id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.225 Rolnummer: A. 236008/IX-10027 Zaak: Arrest 258225 - Schooltucht - 14/12/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-12-21 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-06-10 17:55 Fiche Arrest nr 258.225 van 14 december 2023 Onderwijs en cultuur - Schooltucht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 258.225 van 14 december 2023 in de zaak A. 236.008/IX-10.027 In zake : John JENNEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Robin Vanhoyland kantoor houdend te 3500 Hasselt Kuringersteenweg 209 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep GO! Next bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rafaël Mommen kantoor houdend te 3500 Hasselt Minderbroederstraat 52 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 1 april 2022, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing tot [definitieve] uitsluiting van […] John Jennen dd. 20/12/2021, genomen door [de] [d]irecteur van de GO! Next hotelschool en voor zoveel als nodig ook [van] de bevestiging daarvan door de beroepscommissie dd. 01/02/2022”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. IX-10.027-1/22 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november 2023. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Robin Vanhoyland, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Rafaël Mommen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is voor het schooljaar 2021-2022 ingeschreven als leerling in het derde jaar van de derde graad ‘specialiteitenrestaurant’ aan de GO! Next hotelschool te Hasselt, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. Op 26 oktober 2021 sluiten verzoeker en de betrokken onderwijsinstelling een “begeleidingsovereenkomst” waarin eerstgenoemde belooft “zich te gedragen”, dat hij “geen aanleiding [zal] geven tot verdere orde- en tuchtmaatregelen” en “zich te houden aan het huishoudelijk reglement”. Er wordt gestipuleerd dat wanneer verzoeker zich niet aan deze afspraken houdt “hij van de school verwijderd [kan] worden”. IX-10.027-2/22 3.2. Op 14 december 2021 adviseert de begeleidende klassenraad unaniem om verzoeker definitief uit te sluiten omdat “nog steeds een aantal inbreuken […] op onze schoolregels en klasafspraken” worden vastgesteld. 3.3. Op 20 december 2021 deelt de directeur haar beslissing mee om verzoeker definitief uit de school uit te sluiten. Dat is de eerste bestreden beslissing. Verzoeker dient bezwaar in. 3.4. Op 1 februari 2022 bevestigt de beroepscommissie de definitieve uitsluiting. Dat is de tweede bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie 4. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij de exceptie op dat het beroep onontvankelijk is “[v]oor zover gericht tegen de beslissing d.d. 20 december 2021 van de directeur van GO! Next Hotelschool Hasselt”. Beoordeling 5. In het auditoraatsverslag werd erop gewezen dat de beroepscommissie “volheid van bevoegdheid” heeft, dat haar beslissing bijgevolg in de plaats van de tuchtbeslissing van de directeur is gekomen, dat laatstgenoemde beslissing daarmee uit het rechtsverkeer is verdwenen en dat het beroep van verzoeker daarom onontvankelijk is in de mate dat het ook de beslissing van de directeur tot voorwerp heeft. IX-10.027-3/22 Verzoeker heeft zijn laatste memorie niet benut om de zienswijze van het auditoraat op dat punt te weerspreken. 6. In die omstandigheden mag de Raad van State ermee volstaan, na onderzoek van de zaak, om vast te stellen dat hij de bevindingen van het auditoraat volkomen bijvalt en zich eigen maakt. 7. De exceptie, die desnoods ambtshalve moet worden opgeworpen, is gegrond. Het beroep is onontvankelijk in de mate dat het gericht is tegen de beslissing van de directeur van 20 december 2021. V. Onderzoek van de middelen A. Vooraf 8.1. Het voorliggende verzoekschrift munt niet uit in duidelijkheid en samenhang. Nochtans, wie de bestuursrechter ervan wil overtuigen dat een voor hem ongunstige administratieve rechtshandeling onwettig is, moet dat op een klare en gestructureerde manier doen. Een verzoeker die er niet toe komt om zijn grieven op een heldere, bevattelijke en consistente wijze aan de rechter voor te leggen, moet verdragen dat zijn beroep – hoogstens – wordt beoordeeld voor zover en in de mate dat het door de verwerende partij of het auditoraat werd of moest worden begrepen. Dat lot is het beroep van verzoeker thans derhalve beschoren. 8.2. Het inleidende verzoekschrift is woordelijk haast identiek aan het bezwaarschrift dat verzoeker bij het schoolbestuur heeft ingediend na de beslissing van de directeur van 20 december 2021. IX-10.027-4/22 Daarmee wekt verzoeker de indruk dat hij het mogelijk acht dat de Raad van State het tuchtonderzoek gaat overdoen. Als wettigheidsrechter is de Raad van State bevoegd om, binnen de grenzen van het hem ontvankelijk voorgelegde geschil, een onwettig gebleken administratieve handeling te vernietigen. Hij is geen rechter die in hoger beroep kennisneemt van de betwisting die een verzoekende partij heeft met het bestuur, laat staan dat hij een eigen beslissing in de plaats mag stellen van deze van het bestuur. Bijkomend impliceert dit dat voor ieder middel moet worden nagegaan of het wel tegen de (enige) bestreden beslissing is gericht. Immers, zoals gezien bevindt alleen de beslissing van de beroepscommissie zich binnen de toetsingsbevoegdheid van de Raad van State en de beslissing van de directeur en het advies van de klassenraad niet. In het ene geval – het (niet-bindende) advies – omdat het een louter voorbereidende handeling en geen administratieve rechtshandeling betreft; in het andere geval – de beslissing van de directeur van 20 december 2021 – omdat ze, zoals gezien, uit het rechtsverkeer is verdwenen. Dat neemt dan weer niet weg dat sommige onwettigheden die werden begaan door de klassenraad of de directeur toch kunnen afkleuren op de eindbeslissing. Het valt echter aan verzoeker toe om zulks aan te tonen. Alles bij mekaar betekent dit dat middelen die uitsluitend zijn terug te voeren op de beslissing van de directeur of het advies van de klassenraad en waarvan verzoeker niet duidelijk maakt en evenmin evident zichtbaar is hoe ze dadelijk op de enige mogelijke bestreden beslissing kunnen worden betrokken, onontvankelijk zijn. 8.3. Tot slot vertoont de volgorde waarin verzoeker zijn middelen heeft aangevoerd niet steeds de vereiste juridische logica. Hierna worden de middelen in een meer zinvolle volgorde besproken. IX-10.027-5/22 B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 9.1. In een eerste middel, dat als opschrift “geen correct advies/beslissing van de klassenraad” meekrijgt, leidt verzoeker uit de passus in het advies van de begeleidende klassenraad dat “het CLB de beslissing van de klassenraad begrijpt” af dat de vertegenwoordiger van het CLB niet mee heeft beslist, wat volgens hem wel moest. Er kon om die reden, steeds volgens verzoeker, onmogelijk sprake zijn van een unanieme beslissing. Het proces-verbaal maakt voorts geen melding van de wijze van stemming en wie de stemopnemer was. Daarin ziet verzoeker een schending van het rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel gelegen. 9.2. In zijn memorie van wederantwoord blijft verzoeker bij zijn standpunt dat “het niet verenigbaar is om enerzijds te spreken dat er unanimiteit is om vervolgens te spreken dat het CLB de beslissing begrijpt”. 9.3. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker dat hij heeft bedoeld dat het schoolreglement en artikel 123/10 van de Codex Secundair Onderwijs niet werden nageleefd. Hij bestrijdt voorts dat uit het proces-verbaal zou blijken dat een onlinevergadering heeft plaatsgevonden. Er werden volgens hem achteraf stukken en verklaringen toegevoegd ter verantwoording van de genomen beslissing. Dat toont aan dat ook het zorgvuldigheidsbeginsel werd geschonden, zo besluit verzoeker. Beoordeling 10. In het auditoraatsverslag werd geoordeeld dat het middel onontvankelijk is voor zover het de schending van het rechtszekerheids- en IX-10.027-6/22 vertrouwensbeginsel aanvoert “aangezien verzoeker niet nader toelicht op welke wijze de bestreden beslissing deze beginselen schendt”. Verzoeker repliceert daarop in zijn laatste memorie als volgt: “Uiteraard werd aangevoerd dat het eigen schoolreglement niet werd nageleeft aangezien er in haar eigen regelement staat en bovendien in de wet Art. 123/10 Codex Secundair onderwijs”. Hij brengt de twee voormelde beginselen niet eens meer ter sprake. De Raad mag daaruit begrijpen dat verzoeker niet meer aandringt op een beoordeling ervan. Het middel behoeft in die mate niet langer een onderzoek. 11. Wat het schoolreglement aangaat, refereert verzoeker slechts aan één zin: “Tuchtmaatregelen […] Mogelijke maatregelen zijn: […] Een definitieve uitsluiting uit onze school. o De directeur of zijn afgevaardigde spreekt deze maatregel uit na voorafgaand advies van de klassenraad, waarin ook het CLB vertegenwoordigd is.” Wat de Codex Secundair Onderwijs (VCSO) betreft, gaan de verwerende partij en de auditeur-verslaggever ervan uit dat verzoeker doelt op de bepalingen van artikel 123/10, § 3, eerste lid. Zij worden daarin niet tegengesproken door verzoeker. Die bepaling luidt, voor zover relevant voor deze zaak, als volgt: “De bevoegdheid tot […] tuchtmaatregelen ligt bij de directeur van de school […] waar de leerling is ingeschreven, of zijn afgevaardigde. Voorafgaand aan de beslissing tot definitieve uitsluiting, moet het advies van de klassenraad worden ingewonnen. In die klassenraad zetelt, met adviesbevoegdheid, een personeelslid van het begeleidend centrum voor leerlingenbegeleiding. Het advies van de klassenraad wordt in het tuchtdossier opgenomen.” IX-10.027-7/22 De voormelde zin uit het schoolreglement voegt niets toe aan deze bepalingen van artikel 123/10, § 3, eerste lid, VCSO. Het volstaat derhalve om te onderzoeken of de kritiek van verzoeker zich aandient als een schending van deze bepaling van de VCSO. 12.1. Artikel 123/10, § 3, eerste lid, VCSO, bepaalt ten aanzien van de vertegenwoordiger van het centrum voor leerlingenbegeleiding (CLB) alleen dat hij in de klassenraad die advies uitbrengt over de definitieve uitsluiting van een leerling moet zetelen en daarbij over een adviesbevoegdheid beschikt. 12.2. Dat een “CLB medewerker” aanwezig was op de vergadering van de begeleidende klassenraad van 14 december 2021 die over verzoeker moest adviseren, wordt gestaafd door een in het administratief dossier neergelegde aanwezigheidslijst van die bijeenkomst. Verzoeker mag dan wel beweren dat het gaat om “stukken” en “verklaringen” die “achteraf” werden toegevoegd. Hij heeft de betrokken lijst, die de handtekeningen van alle deelnemers aan die klassenraad bevat, niet van valsheid beticht. De Raad ziet derhalve geen enkele reden om aan de aanwezigheid van de vertegenwoordiger van het CLB op die klassenraad te twijfelen. 12.3. De adviesbevoegdheid van de CLB-vertegenwoordiger moet, blijkens artikel 4, § 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 juli 2002 ‘betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs’, worden afgezet tegen het stemrecht waarover andere leden van de klassenraad beschikken. Dat artikel 4, § 2, eerste lid, luidt, voor zover relevant voor deze zaak, als volgt: “De begeleidende klassenraad bestaat uit: 1° ambtshalve stemgerechtigde leden die elk over één stem beschikken:
- a)de directeur of een afgevaardigde van de directeur, die de begeleidende klassenraad voorzit; IX-10.027-8/22
- b)de leden van het onderwijzend personeel die voldoen aan al de volgende voorwaarden: […] 2° eventueel ambtshalve raadgevende leden, aangewezen door de voorzitter: […]
- c)personeelsleden van de school in kwestie of andere personen dan personeelsleden van de school in kwestie die bij de psycho-sociale of pedagogische begeleiding van de leerlingen betrokken zijn.” Dat, zoals uit al deze bepalingen blijkt, de CLB- vertegenwoordiger geen stemrecht en slechts een adviserende of raadgevende stem heeft, impliceert dat voor het tellen van de stemmen of het bepalen van de unanimiteit waarmee het advies door de klassenraad wordt aangenomen, het standpunt van deze CLB-vertegenwoordiger niet alleen zonder belang is, het mág bij de telling zelfs niet in rekening worden gebracht. 12.4. Het middel, dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in die mate. 13. Voor zover verzoeker zich er voorts nog over beklaagt dat het proces-verbaal van de betrokken klassenraadvergadering niet vermeldt “op welke wijze er stemming is gedaan en wie stemopnemer is en dergelijke meer”, dient opgemerkt dat hij volgens de bewoordingen van zijn inleidend verzoekschrift daarin een schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel ziet. Op een onderzoek van die beginselen dringt hij, zoals gezien, niet langer aan. Overigens verduidelijkt verzoeker niet hoe deze beginselen een dergelijke verplichting zouden inhouden. Een rechtsregel die tot een en ander zou verplichten wijst verzoeker in het geheel niet aan en is voor de Raad evenmin evident zichtbaar. Ook in die mate faalt het middel. 14. Het eerste middel kan niet tot vernietiging leiden. IX-10.027-9/22 C. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 15.1. In een tweede middel voert verzoeker aan dat “de motivering van het advies inhoudelijk afwijkt van de uiteindelijke beslissing” en bekritiseert hij dat “men in de motivering op geen enkele andere manier heeft rekening gehouden met alternatieve sancties die niet zo zwaar doorwegen zoals men zelf voorziet in het schoolreglement”. 15.2. In zijn memorie van wederantwoord voegt verzoeker daaraan toe dat het schoolreglement in een “cascade van sancties” voorziet. Hij suggereert dat hem de “schorsing voor een bepaalde tijd” had kunnen worden opgelegd. Bij eerder ten aanzien van hem genomen maatregelen werd volgens verzoeker niet in opvolging voorzien. De school spreekt wel van een “begeleidingsovereenkomst”, maar begeleiding “lijkt er in realiteit niet veel […] te zijn geweest”. Die overeenkomst vermeldt voorts niet dat zij “gelezen en goedgekeurd” werd. Het akkoord van verzoeker wordt daarmee niet aangetoond. De school kan zich volgens hem niet beroepen op een document dat “niet goed ingevuld” is. Dat alles vindt verzoeker in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “o.a. redelijkheids-, rechtszekerheids- en motiveringsbeginsel”. 15.3. In de laatste memorie betoogt verzoeker nog dat “het natuurlijk zo [is] dat wanneer het advies niet deugdelijk tot stand is gekomen […] men niet meer achteraf [kan] stellen dat de beslissing overeenstemt met een niet deugdelijk advies”. Beoordeling 16. Verzoeker voert wel aan dat het advies van de begeleidende klassenraad “inhoudelijk afwijkt” van de bestreden beslissing, maar verduidelijkt niet waarin hij die “afwijking” precies gelegen ziet. IX-10.027-10/22 Het is voor de Raad ook niet evident zichtbaar, aangezien de klassenraad heeft geadviseerd om de “definitieve verwijdering uit te spreken” en de eindbeslissing verzoeker definitief uitsluit. In die mate kan het middel niet worden aangenomen. 17. Voor zover hij doet gelden dat niet werd overwogen of “alternatieve sancties die niet zo zwaar doorwegen” niet konden volstaan, mist het middel feitelijke grondslag. In antwoord op de enige kritiek die hij daarover bij de beroepscommissie heeft aangevoerd – namelijk dat “[d]e sanctie die men neemt […] de zwaarste en […] onomkeerbaar [is]” – vermeldt de bestreden beslissing dat “[z]oals ook blijkt uit de beslissing van de klassenraad van 14.12.2021 [het] gaat […] over het herhalende en voortdurende karakter van de feiten ondanks continue bijsturingen”. Uit dat motief blijkt waarom voor de tuchtstraf van de definitieve uitsluiting werd gekozen. Daaruit volgt ook, minstens impliciet, dat geen heil werd gezien in een minder verregaande maatregel. 18. Wat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord onder de noemer van het tweede middel heeft aangevoerd aan bezwaren rond de opvolging van eerdere tegen hem genomen maatregelen, begeleiding en de begeleidings- overeenkomst, komt ook terug bij de bespreking van het vierde middel. In de mate dat die uiteenzetting meer zou omvatten, is het laattijdig en derhalve onontvankelijk. 19. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. IX-10.027-11/22 D. Derde middel Uiteenzetting van het middel 20.1. In wat verzoeker zelf “3e en 4e middelen” noemt – maar wat in werkelijkheid één middel, namelijk het derde middel, blijkt te zijn – betoogt hij dat “[z]owel het advies van de klassenraad als de beslissing van 20/12/[2021] tot definitieve uitsluiting schragen op foutieve kwalificatie en interpretatie van de feiten”, wat volgens hem tot een “onredelijk besluit” leidt. Vervolgens geeft verzoeker “duiding” bij enkele tenlaste- leggingen: “[h]et herhaaldelijk te laat komen op school”, “[h]et beweerdelijk geen respect hebben voor medeleerling [X]: seksistische opmerkingen/slaan”, “[h]et beweerdelijk niet gemaakt hebben van afgesproken voorbereidingen”, “[h]et beweerdelijk geen gevolg geven aan bevel leerkracht”, “[h]et beweerdelijk hebben van geen discipline”, “[h]et beweerdelijk slaan op de geslachtsdelen van een medeleerling tijdens de praktijkles” en “[h]et beweerdelijk ontvreemden van de sleutel en onrechtmatig gebruik”. 20.2. In zijn laatste memorie doet verzoeker nog het volgende opmerken: “Wat betreft het derde […] middel moet verzoeker vast stellen dat de auditeur stelt dat het niet binnen het raam van de wettigheidstoezicht van de Raad van State is om een eigen onderzoek in te stellen wat betreft de feiten. Verzoeker heeft reeds eerder aangegeven dat de feiten niet kloppen en dat de bewijsvoering niet objectief is en niet a decharge. Verzoeker heeft vervolgens bewijzen aangebracht en gewezen op emails en foutieve informatie in het dossier (de e-mails) en verzoeker heeft ook verwezen naar de nota’s. Uiteraard komt de onpartijdigheid in gedrang als men niet objectief aan bewijsvoering doet en de beslissing daardoor op foutieve feiten gaat schragen. Het feit dat de klas werd geviseerd en een groep jongeren waar verzoeker deel van uitmaakt is natuurlijk evident omdat hij tot de klas behoort maar dit wil zeggen dat de school geen objectief onderzoek heeft gedaan naar wie wat heeft gedaan. Het feit dat de auditeur ook zegt in haar verslag dat aan een overheidsonderzoek het vermoeden kleeft van wettigheid (Verzoeker IX-10.027-12/22 toont aan dat het overheidsonderzoek en de beslissing die daar uit volgt incorrect is omdat ze zichzelf tegenspreekt (ze stelt unaniem een beslissing te hebben genomen terwijl dit niet klopt) zoals zoveel andere elementen. Van een rechtsinstantie mag ook verwacht objectief te zijn en de partijen als gelijkwaardig te beschouwen overheid en verzoeker. Door te stellen dat er aan één partij een vermoeden kleeft van wettigheid toont aan dat men dit doet in strijd met de rechten in een rechtstaat. De basis in de rechtstaat is dat ook de overheid gebonden is aan dezelfde rechtsregels en dat procespartijen gelijkwaardig worden geacht quod in casu non volgens het verslag. Dit is een strijd met het EVRM. Het moet hier nog altijd gaan om procespartijen voor een onpartijdige rechter. Indien men tuchtrechtelijke (straffen) wil gaan opleggen moet men dit individueel doen en volstaat het niet om te zeggen de groep is luidruchtig of de klas heeft dit niet gemaakt men moet verzoeker uitdrukkelijk specifiek gedrag verwijten. Men kan zich uiteraard niet verdedigen op argumenten ten aanzien van groepen.” Beoordeling 21. Verzoeker vergist zich in dit middel op verschillende vlakken. 22.1. Vooreerst dient vastgesteld dat hij met dit middel, volgens de eigen bewoordingen van het verzoekschrift, “[z]owel het advies van de klassenraad als de beslissing van 20/12/[2021] tot definitieve uitsluiting” viseert. Zoals gezien, bevindt noch het advies van de klassenraad, noch de beslissing van de directeur van 20 december 2021 zich binnen de toetsingsbevoegdheid van de Raad van State. Bij de Raad ligt alleen de beslissing van de beroepscommissie van 1 februari 2022 ter beoordeling voor. Waarom een eventuele onwettigheid van het advies of de beslissing van de directeur op die punten per se moet afkleuren op de beslissing van de beroepscommissie, maakt verzoeker niet duidelijk en is, onder meer gelet op de devolutieve werking van het administratief beroep, allerminst evident. Die vaststelling volstaat al om het middel te verwerpen. IX-10.027-13/22 22.2. Bovendien heeft verzoeker de argumenten die hij thans voor de Raad van State doet gelden, haast woordelijk identiek aan de beroepscommissie voorgelegd. De beroepscommissie heeft daarop – onder “3de bezwaar: foutieve kwalificatie van de inhoudelijke feiten” – een antwoord geboden. Als dat antwoord voor verzoeker niet volstond, was het zaak om in zijn annulatieberoep die motivering op de korrel te nemen, eerder dan de kritiek uit zijn administratief beroep louter te herhalen en de Raad op die manier ertoe uit te nodigen zich een eigen oordeel over de feiten te vormen en dit vervolgens in de plaats van de beoordeling van de beroepscommissie te stellen. Dat laatste behoort, zoals gezien, niet tot de bevoegdheid van de Raad van State als wettigheidsrechter. 23. Het middel kan niet tot vernietiging leiden. E. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 24.1. In een vierde middel – om de hiervóór vermelde reden is dat bij verzoeker het “5e middel” – dat hij de benaming “[d]e begeleidingsovereenkomst” meegeeft, voert verzoeker het volgende aan: “In casu gaat het hier niet om een begeleidingsovereenkomst. Het betreft hier een door verzoeker uitgesproken engagement naar de school toe dat hij zich aan de regels etc. wenst te houden. Bovendien is er in deze begeleidingsovereenkomst geen sprake van een definitieve verwijdering. Maar enkel de mogelijkheid dat hij verwijderd kan worden. Verder kan niet ingezien worden waarom dit document de titel begeleidingsovereenkomst draagt en de periode is vrij kort. Waaruit blijkt dan de begeleiding? Dit is in strijd met het vertrouwensbeginsel.” 24.2. In zijn memorie van wederantwoord betoogt verzoeker nog dat hij de begeleidingsovereenkomst niet voor gelezen en goedgekeurd heeft IX-10.027-14/22 ondertekend. Hij herhaalt ook dat niet wordt aangetoond welke begeleiding hij heeft gekregen. Het ontbreken van begeleiding noemt hij in strijd met het vertrouwensbeginsel. Beoordeling 25. Verzoeker voert de schending aan van het vertrouwensbeginsel omdat hem “begeleiding” zou zijn ontzegd. 26. Het vertrouwensbeginsel is een beginsel van behoorlijk bestuur, krachtens hetwelk de burger moet kunnen betrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concrete geval heeft gedaan. 27. Verzoeker laat na aan te geven welke toezeggingen of beloften de school in zijn geval en in de “begeleidingsovereenkomst” zou hebben gedaan, maar niet is nagekomen. Het ligt overigens allerminst voor de hand om in de voormelde overeenkomst enige toezegging of belofte van de zijde van de school te ontwaren, al was het maar omdat het, zoals verzoeker overigens zelf heeft aangegeven, niets meer is dan een door hem “uitgesproken engagement”. Het is een verklaring van verzoeker waarin hij “belooft zich te gedragen”, “geen aanleiding [te] geven tot verdere orde- en tuchtmaatregelen”, “belooft zich te houden aan het huishoudelijk reglement” en waarbij hij toezegt dat hij “zich [zal] houden aan klas- en schoolregels”, “respectvol [zal] omgaan met iedereen”, “het normale lesgebeuren niet langer [zal] verstoren” en “op een positieve manier [zal] meewerken in de klas tijdens de theorie- en praktijklessen”. Zonder toezegging of belofte van het bestuur, kan er van een schending van het vertrouwensbeginsel evident geen sprake zijn. 28. Het middel faalt. IX-10.027-15/22 F. Zevende middel Uiteenzetting van het middel 29.1. In het zevende middel – hijzelf duidt het aan als zijn “8e middel: de integriteit van medeleerlingen en personeel zouden in gedrang komen” – voert verzoeker het volgende aan: “Nergens valt te lezen waar ten aanzien van personeel dit zou spelen… Wat betreft de integriteit van de medeleerlingen kunnen we uit de nota’s afleiden […] dat men een misplaatste grap heeft uitgehaald en dat de leerlingen dit hebben uitgepraat. Wat betreft de slagen op de geslachtsdelen kan men afleiden dat het om wederzijds plagen gaat waarbij bovendien een andere leerling is begonnen. Men kan dan zomaar niet concluderen dat het gedrag van verzoeker een gevaar voor de fysieke of psychische integriteit en veiligheid van zowel medeleerlingen als personeel zou zijn […].” 29.2. In zijn memorie van wederantwoord voegt verzoeker daar nog aan toe wat volgt: “Het feit dat verweerder zegt dat feitelijk niets betwist is klopt niet. Het feit dat er effectief een aantal dingen zijn die niet door de beugel konden wil niet zeggen dat verzoeker het eens is met alle feitelijke vaststellingen of dat deze feitelijkheden buiten de wil zijn geweest van verzoeker. Men moet nog altijd iets wetens en willens doen! Zoals in het verleden al aangegeven is verzoeker het niet eens met de subjectieve feitelijke vaststellingen in het administratief dossier zeker nu deze in strijd zijn met objectieve vaststellingen van derden.” Beoordeling 30. Verzoeker heeft deze grief ook – woordelijk identiek – aan de beroepscommissie voorgelegd. Daarop heeft de beroepscommissie als volgt geantwoord: “Door het aanhoudende negatief gedrag en overtreden van de afspraken is de draagkracht van de leerkrachten overschreden. De beroepscommissie IX-10.027-16/22 oordeelt dat door deze voortdurende ondermijning de leerkrachten wel degelijk geschonden worden in hun integriteit als onderwijsprofessional. Daarnaast verhindert het dat de andere leerlingen een correcte begeleiding en ondersteuning krijgen.” 31. Aan die overweging, die overigens niet van iedere redelijkheid is ontdaan, besteedt verzoeker in zijn verzoekschrift niet de minste aandacht, laat staan dat hij er overtuigende kritiek op heeft. 32. Het middel kan derhalve niet worden aangenomen. G. Zesde middel Uiteenzetting van het middel 33.1. Een zesde middel – verzoeker noemt het zijn “7e middel” – leest als volgt: “In de beslissing en het advies blijkt ook niet dat men ‘verzachtende elementen’ of elementen à décharge gaat bekijken. Zo kan men vaststellen dat de punten niet zo slecht zijn en dat de commentaren van verschillende leerkrachten positief zijn. Wanneer men gaat kijken naar wat externen over verzoeker [sic] dient men bovendien vast te stellen dat hij zeer positieve opmerkingen krijgt. Men stelt zich denk ik terecht de vraag waarom het klaarblijkelijk op de externe plaats wel lukt en in school niet. Dit kan ook een vorm van verkeerde perceptie zijn…” 33.2. In zijn memorie van wederantwoord betoogt verzoeker nog wat volgt: “Men dient alle objectieve elementen te overwegen, dus ook de positieve. De beslissing moet immers zorgvuldig tot stand komen. Wanneer men zich gaat baseren op onvolledige gegevens zoals: de SMS van [X] waarin ze iets anders verklaart dan in de nota in het administratief dossier, een advies van de klassenraad dat niet correct tot stand is gekomen is men niet zorgvuldig. De onzorgvuldigheid blijkt bovendien wanneer de school geen verduidelijking gaat vragen aan de medeleerlingen en [X] zelf over wat [X] zegt met name ‘dat medeleerlingen waaronder [verzoeker]’ iets zouden gedaan hebben) dan is men niet zorgvuldig in zoverre men nalaat IX-10.027-17/22 specifiek te vragen wie wat gedaan heeft. Uit deze verklaring kan men niet opmaken wie wat gedaan zou hebben. Door alle feiten bij één persoon te plaatsen is men niet correct. Het middel is gegrond omdat dit strijdig is met ondermeer het zorgvuldigheidsbeginsel.” Beoordeling 34. De enige “verzachtende elementen” die verzoeker volgens zijn verzoekschrift in rekening gebracht wil zien, zijn “de punten [die] niet zo slecht zijn” en “de commentaren van verschillende leerkrachten”. Verzoeker verwart klaarblijkelijk de leerlingenevaluatie – zijnde de beoordeling van de kennis, kunde en vaardigheden waarover een leerling al dan niet beschikt – met tuchtmaatregelen – dergelijke maatregelen worden genomen als de handelingen van de leerling de leefregels van de school zodanig schenden dat ze een gevaar of ernstige belemmering vormen voor het normale onderwijs- of vormingsgebeuren of voor de fysieke of psychische integriteit en veiligheid van een of meer leden van de schoolpopulatie. Wat verzoeker op zijn tuchtbeslissing betrokken wil zien, houdt verband met de leerlingevaluatie en is volkomen vreemd aan de tuchtzaak. 35. Het relaas in de memorie van wederantwoord over een sms- bericht en de verklaringen van bepaalde medeleerlingen heeft verzoeker niet eerder bijgebracht. Het blijkt niet dat hij dit niet eerder kon, zodat die argumenten als laattijdig en dus onontvankelijk moeten worden verworpen. 36. Het middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. IX-10.027-18/22 H. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 37. Een vijfde middel – bij hem is dat het “6e middel” – ontwikkelt verzoeker als volgt: “Veelal spreekt men over het feit dat verzoeker niet vatbaar zou zijn voor andere sancties of remediëringen dan de definitieve uitsluiting. De tijdelijke uitsluiting heeft men niet geprobeerd. Daarnaast is het merkwaardig dat men in het schoolreglement p. 27 […] zeer veel belang hecht aan communicatie meer bepaald stelt het reglement: ‘Je ouders zijn een belangrijke partner voor onze school. Dit betekent dat we veel belang hechten aan een goede en vlotte communicatie.’ Uit het dossier blijkt nergens dat men het gezin as such gaat betrekken teneinde de remediëring te doen slagen. Het is nochtans zéér belangrijk dat men ouders en de sociale druk in het gezin gebruikt om zaken te bewegen. Communicatie en het samen zoeken naar oplossingen is dienaangaande onontbeerlijk. Een definitieve uitsluiting is de zwaarste sanctie die men kan opleggen en in casu lijkt het niet aangewezen en billijk te zijn. Men moet eveneens niet vergeten dat we helaas nog altijd in tijden van corona zitten en dat de jeugd veelal aan afstandsonderwijs heeft moeten doen en dat dit sociaal thuiskader des te meer belangrijker is. Wanneer men dan spreekt over het niet tijdig maken van taken, te laat zijn, etc… waar er externe factoren kunnen zijn is het de taak van de school om deze minstens te exploreren en alternatieve remediëringen te bekijken. Het enkel oplijsten, confronteren en sanctioneren zonder opvolging is daar geen teken van.” Beoordeling 38. Het betoog van verzoeker komt er wezenlijk op neer dat een andere sanctie “niet [is] geprobeerd”, dat de definitieve uitsluiting de zwaarste sanctie is en dat hij die niet “billijk” acht. Daarin kan een schending van het evenredigheidsbeginsel worden gelezen. IX-10.027-19/22 39. Het evenredigheidsbeginsel kan slechts geschonden worden bevonden wanneer een beslissing die steunt op deugdelijke en dus afdoende bewezen motieven, een maatregel oplegt die niet in een redelijk verband van evenredigheid staat tot die motieven. 40. De Raad van State kan als wettigheidsrechter een leerling die tuchtrechtelijk uit de school werd verwijderd niet beschermen tegen een strenge beslissing, alleen tegen een onwettige beslissing. Een strenge beslissing kan door de betrokken leerling allicht als onredelijk of onbillijk ervaren worden. Maar dat maakt de beslissing niet ipso facto onwettig. Een verzoeker die de Raad van State ervan wil overtuigen dat in zijn geval wél sprake is van een onwettige beslissing, zal zulks dus aannemelijk moeten maken. 41. Dat doet verzoeker evenwel niet. Hij beperkt zich ertoe te stellen dat de hem opgelegde tuchtmaatregel “niet aangewezen en billijk [lijkt] te zijn”. Als verklaring daarvoor verwijst verzoeker uitsluitend naar de “tijden van corona”. Waarom zelfs dan niet van een leerling mag worden verwacht dat hij tijdig op school aanwezig is, respect heeft voor andere leerlingen, afgesproken voorbereidingen maakt, discipline heeft, gevolg geeft aan het bevel van een leerkracht, niet op de geslachtsdelen van een medeleerling slaat en niet de sleutels van de toiletten ontvreemdt, verduidelijkt verzoeker geenszins. 42. Dat zijn ouders onvoldoende werden betrokken kan verzoeker dan weer bezwaarlijk verbazen. In de bestreden beslissing werd omtrent woordelijk dezelfde kritiek immers het volgende gesteld: “Er was op geregelde basis contact met de ouders over [verzoeker] zijn gedrag op school tot hij zelf, als meerderjarige, aangaf dit niet meer te willen.” IX-10.027-20/22 Die overweging bekritiseert verzoeker niet. 43. Het middel kan niet tot vernietiging leiden. I. Achtste middel Uiteenzetting van het middel 44.1. Verzoeker voert, tot slot, in een achtste middel – voor hem “9e middel” – aan dat er sprake is van “[d]ubbele bestraffing”. Hij betoogt dat “men in het advies voor de beslissing zaken aanhaalt waarvoor verzoeker al een straf heeft gehad”. 44.2. In zijn memorie van wederantwoord luidt het nog dat verzoeker “al strafstudie [heeft] gehad in het verleden […] en nu haalt men deze dingen opnieuw aan om de beslissing te schragen”. 44.3. In zijn laatste memorie verwijst verzoeker naar zijn schorsing op 8 en 9 december 2021. Beoordeling 45. Welke “zaken” of “dingen” verzoeker dubbel bestraft acht, licht hij niet toe. Wat verzoeker niet voldoende helder uitwerkt, gaat de Raad niet in zijn plaats uitspitten, de enkele bewering dat “dit blijkt uit het administratief dossier” ten spijt. 46. Het middel is onontvankelijk. J. Conclusie IX-10.027-21/22 47. De door verzoeker aangevoerde middelen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien december tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.027-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.225 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div