id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.226 Rolnummer: A. 237661/IX-10156 Zaak: Arrest 258226 - Examens (onderwijs) - 14/12/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-12-21 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-11 04:43 Fiche Arrest nr 258.226 van 14 december 2023 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 258.226 van 14 december 2023 in de zaak A. 237.661/IX-10.156 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieterjan Heremans en Tariq Pels kantoor houdend te 2200 Herentals Lierseweg 116 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door scholengroep GO! Next bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rafaël Mommen kantoor houdend te 3500 Hasselt Minderbroederstraat 52 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 10 november 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de beroepscommissie van scholengroep GO! Next van 12 september 2022 waarbij aan XXXX een oriënteringsattest B met clausulering voor de onderwijsvormen ASO, TSO en KSO wordt toegekend. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. IX-10156-1/10 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 november
- Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tariq Pels, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Rafaël Mommen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker is tijdens het schooljaar 2021-2022 leerling in het tweede jaar van de tweede graad ‘lichamelijke opvoeding en sport’ in de GO! Next sportschool te Hasselt, waarvan de verwerende partij het schoolbestuur is. Op het einde van het schooljaar laat verzoeker de volgende jaartekorten optekenen: biologie (46,6%), geschiedenis (48,8%), sportweten- schappen (48,9%), theorie LO (47,9%) en aardrijkskunde (40,3%). De delibererende klassenraad kent aan verzoeker een oriënteringsattest B toe, met clausulering voor de volledige onderwijsvormen ASO, TSO en KSO. Overleg met de directeur leidt tot een nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad. De klassenraad handhaaft zijn eerdere beslissing. IX-10156-2/10 Het daaropvolgende bezwaar van verzoeker bij het schoolbestuur doet de beroepscommissie besluiten om haar “eindbeslissing uit te stellen en een herkansing in de vorm van een bijkomende proef te geven voor de vakken: aardrijkskunde, biologie, geschiedenis, zwemmen en theorie LO”. Nadat verzoeker deze bijkomende proeven met wisselend succes heeft afgelegd, beslist de beroepscommissie op 12 september 2022 om “de oorspronkelijke beslissing van de klassenraad, nl. een B-attest met clausulering ASO-KSO-TSO, te bevestigen”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Ambtshalve exceptie inzake verzoekers procesbekwaamheid
- Het verzoekschrift leert dat het beroep is ingesteld door “de heer XXXX”, dit wil zeggen door verzoeker zelf, in eigen naam.
- Niet is betwist dat verzoeker op het ogenblik van het instellen van huidig annulatieberoep minderjarig was – en tot op vandaag nog is. Een niet-ontvoogde minderjarige is in principe onbekwaam om in eigen naam bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen een beslissing waarbij over hem als leerling van een onderwijsinstelling voor secundair onderwijs een evaluatiebeslissing wordt genomen. Om regelmatig een dergelijk beroep in te stellen, dient hij te worden vertegenwoordigd door hen die het ouderlijk gezag over zijn persoon uitoefenen. Immers, de belangrijke beslissingen met betrekking tot de opleiding van een minderjarige – waartoe ook het instellen van een annulatieberoep tegen een ongunstige evaluatiebeslissing moet worden gerekend – behoren tot de kern van de verantwoordelijkheid die kleeft aan het ouderschap.
- Nadat hij daartoe bij brief van 9 oktober 2023 werd uitgenodigd, heeft verzoeker zijn standpunt over het aspect van de procesbekwaamheid toegelicht. IX-10156-3/10 Vooreerst betoogt hij dat de exceptie laattijdig en dus onontvankelijk is. Deze exceptie werd volgens verzoeker nooit eerder door de verwerende partij opgeworpen, niet in de bestuurlijke beroepsprocedure en evenmin in de memories. De verwerende partij kan een dergelijke exceptie niet op ontvankelijke wijze na haar laatste memorie aanvoeren. Immers, de leeftijd van verzoeker is een element dat de verwerende partij kende en zij had de exceptie in het eerste nuttige procedurestuk moeten opwerpen. Hij verwijst in dat verband nog naar arrest nr. 197.137 van 22 oktober
- Vervolgens voert verzoeker aan dat de exceptie feitelijke grondslag mist. Hij merkt op dat hij “doorheen de ganse procedure van meet af aan (de facto) is bijgestaan en vertegenwoordigd door zijn ouders”. Zijn ouders waren “steeds aanwezig en betrokken bij alle besprekingen en communicaties in verband met de gevoerde beroepsprocedure(s)”. Daarbij refereert verzoeker aan het overleg met de directie waarop zijn vader aanwezig was en de mededeling aan deze laatste van het resultaat van de nieuwe bijeenkomst van de klassenraad. Hij betoogt voorts dat ook de beslissing om de procedure voor de Raad van State in te stellen “in samenspraak en met goedkeuring en akkoord van de beide ouders” werd genomen. In dat verband brengt verzoeker een verklaring van zijn ouders bij waaruit volgens hem “wel degelijk (de facto) een wettelijke vertegenwoordiging door beide ouders” blijkt. Dit vereiste mag, zo doet verzoeker nog gelden, ook niet al te restrictief of formalistisch worden ingevuld en benaderd. “Ondergeschikt” betoogt verzoeker nog dat de inzet van zijn annulatieberoep een “strikt persoonlijk recht” betreft waarvoor hij wel alleen vermag op te treden. Verzoeker verwijst naar artikel 6 EVRM en de artikelen 3, 9 en 12 van het VN-verdrag inzake de Rechten van het Kind van 20 november 1989 waaruit volgens hem moet worden afgeleid dat “[w]anneer de beschermingsgedachte in een concrete situatie niet manifest aanwezig is, […] er in beginsel geen reden [is] om de minderjarige die over het vereiste oordeelsvermogen beschikt te verhinderen zelf en zelfstandig een vordering in rechte in te stellen”. Verzoeker wijst voorts op twee arresten van de Raad van State waarin werd geoordeeld dat een beroep van een minderjarige ontvankelijk IX-10156-4/10 is wanneer het betrekking heeft op persoonlijke rechten en de minderjarige over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt. Verzoeker is op twee weken na zeventien jaar en staat daarmee, naar eigen zeggen, op de drempel van de meerderjarigheid. Hij mag geacht worden over het vereiste onderscheidingsvermogen te beschikken “om (mee) te beslissen” over het verloop van zijn schoolcarrière. Dat geldt volgens hem “des te meer” wanneer een beslissing wordt getroffen die rechtstreeks een nefaste impact heeft op zijn schoolloopbaan. 7.
- Als verzoeker ervan uitgaat dat de exceptie is opgeworpen door de verwerende partij, mist zijn verweer in zoverre feitelijke grondslag. Niet de verwerende partij, maar de Raad van State heeft de besproken ontvankelijkheidsvraag opgeworpen. De ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring raakt de openbare orde en de Raad van State mag ze in elke stand van het geding opwerpen, ook ambtshalve. Zo is hier geschied. 7.
- Het arrest waaraan verzoeker refereert betreft overigens een geval waarin de tijdigheid van een exceptie met betrekking tot de ontvankelijkheid van een middel ter discussie stond. Zulks laat zich niet zonder meer vergelijken met de vraag naar de ontvankelijkheid van het beroep in zijn geheel. 7.
- Niets belet derhalve dat de ontvankelijkheid van het beroep wat de procesbekwaamheid van verzoeker betreft wordt onderzocht. 8.
- Dat de vader van verzoeker in de loop van de administratieve beroepsprocedure in de schoot van de betrokken school is tussengekomen kan bezwaarlijk leerzaam worden genoemd om een antwoord te bieden op de vraag of verzoeker in de jurisdictionele procedure bij de Raad van State behoorlijk is vertegenwoordigd. IX-10156-5/10 Dat is des te minder het geval, nu uit de bepalingen van de artikelen 373, 374 en 376 van het oud Burgerlijk Wetboek volgt dat wanneer de ouders het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uitoefenen, zij ook gezamenlijk als zijn vertegenwoordigers moeten optreden. Verzoeker beweert niet, laat staan dat hij aantoont dat alleen zijn vader het ouderlijk gezag over hem uitoefent. De verklaring die verzoeker heeft bijgebracht gaat trouwens uit van de beide ouders, zodat moet worden aangenomen dat verzoeker ook door beide ouders vertegenwoordigd moet zijn. 8.
- In die verklaring, die niet gedateerd is maar waarvan uit de bewoordingen waarin ze is opgemaakt redelijkerwijze kan worden begrepen dat ze maar werd geredigeerd naar aanleiding van de voormelde brief van 9 oktober 2023, verduidelijken de ouders van verzoeker dat zij “volledig op de hoogte zijn” van het huidige annulatieberoep, dat zij “bevestigen dat alle contacten met de advocaten steeds via [hen] zijn verlopen”, dat zij hun “goedkeuring [hebben] gegeven over het opstarten van de procedure bij de Raad van State” en “voordien steeds betrokken [waren] bij de interne beroepsprocedure bij de school zelf”, dat de beslissing om een annulatieberoep in te stellen een “door [hen] als ouders altijd al gedragen beslissing” is en dat zij “[v]oor zover als nodig bevestigen […] dat [z]ij alle stappen ondersteunen die tot hier toe zijn genomen en zullen genomen worden in de procedures” met betrekking tot de bestreden beslissing. Wat de ouders van verzoeker aldus verklaren laat evenwel niet toe te besluiten dat zij hem bij het instellen van het annulatieberoep hebben vertegenwoordigd. Immers, “vertegenwoordigen” betekent dat zij optreden, handelen voor en in naam van hun minderjarig kind. Zulks veronderstelt het verrichten van een bepaalde daad. Dat doen zij niet door “op de hoogte te zijn” van het instellen van een annulatieberoep, zulks “goed te keuren”, te “dragen” of te “ondersteunen”. 8.
- Verzoeker betoogt nog dat het vereiste van de ouderlijke vertegenwoordiging “niet al te restrictief of formalistisch” mag worden toegepast. Daarvoor verwijst hij naar arrest nr. 235.802 van 20 september 2016 van de Raad van State. IX-10156-6/10 In dat arrest werd vastgesteld dat het verzoekschrift wel degelijk en woordelijk deed blijken van een “bijstand en vertegenwoordiging” van de minderjarige verzoeker door zijn beide ouders. Dat onderscheidt die zaak fundamenteel van de voorliggende. 8.
- Wat voorafgaat doet besluiten dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat hij bij het instellen van zijn annulatieberoep door zijn wettelijke vertegenwoordigers was vertegenwoordigd. 9.
- Voor zover verzoeker er, tot slot, van uitgaat dat hij, als minderjarige, het beroep zelf vermocht in te stellen omdat de betwisting een “strikt persoonlijk recht” betreft, kan hij evenmin worden bijgevallen. 9.
- Verzoeker verwijst tevergeefs naar ’s Raads arrest nr. 192.415 van 20 april 2009, waaraan een weigering tot inlijving bij de Krijgsmacht ten grondslag ligt. Hiervan wordt aangenomen dat het om een strikt persoonlijk recht gaat zodat de minderjarige die het vereiste onderscheidingsvermogen bezit, bepaalde handelingen in verband met zijn of haar militair statuut alléén mag stellen en daarom eveneens bij de bestuursrechter de geschillen over die handelingen alléén mag voeren, zelfs met uitsluiting van zijn of haar ouders die het ouderlijk gezag uitoefenen, aan wie wegens dit strikt persoonlijk karakter van de zaak de hoedanigheid wordt ontzegd (zie, bijvoorbeeld, RvS nr. 54.056 van 28 juni 1995). Zoals ook uit de zo-even genoemde bepalingen van het oud Burgerlijk Wetboek blijkt, zijn de beslissingen omtrent onder meer de opvoeding en de opleiding echter geenszins “strikt persoonlijke rechten” van het kind, maar valt het primordiaal aan de ouders toe om daarvoor (samen) in te staan. 9.
- Verzoeker confronteert de Raad evenmin met het uitzonderlijke geval dat zijn wettelijke vertegenwoordigers weigeren zijn rechten voor hem uit te oefenen of in de onmogelijkheid verkeren dit te doen, waardoor die rechten (en de toegang tot de rechter) in gevaar dreigen te komen. IX-10156-7/10 In deze zaak is van enig belangenconflict tussen verzoeker en zijn ouders geen sprake. Dat kan alvast wél uit de bijgebrachte verklaring worden begrepen. Alsdan is de verwijzing naar arrest nr. 32.054 van 22 februari 1989 evenmin dienstig, nu daarin – naar verzoekers eigen vrije vertaling – als voorwaarde werd geformuleerd dat er sprake moet zijn van “conflicterende belangen”. 9.
- De bepalingen van artikel 6 EVRM en van de artikelen 3, 9 en 12 van het VN-verdrag inzake de Rechten van het Kind van 20 november 1989 – daargelaten of ze voor deze zaak enige relevantie vertonen – houden geen van alle een uitdrukkelijk recht in voor een minderjarige om in eigen naam proceshandelingen te stellen. Deze bepalingen verhinderen voorts ook niet dat de verdragsstaten beperkingen opleggen op het recht op toegang tot de rechter, bijvoorbeeld door minderjarigen de mogelijkheid tot zelfstandige rechtsingang te ontzeggen. Die beperkingen mogen er dan wel niet toe leiden dat het recht op toegang tot de rechter wordt belemmerd of overdreven moeilijk wordt gemaakt. Verzoeker overtuigt er niet van dat er in zijn geval sprake is van een belemmering of onevenredige beperking van het recht op toegang tot de rechter. Zo was het noodzakelijk maar voldoende dat het verzoekschrift – net als alle daaropvolgende procedurestukken die zouden worden ingediend tijdens de periode van minderjarigheid van verzoeker – er uitdrukkelijk blijk van gaf dat het werd ingediend door de beide ouders als wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon. Dat een dergelijk formeel optreden van zijn wettelijke vertegenwoordigers op dat ogenblik onmogelijk was, beweert verzoeker alvast niet.
- Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker het voorliggende beroep tot nietigverklaring niet op een ontvankelijke wijze bij de Raad van State heeft ingesteld. De ambtshalve exceptie is gegrond. IX-10156-8/10 Het beroep is onontvankelijk. IX-10156-9/10 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien december tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10156-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.226 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div