden van stadsbiotopen in Gent zijn kaaimuren, spoorwegterreinen, kelders of daken van oude gebouwen. Het zijn plekken die vaak verlaten zijn en waar soorten ‘gerust’ gelaten worden. Een ander typisch en zeer belangrijk milieu van onze stad zijn de meersen of natte valleigronden. Gent is ontstaan langs rivieren. Daarlangs vinden we nog altijd veel meersen. Denk maar aan de Bourgoyen-Ossemeersen, de Assels, de Keuzemeersen en de Sneppemeersen. Deze natte graslanden en moerassen trekken ook typische dieren en planten aan. Plekken die aangeduid zijn als hotspot binnen het soortenplan hebben bijgevolg een belangrijke waarde als biotoop voor de prioritaire soorten. Het is dan ook van belang dat dergelijke biotopen bewaard blijven. 5.3. Gebieden van de gewenste groenstructuur – nieuw te ontwikkelen groengebieden Het thematisch RUP Groen heeft niet enkel tot doel om bestaande groenelementen planologisch te verankeren, maar ook om de ontwikkeling van de gewenste groenstructuur planologisch mogelijk te maken en te sturen. Deze gewenste groenstructuur is in detail uitgewerkt in het Groenstructuurplan (p. 99 t.e.m. 146) en is mee opgenomen en verder uitgewerkt in de Structuurvisie 2030 – Ruimte voor Gent
(2018). Het gewenste groeneruimtenetwerk bestaat uit een aantal bouwstenen: — groenklimaatassen — groene ringen — aanvullende stedelijke groencorridors — groenpolen — stadsparken — wijkparken en woongroen — valleigebieden — kouters en bulken X-18.079-14/56 — bossen — privaat groen, straatgroen en straatbomen — stadsakkers/volkstuinen — tijdelijk groen. In het Groenstructuurplan wordt een grafische weergave gegeven van deze gewenste groenstructuur voor het hele grondgebied. Een aantal van de gewenste groenstructuurelementen zijn in de huidige toestand nog onbestaande. Voorliggend RUP Groen wil dan ook een aantal gewenste groenstructuurelementen planologisch herbestemmen, in functie van een effectieve realisatie. Het gaat zowel over nieuwe natuur al dan niet in een valleigebied, bosuitbreiding in bosclusters en nieuwe parken. De nieuw te ontwikkelen gebieden uit de gewenste groenstructuur waarover voldoende duidelijkheid is betreffende de locatie en realisatie, worden meegenomen als deelgebied van het thematisch RUP Groen. De gewenste groenontwikkelingen die te complex zijn, vragen om een eigen gebiedsgerichte aanpak (bv. wijkparken waarvoor een locatieonderzoek wordt uitgevoerd binnen de stadsontwikkelingsprojecten; de ontwikkeling van recreatieve groene assen die afzonderlijke processen vergen; … ). Dergelijke ontwikkelingen worden enkel in het thematisch RUP opgenomen indien ze in een voldoende verre fase van uitwerking en detaillering zitten. Behalve deze elementen uit de gewenste groenstructuur zijn er nog een aantal andere, kleinere groenelementen die op dit moment nog onbestaande zijn, maar waarover wel een akkoord is om deze uit te voeren. Dit akkoord is dikwijls vastgelegd in een masterplan of een ander inrichtingsplan. […]. 3.5. De eerste verzoekende partij is eigenaar van een perceel met woning, gelegen aan de Orchideestraat 98 te 9041 Gent, kadastraal bekend als afdeling 17, sectie C, nr. 483/g. Tweede en derde verzoekers zijn gebruikers en bewoners van dit perceel. Het perceel (hierna zwart omrand) is, grotendeels ingericht als parktuin: X-18.079-15/56 3.6. Overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone is het perceel gelegen in woongebied. Het perceel bevindt zich voorts binnen de afbakeningslijn van het bij besluit van de Vlaamse regering van 16 december 2005 definitief vastgesteld gewestelijk RUP ‘afbakening grootstedelijk gebied Gent’ (hierna: het gewestelijk afbakenings-RUP), dat een aanzienlijk deel ervan aanduidt als stedelijk woongebied. Het uiterst westelijk gelegen deel van het perceel is volgens het bij ministerieel besluit van 27 februari 1991 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg (BPA) ‘Achtendries-2’ gelegen in een zone voor landbouw, zone voor wandel- en fietswegen en zone voor bos. Aan de overzijde van de Achtenkouterstraat is het bij ministerieel besluit van 22 mei 1997 goedgekeurde BPA ‘Oude Bareel’ van toepassing. 3.7. In de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP worden de geldende bestemmingen van het betreffende gebied als volgt op één kaart (hierna aangevuld met benaderende verduidelijkingen) weergegeven: Stedelijk woongebied Zone voor bos Zone voor landbouw X-18.079-16/56 3.8. Op 16 maart 2017 keurt het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent het concept van het gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ goed. In de (concept-)toelichtingsnota bij het door de verzoekende partijen geviseerde deelgebied ‘307 - Sint-Amandsberg - Oude Bareel’ wordt onder meer het volgende gesteld: “Biologische waarderingskaart […] Droge en hoger gelegen zone ten oosten van het Lijnmolenpad De boskern, die zich uitstrekt over de Achtenkouterstraat, bestaat uit biologisch zeer waardevol zuur eikenbos (vaak met ruderale ondergrond) en eiken-berkenbos, met daartussenin een biologisch minder waardevol perceel met zeer waardevolle elementen residentiële woonwijk met deel opgaand groen (>80%). Ten noorden van de Achtenkouterstraat, werden de aangrenzende percelen als volgt gekarteerd, van noord naar zuid: open bebouwing met geen of weinig opgaand groen (40-60 %), waardevolle loofhoutaanplant, waardevol kasteelpark met (2de eenheid) soortenrijk permanent cultuurgrasland met relicten van halfnatuurlijke graslanden en loofhoutaanplant en enkele biologisch minder waardevolle akkers op zandige bodem. Ten zuiden van de Achtenkouterstraat ligt er nog een geïsoleerd biologisch zeer waardevol eiken-berkenbosje en aansluitend daarop voornamelijk biologisch minder waardevolle akkers op zandige bodem, behalve in de zuidoostelijk hoek een soortenarm permanent cultuurgrasland. Kwetsbare soorten De Groendienst werkt momenteel een soortenmatrix/kaart uit met daarop alle ‘hotspots’ waaraan acties gekoppeld kunnen worden. Deze matrix is gebaseerd op de verschillende lijsten met aanduiding van belangrijke soorten, zowel fauna als flora (de rode lijstsoorten, de habitatsoorten, de lijst prioritaire soorten van Oost-Vlaanderen en belang van deze populaties voor Gent). Het openruimtegebied Oude Bareel is aangeduid als hotspot omwille van het voorkomen van bedreigde, kwetsbare, gevoelige en/of van bescherming afhankelijke soorten, uiteraard komen er ook veel andere (minder kwetsbare) soorten voor. De aanduiding kan betekenen dat hier maar één specifieke maar erg bedreigde soort voorkomt, maar kan ook betekenen dat hier verschillende kwetsbare soorten voorkomen. Algemeen Het betreft een deelgebied uit de A2-lijst en de B-lijst. Het deelgebied bestaat gedeeltelijk uit reeds waardevolle natuur en bos, maar het is eveneens geselecteerd in functie van de ontwikkeling van nieuw bos. Het deelgebied zoals opgenomen in het RUP groen heeft een totale oppervlakte van 6,56 ha. Het deelgebied is voornamelijk in private eigendom. Er is echter 1 perceel aangeduid dat in eigendom van het OCMW is. Vier andere percelen zijn in eigendom van de Stad Gent.” X-18.079-17/56 3.9.1. Op 31 augustus 2017 keurt het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent de startnota, met inbegrip van de milieueffectscreening (MER-screening) met betrekking tot het gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ goed. In de MER-screening wordt met betrekking tot het kwestieuze deelgebied onder meer gesteld: “5.5.5.3.2 Onderzoek naar mogelijke aanzienlijke milieueffecten Ten aanzien van de huidige referentiesituatie Effecten op SBZ-zones of VEN-gebied zijn niet te verwachten gezien de grote tussenliggende afstand (meer dan 1
- km)en de aard van de activiteit die het ontwerp-RUP toelaat (zone voor natuur en bos). Een passende beoordeling of verscherpte natuurtoets zijn dan ook niet vereist. Volgens de biologische waarderingskaart zijn biologisch waardevolle tot zeer waardevolle zones gelegen in het plangebied. Deze elementen kunnen behouden blijven binnen de vooropgestelde bestemmingen zone voor bos en zone voor natuur, wat neutraal beoordeeld wordt. Een bestemming en inrichting van het gebied als bos- en natuurzone zorgt bijkomend voor een juridische bescherming van de huidige waarden, wat als positief beoordeeld wordt. Door de bestemmingswijziging kan ook biotoopwinst en een leefgebied voor plantensoorten en kleinere diersoorten verwacht worden. De zones kunnen ook (blijven) dienst doen als stapsteen in het landschap voor migrerende soorten. Hierdoor worden ook positieve effecten op de biodiversiteit verwacht. De bos- en natuurzone zal een hogere biologische waarde hebben indien gekozen wordt voor inheemse, streekeigen soorten en een ecologische inrichting. Dit zal opgenomen worden als aanbeveling. Ten aanzien van de theoretische referentiesituatie Voor het plangebied kan er van uitgegaan worden dat ten aanzien van de theoretische planningsreferentiesituatie, bij uitvoering van de huidige bestemmingen, de terreinen zouden bestaan uit landbouw (inclusief landbouwbedrijven) en bos. In functie van biodiversiteit e.d. is een bijkomend areaal aan bos en natuur (vooropgesteld door het ontwerp-RUP) een positieve ontwikkeling. 5.5.5.3.3 Maatregelen/aandachtspunten (reeds voorzien of te voorzien) en conclusie Er zijn vanuit de discipline biodiversiteit geen significante negatieve effecten te verwachten door uitvoering van het ontwerp-RUP. Als aanbeveling wordt opgenomen dat het bos- en natuurgebied best uit inheemse, streekeigen soorten bestaat, en dat best gekozen wordt voor een ecologische inrichting.” 3.9.2. Verder wordt het deelgebied ‘307 - Sint-Amandsberg - Oude Bareel’ in de startnota nog steeds opgevat als twee gebieden die op het grafisch X-18.079-18/56 plan niet met elkaar zijn verbonden. De toelichtingsnota geeft aan dat de doorwaardbaarheid en verbinding van beide gebieden wordt onderzocht. 3.10.1. Van 18 september 2017 tot 19 november 2017 organiseert de stad Gent een raadpleging van de bevolking over de door haar college goedgekeurde start- en procesnota. Op 9 oktober 2017 wordt een informatiemoment over de start- en procesnota georganiseerd. 3.10.2. De verzoekende partijen dienen een inspraakreactie in, waarin zij het volgende stellen: “Cliënten zijn er zich van bewust dat een planologische overheid bij de opmaak van een RUP over een ruime planologische vrijheid beschikt, doch het vooropgestelde ‘openstellen’ en mogelijks overdragen van een deel van hun tuinzone (afsplitsing van een deel van het huiskavel) ten behoeve van de aanpalende woonontwikkelingen, valt niet te verantwoorden. Deze vaststelling geldt des te meer nu deze afbakening evenmin steun vindt vanuit natuuroogpunt. Aan de bestaande vegetatie op het huiskavel van cliënten wordt immers geen bijzondere biologische waarde toegekend.” 3.10.3. Op 26 oktober 2017 verleent het departement Omgeving van de Vlaamse overheid een advies, waarin het bevestigt dat het “[v]oorliggend planningstraject […] betrekking [heeft] op groenelementen op lokaal stedelijk niveau”. 3.11. Op 22 mei 2018 keurt de gemeenteraad van de stad Gent het GRS (‘Structuurvisie 2030’) definitief goed. In deze structuurvisie wordt over het groeneruimtenetwerk gesteld: “Het groeneruimtenetwerk moet stabiel zijn. Het groeneruimtenetwerk vraagt voldoende ruimte en ontwikkelingstijd om zijn natuur- en klimaatfuncties te vervullen. Zo bouwen we aan een stabiel en robuust netwerk waarin ook de meer veranderlijke functies een plaats krijgen. Stand-still inzake natuur en uitbreiding van bos blijft een belangrijk streven. Het groeneruimtenetwerk heeft diverse functies. Het groeneruimtenetwerk heeft een meervoudige (maatschappelijke) rol te spelen. We trachten de verschillende functies maximaal te combineren bij de inrichting van de groene ruimte. Ruimtelijke kwaliteit, X-18.079-19/56 gebiedskenmerken en maatschappelijke meerwaarde bepalen welke (laagdynamische) functies in een bepaald gebied mogelijk zijn. Die maatschappelijke meerwaarde van de groene ruimte kunnen we ook kwantitatief en/of financieel vertalen. Het groeneruimtenetwerk vormt een samenhangend geheel. De continuïteit van het groeneruimtenetwerk is belangrijk voor het globaal (recreatief) functioneren en voor de stedelijke biodiversiteit. We versterken de samenhang door zowel in stedelijk als in buitengebied bijkomende verbindingen te realiseren om bestaande groene ruimtes te verbinden en kansen te benutten om extra groene ruimtes te creëren. Daarbij zijn twee acties belangrijk: groen langsheen infrastructuren behouden en versterken en barrières opheffen met respect voor de landschappelijke waarde van de omgeving. […] We maken het groeneruimtenetwerk klimaatrobuust. We werken aan een robuust groeneruimtenetwerk dat ook kan standhouden of zich aanpassen bij voortgaande klimaatwijzigingen (zoals verdroging, temperatuurstijging en hevige regenval).” Voorts worden de bossen als ruimtelijke bouwstenen van het gewenste groeneruimtenetwerk omschreven: “Bossen Gent heeft bijkomend bos nodig, maar bosuitbreiding is enkel zinvol als het huidige waardevolle bosareaal maximaal behouden kan blijven. Vooral boszones die al een langere ontwikkelingsgeschiedenis kennen zoals de loofbosbestanden in de grotere kasteelparken, historische oude boskernen of de ecologisch waardevolle bossen op natte bodems zijn niet vervangbaar; er mag niet aan geraakt worden. Het ontwikkelen van duurzaam beheerde bossen staat voorop. Alle publieke bossen worden beheerd volgens de criteria van duurzaam bosbeheer. Dat tracht de verschillende functies van bos (economisch, ecologisch, recreatief, klimaat…) te verzoenen en tegen elkaar af te wegen, rekening houdend met de draagkracht van het ecosysteem. Er wordt gestreefd naar een maximale toegankelijkheid van de nieuwe bossen, zeker in de groenpolen waarin zowel de recreatieve onthaalfuncties (poorten of portalen), bosspeelzones als recreatieve infrastructuren en soms ook ruiter- of mountainbikepaden vervat zitten. Ook bestaande bossen maken we toegankelijker. De mate van toegankelijkheid verdelen we over de verschillende grootschalige boscomplexen, waardoor inwoners van alle stadsdelen de kans krijgen om van de bosstructuur gebruik te maken. Op kleinere schaal verbeteren we de toegankelijkheid van kasteelparken. Het is niet de bedoeling alle privédelen open te stellen maar delen van deze bossen mee aan te haken in een groter recreatief netwerk. Volgende boselementen ondersteunen de structurerende rol van de bossen: • De grotere boskernen […] • Clusters van kleinere boskernen, potentievolle zones voor bosuitbreiding, situeren zich vooral in de omgeving van bestaande of gewenste boskernen X-18.079-20/56 waar plaatselijk al een ecologische verweving van agrarisch gebied met een raamwerk van kleine landschapselementen of kleinschalige boselementen aanwezig is. Dergelijke zones situeren zich vooral in de omgeving van de Vinderhoutse Bossen, in de Moervaartvallei, de Rosdambeekvallei, binnen het stedelijk groengebied Bourgoyen - Malem - Blaarmeersen – Sneppemeersen en (plaatselijk) de Bovenschelde. Daarnaast bieden bestaande kasteelparken vaak een waardevol aangrijpingspunt voor bosuitbreiding en -verbinding. • De ruimten rondom de grotere infrastructuren (snelwegen, R4, spoorwegen) bieden nog vele potenties voor ontwikkeling van kleinere boselementen en struweel. Deze fungeren als bosverbindingen. Ze vormen een belangrijk verbindend element tussen de grotere boskernen en clusters van kleinere boskernen.” Het bindend gedeelte van het GRS vermeldt onder de kwantitatieve taakstellingen tot 2030: “Om de totale effectieve oppervlakte aan natuur op het gehele grondgebied minstens op het peil van 1999 te houden voert de Stad een stimulerend beleid van bescherming van gewenste samenhangende groengebieden en van effectieve compenserende realisatie bij verdwijnen van geïsoleerde natuurelementen (gericht op het realiseren van de gewenste ruimtelijke groenstructuur). De Stad houdt een inventaris bij van verdwenen en toegevoegde natuur- en groenelementen in functie van het ‘standstill’-principe en van het ondersteunen van tijdelijke natuur. We nemen de nodige planningsinitiatieven voor groen, bos en natuur en voorzien hierin ruimte voor de compensatie van de herbevestigde agrarische gebieden.” 3.12. Op 14 juni 2018 keurt het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent de scopingnota van het gemeentelijk RUP goed. 3.13. Op 28 juni 2018 keurt het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent het voorontwerp van het gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ goed. 3.14. De gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de stad Gent (hierna: de Gecoro) verleent op 3 oktober 2018 een advies. 3.15. Op 6 december 2018 wordt de plenaire vergadering over het voorontwerp van het gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ georganiseerd. X-18.079-21/56 3.16. Op 16 september 2019 vindt in verband met het deelgebied ‘307 - Sint-Amandsberg - Oude Bareel’ een informatiedag plaats. 3.17. Op 16 augustus 2020 beslist de dienst Milieueffectrapportage (dienst Mer) van de Vlaamse overheid dat geen plan-milieueffectrapport (plan-MER) moet worden opgesteld. Dit is het tweede bestreden besluit. 3.18.1. Op 29 september 2020 stelt de gemeenteraad van de stad Gent het ontwerp van het gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ voorlopig vast. 3.18.2. Het geviseerde deelgebied ‘307 - Sint-Amandsberg - Oude Bareel’ wordt uitgebreid. De procesnota stelt in dit verband: “De contour werd beperkt uitgebreid in functie van de realisatie van een aantal ontbrekende schakels in het tragewegennet. Het betreft drie stroken in functie van een verbinding naar het Lijntjespoelpad en een strook in functie van een verbinding naar de Beelbroekstraat. Twee percelen die op het huidige BPA ook aangeduid zijn als bosgebied en aansluiten op het bosgebied zoals voorzien in het RUP Groen, worden meegenomen in de contour. Dit was initieel de bedoeling. Een strook gelegen langs de zuidelijke rand van het Mierengoedbosje (in eigendom van de Stad Gent) werd toegevoegd in functie van de ontwikkeling van een bosrand en een wandelpad. Er werd een recht van voorkoop gekoppeld aan alle (delen van) percelen die niet opgenomen zijn in het onteigeningsplan, voor zover dit nog niet het geval was. De concepten uit de toelichtingsnota inzake trage verbindingen zijn verfijnd en de inrichtingsschets is toegevoegd.” 3.18.3 Het gewenste tragewegennetwerk wordt in de toelichtingsnota als volgt weergegeven: X-18.079-22/56 “ ” 3.18.4. Het tuingedeelte van het perceel van de verzoekende partijen vormt de innames 28 en 30 van het voorlopige onteigeningsplan: X-18.079-23/56 3.19. Tijdens het openbaar onderzoek, dat van 14 december 2020 tot en met 11 februari 2021 over het ontwerp van het gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ wordt georganiseerd, dienen onder anderen de verzoekende partijen een bezwaarschrift in. 3.20. Op 10 mei 2021 verleent de Gecoro een advies, waarin de bezwaren van de verzoekende partijen behandeld worden. 3.21.1. Met het eerste bestreden besluit van 28 september 2021 stelt de gemeenteraad van de stad Gent het gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ definitief vast. 3.21.2. Diezelfde dag keurt de gemeenteraad tevens het onteigenings- besluit ‘ter realisatie van [het] gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Thematisch RUP 169 Groen” voor de deelgebieden Afsnee - Rosdambeekvallei, Sint-Amandsberg - Oude Bareel en Oostakker - Slotendries’ goed. De verzoekende partijen hebben tegen dit onteigeningsbesluit een beroep tot nietigverklaring X-18.079-24/56 ingediend bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (zaak nr. 2122-RvVb-0227-A). 3.21.3. In de motiverings- en projectnota bij het onteigeningsbesluit wordt het volgende gesteld: “5.5. Behoud en versterken van de natuurwaarden door het instellen van een samenhangend, gecoördineerd beheer 5.5.1. Opmaak natuurbeheerplan In functie van het goed beheer van het natuur en bosgebied zal een natuurbeheerplan worden opgemaakt conform de voorschriften van het natuurdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten. Dit natuurbeheerplan zal voldoen aan de criteria voor geïntegreerd natuurbeheer. Deze criteria vormen een leidraad en dienen als garantie voor een duurzaam beheer op maat van het natuurterrein. Een natuurbeheerplan is geen doel op zich maar een middel om in een bepaald terrein, beheerd ten behoeve van het natuurbehoud, bepaalde doelstellingen (i.v.m. ecologie, bosbeheer, landschap, cultuurhistorie, recreatie…) te realiseren. Een natuurbeheerplan bestaat uit vijf delen: - verkenning: een algemene beschrijving en een voor de ecologische, de sociale en de economische functie - inventaris: een gedetailleerde beschrijving van de bestaande toestand, verzameling van de nodige terreininformatie om de doelstellingen concreet uit te werken en/of op te volgen - beheerdoelstellingen - beheermaatregelen om de beheerdoelstellingen te realiseren - opvolging: een beschrijving van de wijze waarop de realisatie van de beheerdoelstellingen zal worden opgevolgd en geëvalueerd Een natuurbeheerplan heeft een looptijd van 24 jaar, tenzij anders bepaald bij de goedkeuring ervan. In dit natuurbeheerplan worden de op lange termijn te ondernemen en/of zich herhalende beheermaatregelen voor het volledige gebied opgenomen. Het natuurbeheerplan zal dienen als basis om aanspraak te kunnen maken op subsidies van de Vlaamse Overheid. In het natuurbeheerplan voor de Oude Bareel zal voor zone 1 een beheer in functie van de dotterbloemgraslanden en de relicten van blauwgraslanden worden vooropgesteld. In zone 2 worden de doeltypes zuur eikenbos en eiken berkenbos nagestreefd. Er zal in het bijzonder aandacht worden besteed aan de aanwezigheid van de kwetsbare soorten bosmier, bosmierlieverheersbees[t]je, fitis en goudhaan. Ook voor vleermuizen, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis en steenuil zullen concrete maatregelen worden genomen. Tenslotte zal in het plan de definitieve toegankelijkheidsregeling voor het gebied worden opgenomen. Deze maatregel is van toepassing op alle percelen gelegen in het projectgebied.” X-18.079-25/56 3.21.4. In de toelichtingsnota bij het gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ wordt de volgende grafische weergave van de verschillende deelgebieden gegeven. Het deelgebied ‘307 - Sint-Amandsberg - Oude Bareel’ is in het blauw aangeduid: 3.22. Het grafisch plan van het deelgebied ‘307 - Sint-Amandsberg - Oude Bareel’ is het volgende: X-18.079-26/56 “ ” 3.23.1. De toelichtingsnota beschrijft de ‘situering’ en de ‘ruimtelijke context’ van het geviseerde deelgebied ‘307 - Sint-Amandsberg - Oude Bareel’ als volgt: “Het deelgebied Oude Bareel is gelegen in de oostelijke stadsrand en situeert zich zowel op het grondgebied van Sint-Amandsberg als van Oostakker, op de grens van beide deelgemeenten, die ter plaatse wordt gevormd door de Achtenkouterstraat. Het gebied bestaat uit twee kleinere delen, die beide deel uitmaken van het nog resterend openruimtegebied dat gelegen is tussen de wijken Oude Bareel en Achtendries (tussen de Antwerpsesteenweg en de spoorweg Gent-Antwerpen). Een aantal stroken die beide gebieden verbinden met openbare (trage) wegen maken eveneens deel uit van het plangebied. Het westelijke deel grenst in het westen aan de Beelbroekstraat en sluit in het oosten aan op het Lijntjespoelpad, een onverharde trage weg tussen de Zénobé Grammestraat, Achtenkouterstraat en de Beelbroekstraat. Het omvat de lager gelegen weilanden van het openruimtegebied. Het tweede deel is meer naar het oosten gelegen, langs de andere kant van het Lijntjespoelpad, en strekt zich uit langs beide zijden van de Achtenkouterstraat. Dit deel bestaat deels uit bos, deels uit (beplante) tuinen en akkers. In het gebied is eveneens een zonevreemde woning met tuinberging gelegen. Op een aanpalend perceel staan zonevreemde bergingen. X-18.079-27/56 2. ruimtelijke context Het deelgebied bevindt zich zowel op grondgebied van Sint-Amandsberg als van Oostakker. De Achtenkouterstraat die dwars door het deelgebied loopt, vormt de grens tussen beide deelgemeenten. Het ruimere openruimtegebied van de Oude Bareel bevindt zich tussen 20e eeuwse woonlobben en verkavelingen. Deze omgeving is een relict van het typisch Gents landbouwlandschap van aaneengesloten weiden en akkers met kleine landschapselementen, zoals - in dit deelgebied - houtstruweel, knotbomen, een beek, grachten en twee stukjes bos, waaronder het Mierenbosje. Enkele oudere trage wegen die het gebied doorkruisen zijn afgesloten of omgeploegd tot landbouwgebied. Doorheen het gebied loopt het Lijntjespoelpad, een onverharde trage weg tussen de Zénobé Grammestraat, Achtenkouterstraat en de Beelbroekstraat. Naast een landschappelijke en ecologische functie heeft het gebied ook een landschappelijke waarde als restant van een historische microkouter. [afbeelding] Het openruimtegebied ten noorden van de Achtenkouterstraat, op grondgebied Oostakker, bestaat uit weides, knotbomen, grachten en een bosje. Twee boerderijen liggen er middenin. Een deel van het gebied is afgesloten als private parktuin, welke een trage weg doormidden snijdt. Het deelgebied bestaat uit twee onderdelen. Het noordelijke onderdeel, langs de Achtenkouterstraat bestaat uit verspreide bosjes, graslanden, akkers, een deel van een tuin en een gedeelte van een langgerechte parkachtige tuin. Binnen dit onderdeel bevinden zich twee bebouwde percelen die op het kadaster gekend staan als ‘huis’ en als ‘bergplaats’. De noordelijke grens wordt bepaald door de afbakening van het gewestelijk RUP (zie verder). Het zuidelijke onderdeel, gelegen langs de X-18.079-28/56 Beelbroekstraat, bestaat uit natte graslanden met verschillende kleine landschapselementen. [afbeelding] Biologische waarderingskaart Natte (kwel) zone ten westen van het Lijntjespoelpad Het betreft een combinatie van voor de natuur waardevolle vegetaties en een aantal percelen met potentie. Van noord naar zuid komen de volgende vegetatietypes voor: een biologisch zeer waardevolle goed ontwikkelde veedrinkpoel midden in een biologisch waardevol soortenrijk permanent cultuurgrasland met relicten van halfnatuurlijke graslanden met (tweede eenheid) minder goed ontwikkeld vochtig, licht bemest grasland (dotterbloemhooiland) en ten oosten en ten zuiden daarvan minder waardevol soortenarm permanent cultuurgrasland. Droge en hoger gelegen zone ten oosten van het Lijntjespoelpad. De boskern, die zich uitstrekt over de Achtenkouterstraat, bestaat uit biologisch zeer waardevol zuur eikenbos (vaak met ruderale ondergrond) en eiken-berkenbos, met daartussenin een biologisch minder waardevol perceel met zeer waardevolle elementen residentiële woonwijk met deel opgaand groen (>80%). Ten noorden van de Achtenkouterstraat, werden de aangrenzende percelen als volgt gekarteerd, van noord naar zuid: open bebouwing met geen of weinig opgaand groen (40-60 %), waardevolle loofhoutaanplant, waardevol kasteelpark met (2de eenheid) soortenrijk permanent cultuurgrasland met relicten van halfnatuurlijke graslanden en loofhoutaanplant en enkele biologisch minder waardevolle akkers op zandige bodem. Ten zuiden van de Achtenkouterstraat ligt er nog een geïsoleerd biologisch zeer waardevol eikenberkenbosje en aansluitend daarop voornamelijk biologisch minder waardevolle akkers op zandige bodem, behalve in de zuidoostelijk hoek een soortenarm permanent cultuurgrasland. X-18.079-29/56 Soortenplan Het bosgebied Oude Bareel is aangeduid als hotspot omwille van het voorkomen van goudhaantje, fitis, de rode bosmier en het schitterend lieveheersbeestje, allemaal rode lijstsoorten. Het gebied vormt ook een (potentieel) foerageer- en leefgebied voor verschillende vleermuizensoorten en voor bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis en steenuil. Uiteraard komen er ook veel andere (minder kwetsbare) soorten voor. Algemeen Het deelgebied bestaat uit al aanwezige waardevolle natuur en bos, maar het is eveneens geselecteerd in functie van de ontwikkeling van nieuw bos en nieuwe natuur. Het deelgebied zoals opgenomen in het RUP Groen heeft een totale oppervlakte van 9,28 ha. Het is voornamelijk in private eigendom. Er zijn echter twee percelen in eigendom van het OCMW. Zes andere percelen zijn in eigendom van de Stad Gent. X-18.079-30/56 ” 3.23.2. De bestaande feitelijke toestand van het deelgebied wordt in de toelichtingsnota als volgt weergegeven: “[…] De percelen gelegen binnen de perimeter van het RUP Groen zijn in gebruik als grasland, akker, bos en tuin. Ter hoogte van het bosje bevindt zich een zonevreemde woning. Een groot deel van de gronden ten noorden van de Achtenkouterstraat zijn ingericht als onderdeel van een private parktuin [en kleiner deel als private tuin bij woning Achtenkouterstraat nr. 67, die ter hoogte van de zijkant van de woning deels bebost is]. In het openruimtegebied buiten de afbakening van het thematisch RUP Groen, is een trage weg gelegen: het Lijntjespoelpad, tussen de Zénobe Grammestraat en de Beelbroekstraat. In het deelgebied langs het bosje in de Achtenkouterstraat, loopt een trage weg richting de Beelbroekstraat. Deze trage weg loopt echter dood. Het westelijk gedeelte is volledig opgenomen in het geregistreerd landbouwgebruik (gegevens van 2017) als ‘grasland’ (groen). In het oostelijk gedeelte zijn een aantal percelen versnipperd opgenomen in het geregistreerd landbouwgebruik als ‘maïs’ (geel), ‘grasland’ en ‘groenten, kruiden en sierplanten’ (teelt op groeimedium in open lucht – azalea’
- s)(roze). Een gedeelte van de parkachtige tuin is opgenomen als geregistreerd grasland. X-18.079-31/56 […].” 3.23.3. De planningscontext voor het kwestieuze deelgebied wordt in de toelichtingsnota als volgt geschetst: “Ruimtelijk structuurplan Gent, zoals bevestigd in de structuurvisie 2030 Ruimte voor Gent Deelgebied Oude Bareel is geselecteerd als één van de belangrijkste gewenste kleinere natuurgebieden op gemeentelijk niveau. Groenstructuurplan De Oude Bareel is op de gewenste groenstructuur van de randstad noord-oost aangeduid als gebied waar gestreefd wordt naar bos- en natuuruitbreiding. De omgeving van het Mierenbosje is aangeduid als bos en kleinere natuurkern en de biologisch waardevolle graslanden ter hoogte van de Beelbroekstraat, gelegen tussen de 2 eveneens biologisch waardevolle kasteelparken, zijn ook aangeduid als kleinere natuurkern. Deze kleinere natuurkernen maken deel uit van een groter netwerk van wijkparken en natuurkernen in de oostelijke stadsrand dat als doelstelling heeft om een aantrekkelijk groenaanbod te bieden, verspreid over de wijken. De wijkparken situeren zich voornamelijk in de dichter bebouwde subdeelruimtes. In de wijken met grotere tuinen vangen de kleinere natuurkernen de behoefte aan speel- en ontmoetingsplekken op. Door het voorzien van voldoende oppervlakte kan een deel van deze kernen functioneren als woongroen zonder de natuurwaarden in het gedrang te brengen. Daarnaast voorziet de gewenste groenstructuur ook de realisatie van een fijnmazig groen netwerk en het verweven van de groenstructuur in het X-18.079-32/56 bebouwd landschap van de randstad. Het behouden en versterken van het groene karakter voor de wijken in de randstad bestaat er in om de publieke maar ook de privégroenelementen te bewaren en te versterken waardoor beide als een samenhangende groenstructuur het visueel ruimtelijk beeld nog meer gaan bepalen. De landschappelijke inpassing gebeurt op basis van de morfologie van de bestaande groenstructuren uit de omgeving. […].” 3.23.4. Punt 6 ‘motivatie wijziging en gewenste bestemming’ van de toelichtingsnota luidt: “Afbakening van het plangebied Het plangebied van het RUP Groen, deelgebied Oude Bareel, wordt in het noorden (ten noorden van de Achtenkouterstraat) afgebakend door het gebied bestemd als stedelijk woongebied in het gewestelijk RUP ‘Afbakening grootstedelijk gebied Gent’ (SW Art. 1). Het plangebied van het RUP Groen sluit hier helemaal op aan zodat op die manier de gewenste groene dooradering in het nog te ontwikkelen woongebied, aansluiting kan vinden met de gewenste bosuitbreiding rond het Mierenbosje. Op die manier kan ook een groenverbinding gecreëerd richting het bestaande bosje in de Hyacinth Lippensstraat, ten noorden van het plangebied en als dusdanig bestemd in het BPA ‘SA 10 Achtendries 2’. Ten zuiden van de Achtenkouterstraat, wordt het plangebied in het noordwesten afgebakend door het gebied aangeduid als natuurgebied in het gemeentelijk RUP 167 ‘stedelijk wonen’. In het oosten wordt het plangebied afgebakend op basis van de huidige bestemming volgens het BPA ‘SA 4 Oude Bareel’. De plangrens bevindt zich ter hoogte van de percelen die op dit BPA zijn aangeduid als ‘zone X-18.079-33/56 voor koeren en tuinen’. Deze tuinzones worden hier niet opgenomen in voorliggend RUP Groen. De centrale zone in het openruimtegebied maakt, met uitzondering van een aantal verbindingen, geen deel uit van voorliggende plangrens. Binnen deze centrale zone blijft de huidige bestemming als ‘zone voor land- en tuinbouw’ volgens het BPA ‘SA 4 Oude Bareel’, behouden (zie ook verder). De plangrens volgt hier de perceelsgrenzen op die manier zodat de bestaande bosjes ter hoogte van de Achtenkouterstraat met elkaar verbonden kunnen worden en er groenverbindingen tot tegen het te ontwikkelen woongebied gecreëerd kunnen worden. De percelen ten westen van deze bestaande of bestemde bossen, behouden hun agrarische bestemming en maken dus geen deel uit van het plangebied. Ten zuiden van het bestaande beboste perceel (perceel nr. 205) maakt een strook van 6m bijkomend deel uit van het plangebied. Dit gebeurt in functie van de creatie van een bosrand (die nu onbestaande
- is)en een wandelpad. Ter hoogte van het westelijke gebied langs de Beelbroekstraat, zijn de percelen die op vandaag al een biologische waarde hebben, opgenomen binnen de plangrens. Daarnaast maken ook de percelen die instaan voor een natuuruitbreiding tussen de natte waardevolle zone (beschermd als natuurgebied in het RUP stedelijk wonen) en de waardevolle private villatuin, die als dusdanig beschermd is in het BPA ‘SA 4 Oude Bareel’ deel uit van het plangebied. De overige percelen ten oosten van dit gebied maken geen deel uit van het plangebied en behouden hun agrarische bestemming. Tot slot maken 4 langgerekte stroken deel uit van het plangebied. Het betreft stroken waar wandelpaden inclusief een groene berm (houtkant of knotbomenrij) gewenst zijn. Op die manier kan een fijnmazig wandelnetwerk gecreëerd worden, kan aan landschapsherstel worden gedaan en ontstaat een fijnmazig groen raamwerk binnen het agrarisch gebied. Deze stroken zijn telkens 6m breed, met uitzondering van de aansluiting ter hoogte van de Beelbroekstraat. Hier wordt de breedte bepaald door het kadastraal perceel en de huidige bestemming als ‘zone voor wandel- en fietswegen’. Met andere woorden, enkel de percelen die op vandaag al een biologische waarde hebben als natuur of bos, de percelen die vandaag reeds een bosbestemming hebben én de percelen die absoluut noodzakelijk zijn voor het creëren van natuur- en bosverbindingen maken deel uit van het plangebied. De afbakening laat centraal in het openruimtegebied een kleinschalig, stadsgericht en landschappelijk landbouwproject toe, dat zich situeert tussen de natuur- en boszone zoals opgenomen in het plangebied van voorliggend RUP Groen. [afbeelding] Wijziging bestemming Het deelgebied Oude Bareel is een overgebleven relict van het voormalige bulkenlandschap Gent-Oost tussen Sint-Amandsberg en Sint-Kruis-Winkel. Het gebied waarborgt een aantal biologisch waardevolle graslanden en bosjes, en is daarnaast ook aangeduid als Gentse hotspot omwille van het voorkomen van bedreigde, kwetsbare, gevoelige en/of van bescherming afhankelijke soorten, zoals de rode bosmier. X-18.079-34/56 Meer bepaald de natte kwelzone ter hoogte van de Beelbroekstraat en de percelen in en rond het Mierenbosje, hebben op dit moment al een belangrijke biologische waarde. In het RUP Groen wordt er expliciet gekozen om deze bestaande waardevolle natuur- en bosgebieden een gepaste bestemming te geven, zodat deze gebieden een planologische bescherming krijgen en niet meer aangesneden kunnen worden. Op die manier bestaat de garantie dat deze waardevolle natuur en bospercelen behouden blijven en verder kunnen ontwikkelen. Er wordt geoordeeld dat daarbovenop de natuurwaarden in het gebied nog kunnen toenemen. De herbestemming gebeurt eveneens in functie van de intentie om op deze locatie bosuitbreiding mogelijk te maken. In die zin is het waardevol om de bestaande bestemming van agrarisch gebied om te vormen tot zone voor natuur en zone voor bos, en de bestaande bestemming als zone voor bos te herbevestigen. De huidige bestemming als ‘zone voor koeren en tuinen’ achter woning Achtenkouterstraat nr. 67 wordt gedeeltelijk herbevestigd in het RUP Groen als ‘zone voor parkachtige tuin’. Deze tuin is immers op korte afstand van de woning gelegen. Een robuuste bosuitbreiding op deze locatie is dan ook niet gewenst in kader van schaduwwerking ten opzichte van de woning en bijgevolg de impact ervan op de woning nr. 67. Door de aanduiding van deze tuin als ‘zone voor parkachtige tuinen’ kan de tuinzone als dusdanig behouden blijven maar worden tegelijkertijd de doelstellingen inzake het opwaarderen van de biologische waarden voor dit perceel wel vastgelegd. De doelstelling voor het achterste gedeelte van dit perceel blijft evenwel het aanplanten van bos als verbindend onderdeel van een ruimer bosgebied. Het achterste gedeelte van de tuinzone wordt bijgevolg wel herbestemd naar ‘zone voor bos’. Door in te zetten op bosbehoud, -herstel en -uitbreiding in de Oude Bareel vergroten we het bosbestand in Gent, verhogen we de kwaliteit van het bos en zetten we in op verbindingen. Door in te zetten op natuurontwikkeling en -herstel in de Oude Bareel, willen we bijkomende oppervlakte natuur ontwikkelen en de kwaliteit van de natuur verhogen. Hierdoor willen we minstens de standstill voor natuur in Gent handhaven. Bijkomend wensen we het leefgebied voor een aantal bijzondere soorten, waaronder de Rode bosmier, uit te breiden. Door in te zetten op meer publiek toegankelijke bos- en natuurkernen, rekening houdend met de aanwezigheid van de beschermde bosmier, willen we aan de huidige én de toekomstige inwoners van Oude Bareel en omgeving de mogelijkheid bieden om in de nabijheid van hun woning in alle rust te kunnen genieten van een stukje waardevol groen. Met de herinrichting van de Oude Bareel creëren we robuustere bosbestanden en natuurgebieden en bieden we extra ruimte voor water in functie van de opvang van intensere regenbuien en het voorkomen van droogte. Op die manier dragen we bij aan het verder klimaatrobuust maken van [de] Stad Gent en voegen we tegelijkertijd extra kwaliteit toe aan de stad, door de leefbaarheid te verhogen, de gezondheid te bevorderen, aantrekkelijke buitenruimte te creëren en een rijkere biodiversiteit te stimuleren. Gent wordt zo nog aangenamer en veiliger om in te wonen (werken, verblijven). Ook voor planten en dieren. Op die manier kan het deelgebied Oude Bareel uitgroeien tot een volwaardig aaneengesloten open ruimte- en natuurgebied met ruimte voor X-18.079-35/56 bosuitbreiding. Het vormt een belangrijke groene long in het verkavelde 20e eeuwse woongebied op de rand van Sint-Amandsberg en Oostakker. De centrale hoger gelegen zone in het openruimtegebied wordt gereserveerd voor een stadsgericht landbouwproject met een sterke relatie voor en door de buurt. Omwille van deze reden kan voor desbetreffende percelen de huidige bestemming als ‘zone voor landbouw’ behouden blijven. De centrale agrarische zone wordt bijgevolg niet herbestemd in het RUP Groen. De meest westelijke, nattere zone wordt herbestemd naar een ‘zone voor natuur’. Het gebied in aansluiting met de bestaande bosjes, waaronder het Mierenbosje, en dat geselecteerd is in functie van bosuitbreiding, krijgt de gepaste bestemming als ‘zone voor bos’. De langgerekte stroken binnen het plangebied worden aangeduid als ‘zone voor natuur’ en ‘zone voor bos’, naargelang deze stroken aansluiten op het nattere natuurgebied of het bosuitbreidingsgebied. Deze stroken worden als dusdanig herbestemd zodat deze een gepaste aanleg kunnen krijgen en op die manier bijdragen aan het herstel van het kleinschalig landschap en instaan voor een groen raamwerk binnen het agrarisch gebied. Bovendien kunnen langs deze stroken gewenste wandelverbindingen worden aangelegd. Deze verbindingen worden aangeduid met een indicatieve overdruk ‘wandelpad’. Binnen de bestemmingen natuur en bos kunnen eveneens publiek toegankelijke paden worden aangelegd.” 3.24.1. De stedenbouwkundige bestemmingsvoorschriften van de ‘zone voor bos’, van toepassing op het deelgebied ‘307 - Sint-Amandsberg - Oude Bareel’, luiden: “Deze zone is bestemd voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van bos. Natuur is toegelaten als nevenfunctie. Educatief en recreatief medegebruik zijn ondergeschikt functies.” 3.24.2. De stedenbouwkundige voorschriften inzake inrichting en beheer van deze zone bepalen: “Alle werken, handelingen en wijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de aanleg, het beheer en de inrichting van bos zijn toegelaten. Nieuwe beplanting (bomen, heesters, heggen en hagen) bestaat steeds uit inheemse soorten, tenzij anders vermeld wordt in een goedgekeurd beheerplan. Enkel de noodzakelijke constructies in functie van bosbeheer en in functie van educatief en recreatief medegebruik zijn toegelaten, voor zover de ruimtelijk-ecologische draagkracht van het gebied niet wordt overschreden. Ondergrondse constructies zijn niet toegelaten. Afsluitingen zijn beperkt tot een paal en draadconstructie, zijn voldoende open en hebben een maximale hoogte van 2m. X-18.079-36/56 Alle paden voor voetgangers of beheervoertuigen zijn onverhard. Verharding is enkel toegelaten voor functionele fietspaden die kaderen binnen een fietsroutenetwerk. De breedte van de fietspaden dient beperkt te blijven tot 3m.” 3.24.3. De stedenbouwkundige bestemmingsvoorschriften van de ‘indicatieve overdruk wandelpad’ luiden: “De overdruk is bestemd om ingericht te worden als wandelpad en de hieraan noodzakelijk verbonden infrastructuur, groenaanleg en straatmeubilair.” De stedenbouwkundige voorschriften inzake inrichting en beheer van de ‘indicatieve overdruk wandelpad’ bepalen: “Gemotoriseerd verkeer is op dit pad niet toegelaten, tenzij door beheervoertuigen. Verharding is niet toegelaten.” De toelichting bij deze voorschriften luidt: “Het pad wordt zo ingericht dat de natuur- en boswaarden van het gebied niet in het gedrang komen. Het pad wordt bijgevolg ingericht met respect voor de onderliggende bestemming.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.1. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van artikel 23 van de Grondwet, de artikelen 4.2.1, 4.2.3, 4.2.4, 4.2.6 en 4.2.8 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid’ (DABM), de artikelen 1.1.4 en 2.2.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het materiëlemotiverings-, rechtszekerheids-, redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, alsook van het voorzorgsbeginsel. X-18.079-37/56 4.2. Zij betwisten in een eerste middelonderdeel dat in casu voldaan is aan de voorwaarden om gebruik te maken van de uitzonderingsgrond inzake een ‘klein gebied op lokaal niveau’. De verzoekende partijen menen dat een procentuele berekeningswijze niet kan volstaan indien het grondgebied van het lokale bestuur een grote oppervlakte beslaat. De kwalificatie als ‘klein gebied’ vergt een in concreto-beoordeling op basis van de oppervlakte en de kenmerken van het plangebied. Ook dient rekening gehouden te worden met de aard en de ligging van het plangebied. De totale plancontour van maar liefst 432 ha kan niet beschouwd worden als een ‘klein gebied’. Bovendien betreft het niet “slechts” 2,8% van de oppervlakte van de stad Gent, maar 432 ha van de meest biologisch en ruimtelijk waardevolle en kwetsbare percelen in een sterk verstedelijkte omgeving. 4.3. In een tweede middelonderdeel betwisten de verzoekende partijen dat het bestreden gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ een ‘kleine wijziging’ inhoudt. Beoordeling 5.1. Krachtens artikel 4.2.3, § 3, DABM kan worden afgezien van de opmaak van een plan-MER wanneer het plan het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau of een kleine wijziging inhoudt en voor zover de initiatiefnemer aantoont dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Zoals de Raad van State in herinnering heeft gebracht in het arrest De Liedekerke, nr. 251.938 van 26 oktober 2021, dient de voorwaarde dat het plan het gebruik bepaalt van een ‘klein gebied’ begrepen te worden als een zuiver kwantitatief criterium, namelijk de oppervlakte van het gebied waarop het bedoelde plan betrekking heeft – ongeacht de milieueffecten – in vergelijking met het grondgebied van de lokale bestuursinstantie. 5.2. Dat het te dezen niet nodig is om een plan-MER op te maken, wordt in de MER-screeningsnota als volgt verantwoord: “2 Wettelijk kader en toetsing plan-MER-plicht […] X-18.079-38/56 Het voorliggende RUP bepaalt evenwel het gebruik van een klein gebied op lokaal niveau én houdt een kleine wijziging in, waardoor er geen plan-MER-plicht geldt voor zover aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage I bij het DABM, kan worden aangetoond dat het plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Wat betreft ‘klein gebied op lokaal niveau’ luidt de Omzendbrief LNE/2007 van 1 december 2007 in dat verband als volgt: ‘Wanneer het plan of programma betrekking heeft op een gedeelte van het grondgebied van een lokale instantie, dan kan er sprake zijn van een klein gebied op lokaal niveau.’ Het totale plangebied heeft een oppervlakte van ca. 432 ha. Het betreft echter geen aaneengesloten plangebied, maar een plangebied dat bestaat uit 102 deelgebieden, verspreid over het grondgebied van de stad Gent. In vergelijking met de totale oppervlakte van de stad Gent, vertegenwoordig[t] het plangebied van het RUP Groen slechts 2,8% van het grondgebied. Er kan dus gesproken worden van een klein gebied op lokaal niveau. Het plan voorziet daarenboven enkel bestemmingen op lokaal niveau: zone voor waardevolle tuin, zone voor park, zone voor begraafpark, zone voor bos, zone voor natuur en zone voor landbouw. Recreatieve functies worden toegelaten als nevenfunctie en onder voorwaarden: • Hoogdynamische recreatie is uitgesloten • De recreatieve functie moet in verhouding zijn tot de andere functies binnen het gebied Wat betreft het begrip ‘kleine wijzigingen’ luidt de Omzendbrief LNE/2007 van 1 december 2007 dat er in concreto moet gekeken worden naar de context van het plan of programma dat wordt gewijzigd. Een kleine wijziging is een wijziging die van die aard is dat het geen substantiële of essentiële verandering van de milieueffecten ten gevolge van de uitvoering van het plan of programma zou kunnen veroorzaken. Uit mer-screeningspraktijk blijkt dat voornamelijk gedoeld wordt op een ‘kleine bestemmingsmatige wijziging’. De deelgebieden kennen in de huidige planologische situatie veelal een harde bestemming (woongebied, gemeenschapsvoorzieningen, …) en slechts in mindere mate een zachte bestemming (bijvoorbeeld agrarisch gebied). Enerzijds heeft het RUP Groen het voornemen om bestaande groengebieden planologisch te verankeren. Dit betekent dat juist minder (harde) functies mogelijk zullen zijn en dat sterke beperkingen aan ontwikkeling van de gebieden opgelegd worden. Anderzijds wenst de Stad Gent door middel van het RUP Groen ook een versterking en uitbouw van de groenstructuur op haar grondgebied. Het gaat echter veelal om harde bestemmingen die een groene of agrarische functie zullen krijgen. Inzake milieueffecten worden daarom ook geen aanzienlijk negatieve effecten verwacht (zie ook verder in deze screening). Bovendien is het binnen het huidig juridisch kader perfect mogelijk om aan landbouw te doen of parken of bos- en natuurgebieden te voorzien binnen deze harde of agrarische bestemmingen. Tot slot vormen groengebieden een essentieel onderdeel van bijvoorbeeld woongebieden, waardoor de herbestemming naar groene zones gezien kan worden als een soort van extra bescherming. In die zin kan verantwoord worden dat het slechts om een kleine wijziging gaat, X-18.079-39/56 omdat het geen substantiële of essentiële verandering van de milieueffecten ten gevolge van de uitvoering van het plan of programma veroorzaakt. Aangezien het voorliggende RUP het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau én een kleine (bestemmingsmatige) wijziging inhoudt, geldt er geen plan-MER-plicht voor het RUP Groen, voor zover aan de hand van de criteria die worden omschreven in bijlage I bij het DABM, kan worden aangetoond dat het plan of programma geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben. De toetsing aan de criteria vermeld in bijlage I van het DABM geschiedt enerzijds per milieudiscipline doorheen de plan-mer-screening en wordt anderzijds gesynthetiseerd in hoofdstuk 7 (toetsing van het RUP Groen aan de criteria van bijlage I bij het DABM). Hieruit blijkt dat er voor het RUP Groen geen plan-MER dient te worden opgemaakt.” 5.3. De verzoekende partijen betwisten niet dat het plangebied 2,8 % uitmaakt van het grondgebied van de stad Gent. De omvang van het plangebied komt in verhouding tot het totale grondgebied van de stad Gent wel degelijk als gering voor. In het licht van het gestelde onder randnummer 5.1 kan de stelling van de verzoekende partijen dat een oppervlakte van het plangebied van 432 ha niet als een ‘klein gebied’ beschouwd kan worden, niet overtuigen. 5.4. Het volstaat dat het plan, zoals hiervoor vastgesteld, het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau. De kritiek van de verzoekende partijen dat het gemeentelijk RUP geen ‘kleine wijziging’ zou inhouden, betreft een overtollig motief en kan niet tot vernietiging leiden. 5.5. Het middel wordt in zijn geheel verworpen. B. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 6. De verzoekende partijen voeren in een vierde middel de schending aan van artikel 2.2.5, 15°, en 2.2.6, § 1, VCRO, van de artikelen 8 en 12, § 1, van het decreet van 3 mei 2019 ‘houdende de gemeentewegen’ (gemeentewegendecreet), alsook van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het materiëlemotiverings-, rechtszekerheids-, redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. X-18.079-40/56 Zij zetten uiteen dat de plannende overheid met het deelplan ‘307 - Sint-Amandsberg - Oude Bareel’ de creatie van een fijnmazig netwerk beoogt, waarbij verschillende trage wegen worden voorzien die ontsluiting moeten geven aan de publieke boszone, en die de bestaande wegen met elkaar moeten verbinden. Zij bekritiseren dat het bestreden gemeentelijk RUP het tracé van het tragewegennetwerk bepaalt zonder de daarvoor door het gemeentewegendecreet voorziene procedure te volgen. De verzoekende partijen betwisten tevens het antwoord dat de Gecoro op hun desbetreffende bezwaar heeft gegeven. Volgens hen gaat het in casu niet om een indicatieve wegenaanduiding, gelet op de zeer smalle stroken van de wegen, en nu er geen andere ligging ter ontsluiting van het gebied mogelijk is. De verzoekende partijen betwisten dat de toepassing van het integratiespoor van artikel 12, § 1, van het gemeentewegendecreet slechts facultatief zou zijn en dat de gemeenteraad van de stad Gent na het gemeentelijk RUP nog een rooilijnplan zou kunnen vaststellen. Doordat het gemeentelijk RUP zeer beperkte stroken voor wegenis voorziet en deze stroken bovendien gekoppeld zijn aan een onteigeningsplan, is de beslissingsbevoegdheid van de gemeenteraad op dit punt ernstig beknot. Het gemeentelijk RUP stelt de gemeenteraad van de stad Gent voor voldongen feiten, wat een navolgende beslissing over een rooilijnplan onwettig maakt. Het rechtszekerheidsbeginsel verzet er zich tegen dat een tragewegennetwerk wordt voorzien in een RUP waaraan een onteigeningsplan is gekoppeld, zonder de zekerheid dat de gemeenteraad dit tragewegennetwerk zal aanvaarden. De bestreden beslissing miskent de noodzakelijke chronologie waarbij ofwel vóór het planinitiatief een rooilijnplan wordt vastgesteld door de gemeenteraad overeenkomstig de “autonome” procedure van het gemeentewegendecreet, ofwel gebruik wordt gemaakt van het integratiespoor en tegelijk met het gemeentelijk RUP de rooilijnen worden vastgesteld. De afwezigheid van een door de gemeenteraad van de stad Gent goedgekeurd rooilijnplan maakt het plandossier onvolledig en brengt de onwettigheid van het bestreden gemeentelijk RUP met zich mee. Indien de Raad van State zou aannemen dat het tracé van de trage wegen slechts indicatief is, biedt het bestreden gemeentelijk RUP minstens geen duidelijkheid omtrent de uitvoerbaarheid van de ontsluiting en de verbinding van de verschillende clusters van het plangebied. Dit terwijl de ontsluitbaarheid van het plangebied een cruciaal aspect betreft dat niet naar een onzeker toekomstig beoordelingsmoment kan doorgeschoven worden. X-18.079-41/56 Beoordeling 7.1. Artikel 12 van het gemeentewegendecreet bepaalt: “§ 1. In afwijking van artikel 11 kan een gemeentelijk rooilijnplan, de wijziging van een gemeentelijk rooilijnplan of de opheffing van een gemeenteweg ook opgenomen worden in een ruimtelijk uitvoeringsplan of in het herkenbare onderdeel van een projectbesluit dat geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan als vermeld in artikel 2.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Het rooilijnplan, de wijziging ervan of de opheffing van de gemeenteweg wordt dan tegelijk met dat ruimtelijk uitvoeringsplan of projectbesluit onderworpen aan de procedureregels voor het opstellen van dat ruimtelijk uitvoeringsplan of het vaststellen van het projectbesluit.” 7.2. De Gecoro heeft een gelijkluidend bezwaar van de verzoekende partijen met betrekking tot dit tragewegennetwerk als volgt beantwoord: “In het RUP wordt enkel een zone voor bos/natuur voorzien waar wandelpaden (indicatieve pijlen) mogelijk gemaakt kunnen worden. De realisatie achteraf zal gebeuren in overeenstemming met het gemeentewegendecreet. De bepaling van de exacte ligging gebeurt niet in het RUP, dus is het niet verplicht een rooilijnplan op te nemen in het RUP. Een RUP kan flexibele voorschriften bevatten, en hoeft niet alles te reglementeren. De smalle stroken worden ‘rechtszeker’ bestemd tot bos/natuurgebied, waardoor een wandelroute zal komen, maar de exacte weggrens hoeft niet in het RUP vastgelegd te worden. In de zones in kwestie voorziet het inrichtingsplan eveneens een groenaanleg/beheer.” De kritiek van de verzoekende partijen op dit antwoord van de Gercoro kan niet overtuigen, gelet op wat volgt. 7.3. De grafische stedenbouwkundige voorschriften (zie randnummer 3.22) en de schriftelijke stedenbouwkundige voorschriften (zie randnummer 3.24.3) van het door de verzoekende partijen geviseerde deelgebied ‘307 - Sint-Amandsberg - Oude Bareel’ voorzien in een ‘indicatieve overdruk wandelpad’. Naast het feit dat het bestreden gemeentelijk RUP het wegtracé aldus uitdrukkelijk als “indicatief” aanduidt, dient met de eerste verwerende partij vastgesteld te worden dat de door het plan voorziene wandelwegen vier “langgerekte stroken” van telkens zes meter breed betreffen, X-18.079-42/56 met uitzondering van de zuidelijke aansluiting ter hoogte van de Beelbroekstraat waar de breedte van de weg bepaald wordt door de breedte van het perceel tussen de aldaar bestaande woningen. Van een precieze aanduiding van de wandelwegen, die geenszins de volledige breedte van het tracé hoeven in te nemen, blijkt geen sprake. Het bevestigt alleen maar dat de door het gemeentelijk RUP voorziene trage wegen wel degelijk indicatief zijn bepaald. 7.4. Nog daargelaten de vraag of de geïntegreerde rooilijnplan- procedure op basis van het gemeentewegendecreet reeds toepassing kon vinden ten tijde van de opmaak van het bestreden gemeentelijk RUP, moet met de eerste verwerende partij hoe dan ook worden vastgesteld dat geen enkele wettelijke bepaling tot de integratie van de rooilijnplanprocedure in het RUP verplicht. Artikel 12, § 1, van het gemeentewegendecreet bepaalt integendeel dat een gemeentelijk rooilijnplan “kan” opgenomen worden in een RUP (zie rand- nummer 7.1). 7.5. Dat de vaststelling van het rooilijnplan voor de indicatieve wegenis na de definitieve vaststelling van het gemeentelijk RUP gebeurt, houdt nog geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel in. Het indicatief tracé verzekert de ontsluiting van het plangebied op voldoende wijze. Bovendien stelt de eerste verwerende partij op goede gronden dat het bestaande wegennet al in de ontsluiting van het kwestieuze deelgebied voorziet. 7.6. Verzoekers’ kritiek op de mogelijkheid tot het vaststellen van een rooilijnplan na het gemeentelijk RUP komt neer op een onontvankelijke wettigheidskritiek op de VCRO en het gemeentewegendecreet, die nu eenmaal voorzien in de mogelijkheid tot het vaststellen van een indicatief wegentracé in een RUP, respectievelijk een autonome rooilijnplanprocedure na de vaststelling van een RUP. Met de eerste verwerende partij wordt ten andere niet ingezien hoe de gemeenteraad van de stad Gent bij dit alles zichzelf voor voldongen feiten zou kunnen plaatsen. 7.7. Het middel wordt verworpen. X-18.079-43/56 C. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 8.1. De verzoekende partijen voeren in een tweede middel de schending aan van artikel 23 van de Grondwet, de artikelen 4.2.1, 4.2.3, 4.2.4, 4.2.6 en 4.2.8 DABM, de artikelen 1.1.4 en 2.2.2 VCRO, de artikelen 10 en 14 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 mei 2009 ‘met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer’ (hierna: het soortenbesluit), het materiëlemotiverings-, rechtszekerheids-, redelijkheids- en zorgvuldigheids- beginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, alsook van het voorzorgsbeginsel. 8.2.1. Zij betogen dat de tweede bestreden beslissing op een onvolledig onderzoek van de mogelijke milieueffecten berust. In de MER-screeningsnota worden voor het deelplan ‘307 - Sint-Amandsberg - Oude Bareel’ enkel de disciplines ‘bodem & grondwater’, ‘oppervlaktewater’, ‘biodiversiteit’, ‘landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie’ en ‘mens’ onderzocht, en dit op een uiterst summiere wijze. De discipline ‘mobiliteit’ wordt zelfs niet onderzocht. 8.2.2. Wat de discipline ‘biodiversiteit’ betreft, voeren de verzoekende partijen aan dat voorbijgegaan werd aan de aanwezigheid van het goudhaantje, de fitis, de bosmier en het schitterend lieveheersbeestje, alle beschermde soorten uit het soortenbesluit. Ook werd hun desbetreffende bezwaar onvoldoende beantwoord. De verzoekende partijen wijzen erop dat de plannende overheid wel degelijk op de hoogte is van de beschermde soorten in het betreffende deelgebied, maar dat zij de mogelijke effecten van het plan op de soorten en hun habitats niet heeft onderzocht. Aangezien het opzet van het bestreden gemeentelijk RUP erin bestaat een publiek toegankelijk (speel)bos te creëren en een tragewegennetwerk aan te leggen, zijn ernstige milieueffecten op dit punt nochtans niet uit te sluiten. De verzoekende partijen besluiten met betrekking tot de discipline ‘biodiversiteit’ dat, zoals uitgebreid toegelicht in hun bezwaar, met de creatie van een publiek toegankelijk bos met doorwaadbaarheid en een recreatieve functie, ernstige schade wordt toegebracht aan de aanwezige beschermde soorten. Zij maken voldoende X-18.079-44/56 aannemelijk dat het bestreden gemeentelijk RUP betekenisvolle effecten kan teweegbrengen op de aanwezige beschermde soorten en hun habitats. De MER-screening is op dit punt onvolledig, zodat niet op zorgvuldige manier besloten kon worden dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten zal teweegbrengen. 8.2.3. Wat de discipline ‘mobiliteit’ betreft, stellen de verzoekende partijen dat deze discipline niet onderzocht werd. De overweging dat de herbestemming naar een ‘zone voor bos’ geen relevante mobiliteitseffecten kan genereren, betreft niet meer dan een ongefundeerde stijlformule. De verzoekende partijen herinneren eraan dat de bestemmingsvoorschriften niet enkel ‘bos’ toelaten, maar dat educatief en recreatief medegebruik ondergeschikte functies zijn. In ieder geval zal het geviseerde deelgebied in de toekomst, gelet op de geplande recreatieve en educatieve functie ervan, een sterke aantrekkingskracht genereren voor recreanten. Nochtans voorziet het plan nergens parkeermogelijkheden voor voertuigen, bussen of fietsen. De omringende straten, in het bijzonder de Achtenkouterstraat, zijn smal en bevatten geen (afdoende) openbare parkeermogelijkheden. Het plan zal wel degelijk mobiliteitseffecten genereren, die onderzocht hadden moeten worden in het kader van de MER-screening. De plannende overheid en de dienst Mer moeten nagaan of alle relevante aspecten in de MER-screeningsnota op afdoende en zorgvuldige wijze werden onderzocht. De tweede bestreden beslissing bevat geen in concreto-motivering die de verzoekende partijen toelaat te begrijpen op welke gronden de overheid heeft besloten dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten zal hebben. Beoordeling 9.1.1. Met de eerste verwerende partij wordt vastgesteld dat reeds in de fase van het concept van het bestreden gemeentelijk RUP naar het geviseerde deelgebied wordt verwezen als zijnde een hotspot om reden van “het voorkomen van bedreigde, kwetsbare, gevoelige en/of van bescherming afhankelijke soorten X-18.079-45/56 (zie randnummer 3.8). In de toelichtingsnota bij het definitief vastgestelde gemeentelijk RUP wordt dit bevestigd. Daarin wordt er onder meer op gewezen dat “het bosgebied Oude Bareel is aangeduid als hotspot omwille van het voorkomen van goudhaantje, fitis, de rode bosmier en het schitterend lieveheersbeestje, allemaal rode lijstsoorten”, dat het gebied “ook een (potentieel) foerageer- en leefgebied [vormt] voor verschillende vleermuizensoorten en voor bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis en steenuil”, dat er “[u]iteraard […] ook veel andere (minder kwetsbare) soorten voor[komen]”, dat de percelen “[m]eer bepaald rond het Mierenbosje […] op dit moment al een belangrijke biologische waarde [hebben]”, dat er “expliciet [wordt voor] gekozen om deze bestaande waardevolle natuur- en bosgebieden een gepaste bestemming te geven”, dat “daarbovenop de natuurwaarden in het gebied nog kunnen toenemen”, dat wordt ingezet op “bosbehoud, -herstel en -uitbreiding”, dat beoogd wordt “bijkomende oppervlakte natuur [te] ontwikkelen en de kwaliteit [te] verhogen”, en dat de plannende overheid bijkomend wenst “het leefgebied voor een aantal bijzondere soorten, waaronder de Rode bosmier, uit te breiden” (zie randnummer 3.23.4). 9.1.2. De eerste verwerende partij wijst er niet zonder pertinentie op dat de plannende overheid het kwestieuze deelgebied van bij aanvang heeft aangewezen als hotspot, en dat zij daarbij de aanwezigheid van bedreigde en kwetsbare soorten in dit deelgebied in aanmerking heeft genomen. 9.1.3. In de MER-screening worden de mogelijke milieueffecten van het geviseerde deelgebied gunstig beoordeeld (zie randnummer 3.9.1). De verzoekende partijen tonen niet aan dat deze beoordeling de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan of anderszins onwettig zou zijn. Dat in de MER-screeningsnota niet uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van de in het deelgebied aanwezige beschermde diersoorten, toont de ondeugdelijkheid van de MER-screening nog niet aan, temeer nu, zoals gezien, reeds bij het begin van de opmaakprocedure van het gemeentelijk RUP naar het geviseerde deelgebied wordt verwezen als een hotspot ingevolge “het voorkomen van bedreigde, kwetsbare, gevoelige en/of van bescherming afhankelijke soorten”. X-18.079-46/56 Zoals de verzoekende partijen zelf aanhalen, vermeldt de projectnota aangaande de huidige toestand van het deelgebied dat “[d]oor het onrechtmatig gebruik van pesticiden in de bosrand […] verschillende nesten [werden] vernietigd in het voorjaar”. Aangenomen kan worden dat de door het bestreden gemeentelijk RUP voorziene bestemming ‘zone voor bos’ minstens geen negatieve impact zal hebben op de aanwezige soorten in het kwestieuze deelgebied. 9.1.4. De kritiek van de verzoekende partijen op de publieke toegankelijkheid van het deelgebied, met de inrichting van trage wegen, en op de ondergeschikte recreatieve en educatieve functies van het deelgebied, doet niet anders besluiten. De eerste verwerende partij wijst er in dit verband terecht op dat de educatieve en recreatieve functies ondergeschikt zijn aan de functies bos en natuur, dat deze ondergeschikte functies enkel toegelaten zijn voor zover de ruimtelijk-ecologische draagkracht van het gebied niet wordt overschreden (zie randnummer 3.24.2), en dat er bovendien een natuurbeheerplan zal worden opgemaakt in functie van het goed beheer van het natuur en bosgebied (zie randnummer 3.21.3). Aangenomen kan worden dat de biodiversiteit met een dergelijk beheerplan in beginsel de nodige kansen krijgt. Zoals gezien bij de beoordeling van het vierde middel hiervoor, zijn de voetwegen ook slechts op indicatieve wijze in het gemeentelijk RUP aangegeven. De toelichting bij de stedenbouwkundige voorschriften verduidelijken dat het pad “zo [wordt] ingericht dat de natuur- en boswaarden van het gebied niet in het gedrang komen”, en derhalve “met respect voor de onderliggende bestemming” (zie randnummer 3.24.3). 9.1.5. Een gelijkluidend bezwaar van de verzoekende partijen werd door de Gecoro als volgt beantwoord: “2. De overheid heeft inderdaad zorgplicht. Het RUP komt daaraan tegemoet aangezien het net de doelstelling heeft om deze beschermde diersoorten beter te beschermen door het uitbreiden van zijn leefgebied, zoals expliciet blijkt uit de toelichtings- en projectnota voor dit deelgebied. In de projectnota wordt de achteruitgang van de aanwezige natuurwaarden door versnippering in eigendom en beheer (gebruik van pesticiden, plaatsen/graven van constructies en afsluitingen, verstoren van de bodem, X-18.079-47/56 …) als knelpunt geformuleerd. De huidige eigendomsstructuur laat op vandaag niet toe een aaneengesloten, robuust leefgebied te creëren voor o.a. de bosmier. Hierdoor komen de overlevingskansen van deze soort op (middel)lange termijn in het gedrang. Een van de belangrijkste maatregelen voor bescherming en behoud van deze soort in het vooropgestelde plan is dan ook het uitbreiden van zijn natuurlijke habitat (een lichtrijk bos) en het voeren van een bosbeheer dat het overleven van deze soort op deze locatie ook op termijn garandeert. De in het RUP voorziene bosuitbreiding komt aan deze doelstelling tegemoet. Hierdoor worden de bestaande bosjes en het aanwezige opgaand groen met elkaar in verbinding gebracht en één groot, robuust bos gecreëerd. Zoals aangegeven in de toelichtingsnota (concept: doorwaadbaarheid/recreatief netwerk) zal een deel van het bos inderdaad publiek toegankelijk worden gemaakt. Dit publiek toegankelijk maken impliceert het voorzien van (onverharde) wandelpaden (die niet per se een lineair traject dienen te volgen) en afbakenen van vrij toegankelijke zones. In de projectnota wordt daarbij verduidelijkt dat ‘het bos zal worden toegankelijk gemaakt voor de buurt en zachte recreanten, met aandacht voor de aanwezige rode bosmier.’ Ook bij de opmaak van het natuurbeheerplan zal volgens de projectnota bijzondere aandacht worden besteed aan de aanwezige beschermde soorten, teneinde een evenwichtig bosbeheer te kunnen voeren, dat rekening houdt met alle noden en wettelijke vereisten. Bij het uitvoeren van beheerwerken dient rekening te worden gehouden met het vrijwaren van de aanwezige nesten van de bosmier. De bosmier heeft een uitgesproken voorkeur voor de (lichtrijke) bosranden. In het projectplan is de publiek toegankelijke zone vooral centraal in het bos voorzien. Op plaatsen waar bosmiernesten zouden kunnen worden verstoord door betreding, zullen kastanjehouten afsluitingen worden geplaatst om verstoring te vermijden. Samengevat vormen de voorziene bosuitbreiding, een extensief bosbeheer en het voorzien van voldoende lichtrijke bosranden de beste garantie op het voortbestaan van de beschermde soorten. Bij het openstellen van het bos zal worden gezocht naar een evenwicht tussen de aanwezige soorten en het publiek. De relatie beschermde soorten vs. toegankelijkheid/doorwaadbaarheid wordt best nog verduidelijkt in de toelichtingsnota, waar dit principe inderdaad niet expliciet wordt vermeld. 3. In de toelichtingsnota bij het RUP wordt de aanwezigheid van beschermde soorten vermeld. Bij de discipline fauna en flora wordt hieromtrent opgemerkt dat er voor het plangebied van kan uitgegaan worden dat ten aanzien van de theoretische planningsreferentiesituatie, bij uitvoering van de huidige bestemmingen, de terreinen zouden bestaan uit landbouw (inclusief landbouwbedrijven) en bos. In functie van biodiversiteit e.d. is een bijkomend areaal aan bos en natuur (vooropgesteld door het ontwerp-RUP) een positieve ontwikkeling.” X-18.079-48/56 De verzoekende partijen tonen niet aan dat dit antwoord van de Gecoro, waarin onder andere (“o.a.”) naar de beschermde rode bosmier wordt verwezen, niet afdoende zou zijn. 9.2.1. Waar de verzoekende partijen de afwezigheid van het aspect mobiliteit in de MER-screening bekritiseren, wordt met de eerste verwerende partij vastgesteld dat in de MER-screening van het kwestieuze deelgebied onder de discipline ‘mens’ de effecten ten aanzien van mobiliteit als niet relevant worden beschouwd, gezien de geplande bestemming van het gebied als zones voor natuur en bos. De verzoekende partijen, die noch tijdens de openbare raadpleging over de startnota, noch bij de indiening van hun bezwaarschrift tijdens het openbaar onderzoek, hieromtrent een opmerking hebben gemaakt, tonen niet aan dat deze beoordeling de grenzen van de redelijkheid zou te buiten gaan of anderszins onwettig zou zijn. 9.2.2. In zoverre de verzoekende partijen in dit verband nog aanvoeren dat het kwestieuze deelgebied een sterke aantrekkingskracht zal uitoefenen op recreanten, zonder dat voorzien is in parkeermogelijkheden voor voertuigen, bussen of fietsen, merkt de eerste verwerende partij niet zonder pertinentie op dat het educatief en recreatief medegebruik ondergeschikte functies zijn en dat geen enkel element van het administratief dossier toelaat te besluiten dat het kwestieuze deelgebied een bovenlokale aantrekkingskracht beoogt te hebben, of zal hebben. Integendeel wordt met dit deelgebied een stiltegebied beoogd, waar omwonenden tot rust kunnen komen en kunnen wandelen (zie randnummers 3.9.2). 9.3. Het middel wordt verworpen. D. Derde middel Uiteenzetting van het middel 10. De verzoekende partijen voeren in een derde middel de schending aan van de artikelen 10 en 14 van het soortenbesluit, artikel 14 van het X-18.079-49/56 decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: het decreet natuurbehoud), artikel 23 van de Grondwet en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het materiëlemotiverings-, rechtszekerheids-, redelijkheids- en zorgvuldigheids- beginsel, alsook van het voorzorgsbeginsel. Zij betogen dat het bestreden gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ schade zal veroorzaken aan beschermde soorten en hun habitats, en zodoende de bepalingen van het soortenbesluit en de richtlijn 2009/147/EG van 30 november 2009 van het Europees Parlement en de Raad ‘inzake het behoud van de vogelstand’ (vogelrichtlijn) schendt. Minstens heeft de Gecoro hun bezwaar op dit punt niet afdoende beantwoord. De plannende overheid dient te onderzoeken of het plan niet het kader vormt voor de uitoefening van handelingen die zullen (of kunnen) aanleiding geven tot één van de handelingen vermeld in artikel 14, § 1, van het decreet natuurbehoud of in de artikelen 10, § 1, en 14 van het soortenbesluit. De Raad van State oordeelde reeds dat de plannende overheid bij de definitieve vaststelling van een RUP rekening moet houden met de aanwezigheid van beschermde soorten indien haar hier tijdens het openbaar onderzoek werd op gewezen. Zoals aangehaald in het tweede middel, blijkt uit het administratief dossier dat de eerste verwerende partij kennis had van de aanwezigheid van meerdere beschermde soorten. Uit alle beschikbare dossierstukken blijkt dat het opzet van de eerste verwerende partij erin bestaat om middels het bestreden gemeentelijk RUP en middels onteigening een publiek toegankelijk gebied te creëren, met een aanzienlijke recreatieve functie voor jong (speelbos) en oud (wandelnetwerk). De verzoekende partijen hebben in hun bezwaar de te verwachten negatieve gevolgen voor de beschermde soorten omschreven. Hoewel zij zeer uitgebreid hebben beargumenteerd dat het planopzet een ernstige aantasting van het soortenbestand kan teweegbrengen, is hun bezwaar slechts zeer summier en ontoereikend door de Gecoro behandeld geworden. De Gecoro erkent dat het planopzet een impact kan hebben op de rode bosmier, maar meent dat deze impact in een natuurbeheerplan kan gemilderd worden. Daargelaten nog dat de beoordeling van eventuele milderende maatregelen deel dient uit te maken van de MER-screening, kan het niet de bedoeling zijn dat de bescherming van soorten wordt doorgeschoven naar een toekomstig onzeker X-18.079-50/56 moment. Het bestreden gemeentelijk RUP biedt geen enkele garantie dat (
- i)effectief een natuurbeheerplan wordt opgesteld en (
- ii)dat dit natuurbeheerplan toereikend zal zijn om schade aan de soorten te voorkomen. Het nemen van milderende maatregelen kan niet zonder meer doorgeschoven worden naar de projectfase. Zij kunnen enkel worden opgelegd indien zij op rechtszekere wijze in de dwingende stedenbouwkundige voorschriften van het gemeentelijk RUP worden doorvertaald. Bovendien lijkt de Gecoro enkel rekening te houden met de rode bosmier, terwijl de waardevolle soorten niet daartoe beperkt zijn. Ook de volgende soorten, alle voorkomend op de rode lijst bij het soortenbesluit, zijn in het kwestieuze deelgebied aanwezig: het goudhaantje, de fitis en het schitterend lieveheersbeestje. Bovendien staat het gebied bekend als foerageer- en leefgebied voor verschillende vleermuizensoorten, en komen er ook de bunzing, de dwergmuis, de dwergspitsmuis en de steenuil in voor. Voor deze soorten wordt in geen enkele vorm van bescherming voorzien. Uit het administratief dossier blijkt nergens dat de verwerende partijen ook maar enig onderzoek hebben gevoerd naar of rekening hebben gehouden met de mogelijke impact van de recreatieve en educatieve functies op de beschermde soorten. De verzoekende partijen zijn ervan overtuigd dat een recreatieve functie als wandel- en speelbos niet verenigbaar is met de bijzondere beschermingsnoden van de soorten, die thans volledige beschutting genieten in hun privaat domein. Volledigheidshalve wijzen zij erop dat de bescherming van het soortenbesluit en het decreet natuurbehoud zich niet beperkt tot het direct toebrengen van schade aan de eigenlijke soorten, maar dat die bescherming ook de nesten, de leefomgeving en de ruime habitat van de soorten omvat. Beoordeling 11.1. Artikel 14, § 1, van het decreet natuurbehoud bepaalt: “Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die manueel, met mechanische middelen of pesticiden en met vaste of mobiele geluidsbronnen ingrijpt op of in de onmiddellijke omgeving van natuurlijke en deels natuurlijke habitats of ecosystemen, op waterrijke gebieden, op natuurlijke en halfnatuurlijke vegetaties, op wilde inheemse fauna of flora X-18.079-51/56 of trekkende wilde diersoorten of hun respectieve habitats of leefgebieden, of op kleine landschapselementen, en die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat deze habitats, ecosystemen, waterrijke gebieden, vegetaties, fauna, flora of kleine landschapselementen daardoor kunnen worden vernietigd of ernstig geschaad, is verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijze van hem kunnen worden gevergd om de vernietiging of de schade te voorkomen, te beperken of indien dit niet mogelijk is, te herstellen. De bepaling van het vorige lid geldt eveneens ten aanzien van wie opdracht geeft tot de in dat lid bedoelde ingrepen.” Artikel 10, § 1, van het soortenbesluit luidt: “§ 1. Ten aanzien van specimens van beschermde diersoorten zijn de volgende handelingen verboden : 1° het opzettelijk doden; 2° het opzettelijk vangen; 3° het opzettelijk en betekenisvol verstoren, in het bijzonder tijdens de perioden van de voortplanting, de afhankelijkheid van de jongen, de overwintering en tijdens de trek. Het is verboden de eieren van beschermde diersoorten opzettelijk te vernielen, te beschadigen of te verzamelen.” Artikel 14 van het soortenbesluit bepaalt: “§ 1. Het is verboden de nesten van beschermde vogelsoorten of de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van andere beschermde diersoorten dan vogels opzettelijk te vernielen, te beschadigen of weg te nemen. § 2. Het vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten, voorplantingsplaatsen of rustplaatsen van beschermde diersoorten wordt onder meer geacht onopzettelijk te zijn wanneer de verantwoordelijke voor deze handeling niet wist en redelijkerwijze niet hoorde te weten dat deze handeling kon leiden tot de in § 1 beschreven negatieve gevolgen voor nesten, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Ten aanzien van de diersoorten waarbij categorie 3 is aangekruist in bijlage 1 is evenwel ook het onopzettelijk vernielen of beschadigen van de voortplantingsplaatsen of de rustplaatsen verboden. § 3. Onder nesten worden begrepen de bewoonde nesten, de nesten die in aanbouw zijn als voorbereiding op het komende broedseizoen, alsook de nesten die in de regel jaar na jaar tijdens het broedseizoen hergebruikt worden.” 11.2. Met de eerste verwerende partij zij vooreerst opgemerkt dat de verplichtingen vervat in de voormelde rechtsregels van het soortenbesluit en het decreet natuurbehoud ook de bezoekers van het kwestieuze deelgebied betreffen. X-18.079-52/56 11.3. Vastgesteld moet verder worden dat de verzoekende partijen in belangrijke mate de grieven herhalen die zij in het tweede middel hebben aangevoerd (zie randnummer 8.2.2). Wat de weerlegging van deze argumenten betreft, volstaat het te verwijzen naar de beoordeling van deze argumenten hiervoor (zie de randnummers 9.1.1 tot en met 9.1.5). 11.4. Met de eerste verwerende partij wordt voorts aangenomen dat de omstandigheid dat niet reeds elk aspect van het bosuitbreidingsproject betrokken werd bij de opmaak van het bestreden gemeentelijk RUP, zoals het bepalen van de exacte ligging van de nesten van de rode bosmier, het vastleggen van de publiek toegankelijke gebiedsdelen, en het detailmatig bepalen van het tracé van de wandelpaden, niet tot een schending van de aangevoerde rechtsregels doet besluiten. 11.5. Zoals reeds hoger gezien, voorziet de projectnota, opgesteld met het oog op de onteigening van de gronden binnen het beheersingsgebied van het gemeentelijk RUP, in de opmaak van een natuurbeheerplan voor het kwestieuze deelgebied (zie randnummer 3.21.3). Dit natuurbeheerplan is een door de decreetgever voorzien instrument in functie van het goed beheer van bos en natuur. Anders dan de verzoekende partijen het zien, betreft het geen milderende maatregel of het onverantwoord doorschuiven van de bescherming van soorten naar een onzeker toekomstig moment. Aangenomen moet worden dat deze bescherming reeds op afdoende wijze door de stedenbouwkundige voorschriften van de toepasselijke zone voor bos wordt geboden. 11.6. De verzoekende partijen tonen gelet op wat voorafgaat niet aan dat onvoldoende rekening zou zijn gehouden met de aanwezigheid in het kwestieuze deelplan van de beschermde soorten en hun habitats, of dat hun desbetreffende bezwaren op ontoereikende wijze beantwoord werden. 11.7. Het middel wordt verworpen E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel X-18.079-53/56 12. De verzoekende partijen voeren in een vijfde middel de schending aan van de artikelen 2.1.2, 2.2.1, 2.2.2, 2.2.18, VCRO, het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV), het subsidiariteitsbeginsel, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het materiëlemotiverings-, rechtszekerheids-, gelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, alsook van het voorzorgsbeginsel. Zij zetten uiteen dat het bestreden gemeentelijk RUP het plangebied op grote schaal herbestemt naar ‘zone voor bos’, ‘zone voor natuur’ en gelijkaardige groene bestemmingen. Overeenkomstig de bepalingen van het RSV komt de aanwijzing van te behouden en te ontwikkelen stedelijke en randstedelijke groengebieden evenwel aan het Vlaamse planniveau toe. Dat planniveau heeft de groengebieden inmiddels reeds aangeduid onder de vorm van ‘groenpolen’ die in het gewestelijk afbakenings-RUP zijn verankerd. De percelen van de verzoekende partijen behoren daar niet toe. De bestreden beslissing miskent zodoende het subsidiariteitsbeginsel en is in strijd met de bepalingen van het RSV, zonder dat voldaan is aan de vereisten van artikel 2.1.2, § 3, VCRO. Minstens wordt de afwijking van het RSV onvoldoende gemotiveerd. De verzoekende partijen besluiten dat de plannende overheid haar bevoegdheid heeft overschreden door op grote schaal bijkomende gebieden voor het behoud en de ontwikkeling van stedelijke natuurelementen en randstedelijke groengebieden aan te duiden en te herbestemmen in afwijking van het RSV en het gewestelijk afbakenings-RUP. Beoordeling 13.1. Waar de verzoekende partijen de bevoegdheid van de stad Gent in vraag stellen om het bestreden gemeentelijk RUP vast te stellen, nu de taak tot afbakening van de agrarische en natuurlijke structuur (AGNAS) in het RSV aan het Vlaamse Gewest wordt toebedeeld, zij vooreerst opgemerkt dat de Gecoro in verband met deze problematiek terecht heeft geantwoord dat “er geen tegenstrijdigheid [is] met de genomen beleidsopties in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen” en dat ook in een gemeentelijk RUP een perceel tot bos kan worden bestemd. X-18.079-54/56 13.2. Verder wordt in de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP ingegaan op de conformiteit van dit plan met het RSV, het PRS en het GRS. 13.3. Vastgesteld wordt dat de planopties van het gemeentelijk RUP rekening houden met deze beleidsdoelstellingen en de ontwikkelingsperspectieven voor het stedelijk gebied en het buitengebied, zoals vooropgesteld door het RSV. 13.4. Ook in de toelichtingsnota bij het deelplan ‘307 - Sint-Amandsberg - Oude Bareel’ wordt ingegaan op de planningscontext (zie randnummer 3.23.3). 13.5. Het departement Omgeving van de Vlaamse overheid blijkt in de adviezen van 26 oktober 2017, 3 december 2018 en 4 februari 2021 evenzeer de bevoegdheid van de stad Gent voor de vaststelling van het gemeentelijk RUP nr. 169 ‘Thematisch RUP Groen’ aan te nemen. 13.6. De verzoekende partijen focussen met hun kritiek op een aantal passages uit het RSV die betrekking hebben op de afbakening van de natuurlijke structuur, terwijl het RSV in zijn totaliteit als coherent en samenhangend geheel moet worden gelezen. 13.7. In de gegeven omstandigheden en gelet op wat voorafgaat, maken de verzoekende partijen niet aannemelijk dat het bestreden gemeentelijk thematisch RUP de bepalingen van het RSV zou schenden, en dat de stad Gent niet bevoegd zou zijn om het bestreden gemeentelijk RUP vast te stellen. 13.8. Het middel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. X-18.079-55/56 2. De verzoekende partijen worden, elk voor een derde, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro, een bijdrage van 22