← België

Arrest 258262 - Varia (economische zaken) - 19/12/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.262 Rolnummer: A. 234903/XIV-38851 Zaak: Arrest 258262 - Varia (economische zaken) - 19/12/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-01-03 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-06-10 18:11 Fiche Arrest nr 258.262 van 19 december 2023 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 258.262 van 19 december 2023 in de zaak A. 234.903/XIV-38.851 In zake : 1. de NV BSH HOME APPLIANCES 2. de Gmbh ROBERT BOSCH HAUSGERÄTE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jens Debièvre en Matthias Castelein kantoor houdend te 1000 Brussel Havenlaan 86 C/113b bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Economie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Oostakker Orchideestraat 61 A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 29 oktober 2021, strekt tot de nietig- verklaring van “de beslissing van de FOD Economie dd. 3 september 2021, waarbij verschillende inbreuken zijn vastgesteld, en het noodzakelijk is dat de verkoop van het toestel Keukenrobot Bosch MUM 50123 tijdelijk wordt stopgezet”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-38.851-1/23 Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 september 2023 om 14.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthias Castelein, die loco advocaat Jens Debièvre verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Tine Bricout, die loco advocaat C. Decordier verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Aan de eerste verzoekende partij wordt bij aangetekende brief van 3 september 2021 de volgende beslissing meegedeeld inzake de conformiteit van het in de handel gebracht materiaal van de keukenrobot BOSCH MUM 50123: “Op 28 maart 2019, heeft [E.V.] bij de [eerste verzoekende partij] van het volgende materiaal een monstername gedaan om de veiligheid en conformiteit ervan te testen: Keukenrobot BOSCH MUM 50123 XIV-38.851-2/23 Uit de controles waaraan het materiaal onderworpen werd, is gebleken dat het niet voldoet aan de essentiële eisen zoals bepaald in de Laagspanningsrichtlijn 2014/35/EU welke werd omgezet in Belgisch recht door het koninklijk besluit van 21 april 2016 betreffende het op de markt brengen van elektrisch materiaal. U vindt in bijlage een afschrift van de kennisgeving die vandaag verstuurd wordt naar de Europese verantwoordelijke voor de CE markering van het bovenvermelde materiaal, en waarin een opsomming wordt gegeven van de gebreken die onmiddellijk moeten worden verholpen. De ernst ervan rechtvaardigt de inleiding van een procedure tot verbodsbepaling voor het in de handel brengen, indien er geen passende maatregelen worden genomen. Bovendien, gezien de vastgestelde inbreuken, is het noodzakelijk dat de verkoop van het toestel tijdelijk wordt stopgezet. Deze stopzetting van het in de handel brengen blijft van kracht tot passende maatregelen door de Europese verantwoordelijke voor de CE-markering zijn voorgesteld, en zolang wij u niet de wederverkoop hebben toegestaan. Overwegende dat u krachtens deze mededeling op de hoogte wordt gebracht van de non-conformiteiten die bij uw toestel zijn vastgesteld en dat deze non-conformiteiten de veiligheid kunnen aantasten, verzoek ik u mij mee te delen welke initiatieven u overweegt te nemen op basis van uw algemene verantwoordelijkheid, om aan de mogelijk gevaarlijke gevolgen van de commercialisering van dit toestel te verhelpen.” Dit is de bestreden beslissing. De bestreden beslissing wordt bij een aangetekende brief van dezelfde dag eveneens ter kennis gebracht van de tweede verzoekende partij. 3.2. Twee maanden nadien, met een elektronisch bericht van 3 november 2021, bezorgt de dienst productcontrole van de FOD Economie de eerste verzoekende partij een brief waarbij zij - als bijlage - een aangetekend schrijven voegt verzonden aan de Europese verantwoordelijke voor de CE markering en waarin de FOD meedeelt dat ingevolge de genomen maatregelen en de daaropvolgende testen het dossier kan worden gesloten (“nous allons pouvoir clôturer le dossier”), zij het met dien verstande dat wordt toegevoegd dat zulks niet betekent dat het product normconform is (“que cette lettre ne signifie pas pour autant que le produit est conforme”) en dat het dossier verder wordt opgevolgd. 3.3. Op de bij e-mail van 4 november 2021 gestelde vraag van de eerste verzoekende partij om bevestiging of zij uit de in punt 3.2 vermelde gegevens mag afleiden dat “de eis voor stopzetting van de verkoop van het betroffen model hiermee wordt geannuleerd en u dus hiermee terugkomt op de XIV-38.851-3/23 conclusies van uw analyse”, antwoordt de verwerende partij met een elektronisch bericht van 5 november 2021 dat zij heeft “besloten om het dossier af te sluiten”, doch dat “deze beslissing echter geen bevestiging van de conformiteit van het toestel [is]” en dat de “stopzetting van verkoop van het model Keukenrobot Bosch MUM 50123 (en gelijkaardige modellen) inderdaad [wordt] stopgezet”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Vooraf 4. In de memorie van antwoord beperkt de verwerende partij zich ertoe twee excepties aan te voeren. De eerste exceptie betreft een exceptie ratione materiae waarbij de verwerende partij aanvoert dat de bestreden beslissing geen aanvechtbare bestuurshandeling is. Met de tweede exceptie die zij “ondergeschikt” opwerpt, betwist de verwerende partij dat de verzoekende partijen beschikken over het voor het indienen van een beroep tot nietigverklaring vereiste (actueel) belang. A. Wat de eerste exceptie betreft Uiteenzetting 5. Wat de eerste exceptie betreft, voert de verwerende partij aan dat de bestreden beslissing geen aanvechtbare rechtshandeling is omdat deze een “loutere kennisgeving in toepassing van artikel IX.5, § 3, WER” betreft. Zij stelt dat na de monsterafname op 28 maart 2019 ernstige vragen waren gerezen nopens de conformiteit en veiligheid van de keukenrobot Bosch MUM 50123 en dat, conform voormeld artikel IX.5 van het Wetboek Economisch Recht (hierna: het WER) de producent van het betreffende toestel vervolgens per brief van 3 september 2021 (dit is de bestreden beslissing) werd geraadpleegd met betrekking tot de vastgestelde niet-conformiteit. De verwerende partij stelt dat het XIV-38.851-4/23 “een loutere kennisgeving” in toepassing van artikel IX.5 van het WER betreft doch “geen administratieve beslissing tot stopzetting van de verkoop in de zin van IX.5, §1 van het [WER]”, wat volgens de verwerende partij nog blijkt “uit het feit dat de verzoekende partij niet werd ingelicht over het feit dat om redenen van hoogdringendheid zou zijn afgezien van de wettelijk voorgeschreven raadpleging zodat een voorafgaandelijke raadpleging noodzakelijk was alvorens überhaupt een beslissing tot stopzetting van verkoop kon worden genomen met betrekking tot de keukenrobot Bosch MUM 50123”. Slechts indien geen passende maatregelen zouden worden genomen, zou de procedure tot stopzetting van de verkoop kunnen worden opgestart. “Strikt ondergeschikt”, in de mate dat zou worden geoordeeld dat de kennisgevingsbrief van 3 september 2021 wel degelijk een beslissing bevat, merkt de verwerende partij op dat er hooguit sprake was van een voorlopige beslissing en derhalve “als dusdanig evenmin een voor vernietiging vatbare rechtshandeling”, zulks in afwachting van de uitkomst van de raadplegingsprocedure op grond van artikel IX.5, §3, van het WER. In de laatste memorie stelt de verwerende partij zich erover te verbazen vast te stellen dat in het auditoraatsverslag “volstrekt geen rekening [wordt gehouden] met de verduidelijking, dewelke in het kader van huidige procedure werd verschaft door verweerder, waarbij zeer uitdrukkelijk werd benadrukt dat het bestreden ‘besluit’ geen beslissing betreft”. Zij herhaalt dat de brieven van 3 september 2021 louter waren bedoeld als kennisgeving en dat zij in de memorie van antwoord “uitdrukkelijk” heeft bevestigd dat de aangetekende brieven nog niet beoogden om de rechtsorde te wijzigen, wat volgens haar nog duidelijk blijkt nu in die brieven wordt gemeld dat “de ernst van de gebreken de inleiding van een procedure tot verbodsbepaling voor het in de handel brengen rechtvaardigt, met name indien geen passende maatregelen zouden worden genomen door de verzoekende partij”. Hieruit blijkt “dat nog geen procedure voor het opleggen van een verkoopverbod was opgestart, laat staan dat hieromtrent reeds een formele beslissing kon zijn genomen”. Het is niet, aldus de verwerende partij, omdat een brief “gebeurlijk dubbelzinnig, dan wel voor interpretatie vatbaar zou zijn”, dat deze zonder meer moet worden gekwalificeerd als een XIV-38.851-5/23 administratieve beslissing. Volgens haar geeft het auditoraat een “eigen interpretatie van de bewoordingen van voorliggende brief”; interpretatie die bovendien contra legem is, nog afgezien van het feit dat de verzoekende partijen zelfs niet aantonen dat de verkoop van de keukenrobot überhaupt werd stopgezet. Zij benadrukt dat de “gebeurlijke feitelijke gevolgen” die de verzoekende partijen aan de brief van 3 maart 2021 zouden hebben gegeven, niet kunnen worden gekwalificeerd als rechtsgevolgen. Het auditoraatsverslag gaat er volgens haar aan voorbij dat een daadwerkelijke beslissing tot stopzetting van de verkoop overeenkomstig de vigerende regelgeving uitsluitend kan worden genomen bij ministerieel besluit. Tot slot merkt zij “ter verduidelijking van de bewoordingen” van de brief van 3 september 2021, zijnde de bestreden beslissing, nog op dat “de betrokken dossierbeheerder uitsluitend beoogde om in begrijpelijke bewoordingen de geldende regelgeving weer te geven, dewelke in werking zou treden wanneer gebreken worden vastgesteld”. De brief van 3 september 2021 “(die o.a. wijst op een non-conformiteit overeenkomstig Bijlage I, 2.,

  1. c)van het KB 21.04.2016) -weliswaar niet in juridische bewoordingen- een verwijzing naar artikel 5, §8 van het KB dd. 21.04.2016 en artikel 4, punt 3 van de Verordening 2019/1020 [bevat]”, waarna de verwerende partij de bepalingen waarnaar zij aldus verwijst, citeert om te besluiten dat op grond van die bepalingen het nadeel waarop de verzoekende partijen zich steunen, zijnde het feit dat hen verbod zou zijn opgelegd om hun product verder in de handel te brengen, “als dusdanig dus niet voort[vloeit] uit de brief van 03.09.2021”, doch integendeel, “uit de loutere toepassing van het hoger aangehaalde KB dd. 21.04.2016, alsook uit de Verordening 2019/1020”. De verzoekende partijen dienen op grond van die bepalingen “uit eigen beweging het elektrisch materiaal uit de handel te nemen zodra is vastgesteld dat het niet in overeenstemming is met de essentiële technische voorschriften van bijlage I bij het KB dd. 21.04.2016”. Zij stelt nog dat de verzoekende partijen hierop door de dossierbeheerder “slechts attent werd[en] gemaakt […], tezamen met de vermelding dat - bij gebrek aan passende maatregel - de procedure voor het opleggen van een verkoopverbod zou worden ingeleid”. Beoordeling XIV-38.851-6/23 6. Een beroep tot nietigverklaring moet krachtens artikel 14, §1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een (griefhoudende) administratieve rechtshandeling tot voorwerp hebben. Onder rechtshandeling in de zin van de voormelde bepaling dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten. De bestuurshandeling moet de rechtzoekende uit zichzelf onmiddellijk en effectief kunnen benadelen. Zo zijn bijvoorbeeld niet-griefhoudend – en bijgevolg in beginsel niet vatbaar voor een vernietigingsberoep – een louter informatieve brief of e-mail waarin de wet louter geciteerd wordt, voorbereidende handelingen, voorstellen, niet bindende adviezen, en loutere uitvoeringsmaatregelen. 7. Echter, en anders dan de verwerende partij voorhoudt, kan in de bestreden beslissing geen loutere kennisgeving worden gezien van een voorafgaande raadpleging van de producent, zoals bepaald in artikel IX.5, § 3, van het WER. De te dezen relevante bepalingen van artikel IX.5 van het WER bepalen wat volgt: “§ 1. In geval van ernstig risico kan de minister of zijn gemachtigde voor een periode van ten hoogste één jaar, maximaal eenmaal met een periode van ten hoogste één jaar verlengbaar, een gemotiveerd totaal of gedeeltelijk verbod uitvaardigen of voorwaarden vaststellen voor : 1° de vervaardiging, de invoer, de verwerking, de uitvoer, het aanbod, de tentoonstelling, de verkoop, de behandeling, het vervoer, de verdeling, zelfs kosteloos, de verhuring, het ter beschikking stellen, de levering na herstelling, de ingebruikstelling, het bezit, de etikettering, het verpakken, de omloop of de gebruikswijze van een product of categorie van producten; 2° de dienstverlening met betrekking tot deze producten. Deze tijdelijke maatregel kan omgezet worden in een definitieve maatregel overeenkomstig de procedures bedoeld in artikel IX.4. § 2. In een besluit of een beslissing genomen ter uitvoering van paragraaf 1 kunnen tevens de volgende maatregelen worden bevolen : 1° het uit de handel nemen, de consignatie, de terugname met het oog op de wijziging, de gehele of gedeeltelijke terugbetaling dan wel de ruil van een product of een categorie van producten, alsmede de vernietiging ervan indien dat het enige XIV-38.851-7/23 middel is om het risico te weren; 2° verplichtingen met betrekking tot de voorlichting van de gebruiker. § 3. De minister of zijn gemachtigde raadpleegt, zonder evenwel afbreuk te mogen doen aan het door de omstandigheden vereiste dringende optreden, vooraf de producenten of een vertegenwoordiging uit de sector. Indien wegens de dringendheid van de maatregel geen raadpleging vooraf kan plaatsvinden, worden de betrokken partijen hiervan ingelicht, uiterlijk vijftien dagen na het nemen van de maatregelen. […].” 8. Uit de sub 3.1 aangehaalde beslissing blijkt dat de verwerende partij oordeelt dat (
  2. i)uit de controles waaraan het materiaal onderworpen werd, is gebleken dat het niet voldoet aan de essentiële eisen zoals bepaald in de Laagspanningsrichtlijn 2014/35/EU welke werd omgezet in Belgisch recht door het koninklijk besluit van 21 april 2016 ‘betreffende het op de markt brengen van elektrisch materiaal’ (hierna: het koninklijk besluit van 21 april 2016); (
  3. ii)de ernst van de tekortkomingen de inleiding van een procedure tot verbodsbepaling voor het in de handel brengen rechtvaardigt indien er geen passende maatregelen worden genomen, (iii) het “bovendien” noodzakelijk is dat de verkoop van het toestel tijdelijk wordt stopgezet en, tot slot, (
  4. iv)deze stopzetting “van kracht blijft” totdat passende maatregelen door de Europese verantwoordelijke voor de CE-markering zijn voorgesteld, en zolang de verwerende partij de wederverkoop niet heeft toegestaan. Het valt dan ook niet redelijkerwijze te betwisten dat de bestreden beslissing onmiddellijke rechtsgevolgen inhoudt voor de verzoekende partijen waaruit immers onomwonden een door de verwerende partij opgelegde voorlopige, minstens tijdelijke, stopzetting van de verkoop blijkt omdat volgens haar de betrokken keukenrobot niet voldoet aan de essentiële eisen zoals bepaald in de Laagspanningsrichtlijn 2014/35/EU en dat de ernst daarvan niet alleen de inleiding van een procedure tot verbodsbepaling voor het in de handel brengen rechtvaardigt doch ook dat (inmiddels) de verkoop van het toestel tijdelijk wordt stopgezet en deze stopzetting “van kracht blijft” totdat passende maatregelen zijn genomen. XIV-38.851-8/23 Het “voorlopig” of tijdelijk karakter van de stopzetting van de verkoop weerlegt niet dat er van daadwerkelijke rechtsgevolgen sprake is. De pogingen tot “milderende” uitleg die de verwerende partij alsnog, zij het post factum, in de memorie van antwoord en haar laatste memorie tracht te geven om die nochtans onomwonden en duidelijke stopzetting die “van kracht blijft” – en dus uitvoerbaar is – totdat passende maatregelen zijn genomen, te relativeren, doen daaraan niet af. Evenmin overtuigt de – weerom post factum – verschafte uitleg dat in die beslissing ook staat vermeld dat “de ernst van de gebreken de inleiding van een procedure tot verbodsbepaling voor het in de handel brengen rechtvaardigt, met name indien geen passende maatregelen zouden worden genomen door de verzoekende partij”. Daarmee lijkt ze veeleer te verwijzen naar een mogelijk nog tussen te komen definitief uit de handel nemen van het betrokken product zonder dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de tijdelijk opgelegde stopzetting die “van kracht blijft” totdat passende maatregelen zijn genomen. Conclusie is dat, en anders dan de verwerende partij dat ziet, de bestreden beslissing wat de opgelegde tijdelijke stopzetting in afwachting van passende maatregelen betreft, duidelijk is en, niet (slechts) “gebeurlijk dubbelzinnig, dan wel voor interpretatie vatbaar”, wat overigens bezwaarlijk zou kunnen worden uitgelegd in het nadeel van de verzoekende partijen. Hetzelfde geldt overigens voor het standpunt van de verwerende partij dat dergelijke lezing van de (nochtans duidelijke) bestreden beslissing “contra legem is” omdat , een “daadwerkelijke beslissing tot stopzetting van de verkoop overeenkomstig de vigerende regelgeving uitsluitend kan worden genomen bij ministerieel besluit” of, nog, dat “uit de loutere toepassing van het hoger aangehaalde KB dd. 21.04.2016, alsook uit de Verordening 2019/1020” volgt dat de verzoekende partijen “uit eigen beweging het elektrisch materiaal uit de handel [dienen] te nemen, zodra is vastgesteld dat het niet in overeenstemming is met de essentiële technische voorschriften van bijlage I bij het KB dd. 21.04.2016” en waarop de verzoekende partijen door de dossierbeheerder “slechts attent werd[en] gemaakt” (zie nog infra punt 20). XIV-38.851-9/23 9. De exceptie ratione materiae wordt verworpen. B. Wat de tweede exceptie betreft Uiteenzetting 10. Met de tweede exceptie voert de verwerende partij “ondergeschikt” aan dat in de mate (zoals te dezen) wordt geoordeeld dat de bestreden beslissing een voor vernietiging vatbare rechtshandeling betreft, moet worden vastgesteld dat de verzoekende partijen geen actueel belang meer hebben bij het voorliggende beroep. Zij verwijst daartoe naar de in de punten 3.2 en 3.3 vermelde briefwisseling waaruit blijkt dat werd besloten om het dossier “af te sluiten” en “de stopzetting van de verkoop van het model keukenrobot Bosch MUM 50123 (en gelijkaardige modellen), inderdaad [wordt] stopgezet”. Volgens de verwerende partij moet dan ook worden vastgesteld dat de verzoekende partijen “volstrekt” geen voordeel meer kunnen putten uit de gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden beslissing. Zij stelt dat sedert 3 november 2021 de verzoekende partijen allerminst nog worden gehinderd om het betrokken elektrisch toestel te produceren en te verdelen op de Belgische markt, laat staan dat men aannemelijk maakt dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing noodzakelijk zou zijn om reputatieschade, dan wel ernstige financiële gevolgen te voorkomen. Evenmin maken de verzoekende partijen met een begin van bewijs aannemelijk dat zij reeds (nadelige) gevolgen zouden hebben ondervonden. In de mate dat de verzoekende partijen nog een belang meenden te kunnen putten uit het feit dat de bestreden beslissing ook in kopie werd bezorgd aan de Europese verantwoordelijke voor de CE-markering, blijkt ook op dit punt dat de betrokken dienst werd ingelicht nopens het feit dat het dossier inmiddels werd afgesloten. Rekening houdend met de eigen uiteenzetting van het belang van de verzoekende partijen, moet aldus worden besloten dat alle gebeurlijke nadelige gevolgen van de bestreden beslissing minstens reeds sedert 3 november 2021 zijn opgeheven, zodat de verzoekende partijen geen actueel belang meer aannemelijk kunnen maken aangezien een nietigverklaring hen geen bijkomend voordeel meer kan verschaffen. Eén en ander XIV-38.851-10/23 klemt volgens de verwerende partij des te meer nu de verzoekende partijen zelf hun belang integraal hebben “opgehangen aan het feit dat zij gehinderd zou[den] zijn geworden om het toestel Bosch MUM 50123 ongehinderd te produceren en te verdelen op de Belgische markt”. In haar laatste memorie herhaalt de verwerende partij dat de argumentatie van de verzoekende partijen niet kan worden bijgevallen, met name dat zij door de bestreden beslissing moesten stoppen met het verdelen van het betrokken product op de Belgische markt, wat volgens hen “evident de nodige financiële repercussies [heeft] gehad”. De verzoekende partijen leggen geen begin van bewijs voor dat zij op enigerlei moment daadwerkelijk gevolg zouden hebben gegeven aan de bestreden beslissing, laat staan dat zij aannemelijk maken dat men enige financiële repercussie heeft ondervonden. De verzoekende partijen laten na om ook maar enig stuk bij te brengen waaruit de beweerde schade zou kunnen blijken. In de mate dat nooit daadwerkelijk uitvoering werd gegeven aan de bestreden beslissing, kan onmogelijk besloten worden dat de verzoekende partijen op heden nog een daadwerkelijk actueel belang zouden hebben bij de vernietiging ervan. Evenmin kunnen de verzoekende partijen een (actueel) belang putten uit het feit dat “de beëindiging van de tijdelijke stopzetting niet inhoudt dat het product conform is”. De verwerende partij repliceert op dat laatste punt dat de bestreden beslissing “evenmin de niet-conformiteit van de keukenrobot Bosch MUM 50123 heeft vastgesteld”, nu deze “uitsluitend verwijst naar afzonderlijke conformiteits- controles die werden uitgevoerd”. Een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing heeft niet tot gevolg dat de (feitelijke) vaststellingen inzake de keukenrobot Bosch MUM 50123 uit het rechtsverkeer zouden verdwijnen zodat niet valt in te zien op welke wijze er sprake zou kunnen zijn van een rechtstreeks voordeel voor de verzoekende partijen. Beoordeling 11. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van XIV-38.851-11/23 deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.11.2. en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.9.3.; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.). 12. Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. XIV-38.851-12/23 Voorts kan de aard van het belang weliswaar evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. 13. Vooreerst dient vastgesteld dat het actueel belang bij het beroep gericht tegen beslissingen met een in de tijd beperkte geldigheidsduur, er niet toe mag leiden dat aan een verzoekende partij het recht op toegang tot de rechter op disproportionele wijze zou worden ontzegd. Een verzoekende partij verliest niet het belang bij haar beroep om de enkele reden dat de bestreden beslissing waarvan zij de uitvoering heeft moeten ondergaan, op het moment van de uitspraak ten gronde eventueel uitgewerkt zou kunnen zijn. Uit niets blijkt immers dat de wetgever een dergelijke beslissing, die op korte termijn haar volledig effect sorteert, uit het annulatiecontentieux heeft gesloten of heeft willen uitsluiten. 14. Te dezen, steunen de verzoekende partijen hun belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing in het verzoekschrift op de vaststelling dat het bestreden verkoopverbod hen niet alleen verhindert het product op de Belgische markt te brengen waardoor zij niet alleen aanzienlijke reputatieschade zullen lijden (moreel belang) maar ook worden geconfronteerd met ernstige financiële gevolgen (financieel belang). Door het verbod worden de betrokken producten in België tijdelijk niet meer verdeeld doch het verkoopverbod brengt tevens mee dat de consument “mogelijks [kan] denken dat alle producten van de verzoekende partijen gevaarlijk zouden zijn (quod certe non)”. Zij merken voorts op dat een kopij van de bestreden beslissing werd bezorgd aan de Europese verantwoordelijke voor de CE-markering zodat niet valt uit te sluiten dat er nog bijkomende gevolgen zullen zijn vanwege andere Europese en nationale instanties naar het voorbeeld van de FOD Economie. In de memorie van wederantwoord benadrukken zij dat uit de navolgende mededeling van de verwerende partij van 3 november 2021 – die is tussengekomen na het indienen van het voorliggende beroep – blijkt dat de verwerende partij de bestreden beslissing niet ex tunc heeft ingetrokken doch het tijdelijk verbod enkel ex nunc heeft stopgezet. Zij stellen dat zij er nochtans belang bij hebben dat de bestreden beslissing ab initio uit het XIV-38.851-13/23 rechtsverkeer verdwijnt. Zij beogen immers niet enkel geleden financiële schade op de verwerende partij te verhalen maar ook te vermijden, aldus de verzoekende partijen, dat hun toestellen minder verdeeld zullen worden omwille van zogenaamde “veiligheidsredenen”. De financiële gevolgen van de bestreden beslissing gelden dus ook nog voor de toekomst, los nog van de (morele) reputatieschade. Bovendien “bevestigt” de verwerende partij in haar mededeling van 3 november 2021, wat ze nogmaals herhaalt op 5 november 2021, dat het “sluiten van het dossier” weliswaar de opheffing van het verkoopverbod inhoudt doch “niet betekent dat het product conform is”. Het louter stopzetten van het tijdelijk verkoopverbod neemt dan ook niet weg – daargelaten nog dat de wetgever beslissingen met een beperkte geldigheidsduur niet heeft uitgesloten van het vernietigingscontentieux – dat het betrokken product nog steeds niet wordt geacht conform te zijn. 15. Uit wat voorafgaat volgt dat de verwerende partij alvast niet kan worden bijgevallen in zoverre zij stelt dat de verzoekende partijen hun belang “integraal hebben opgehangen aan het feit dat zij gehinderd zou[den] zijn geworden om het toestel Bosch MUM 50123 ‘ongehinderd te produceren en te verdelen op de Belgische markt’”. Evenmin blijkt dat het belang van de verzoekende partijen in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van de bestreden beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtscolleges van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen –, te faciliteren. Voorts, zoals de verzoekende partijen terecht stellen, geldt een opheffing enkel voor de toekomst. De bestreden beslissing heeft niet alleen uitwerking gehad tot aan de datum van zijn opheffing en de verzoekende partijen hebben de toepassing en de gevolgen ervan moeten ondergaan doch – zoals de verwerende partij reeds in het auditoraatsverslag heeft kunnen lezen – kan er te dezen niet aan worden voorbijgegaan dat met de opheffing van het tijdelijk verkoopverbod en bij gebrek aan intrekking ab initio ervan, niet alle nadelige XIV-38.851-14/23 gevolgen zijn verdwenen. Zoals blijkt uit de bij haar e-mail van 3 november 2021 gevoegde brief heeft de verwerende partij weliswaar beslist tot de beëindiging van “het stopzetten van de verkoop van het model keukenrobot Bosch MUM 50123 (en gelijkaardige modellen)” doch meteen ook uitdrukkelijk bevestigd dat de beëindiging van de tijdelijke stopzetting van verkoop “niet inhoudt dat het product conform [is]” en, derhalve, veilig is. Zij heeft dat zelfs nog eens herhaald in haar e-mail van 5 november 2021. De repliek daarop van de verwerende partij in de laatste memorie dat zij “slechts kan benadrukken dat de bestreden brief van 03.09.2021 evenmin de niet-conformiteit van de keukenrobot Bosch MUM 50123 heeft vastgesteld” nu die bestreden brief “uitsluitend verwijst naar afzonderlijke conformiteitscontroles die werden uitgevoerd”, overtuigt niet al was het maar omdat deze repliek niet spoort met de bewoordingen van de bestreden beslissing zelf. In die beslissing is immers – terecht of ten onrechte, wat echter de grond van de zaak betreft – gesteld dat “[u]it de controles waaraan het materiaal onderworpen werd, is gebleken dat het niet voldoet aan de essentiële eisen zoals bepaald in de Laagspanningsrichtlijn 2014/35/EU welke werd omgezet in Belgisch recht door het koninklijk besluit van 21 april 2016 betreffende het op de markt brengen van elektrisch materiaal”, wat de verwerende partij vervolgens in november 2021 “(her)bevestigt” door tot tweemaal toe te stellen dat de opheffing van het tijdelijk verkoopverbod “niet inhoudt dat het product conform is”. Het is trouwens net de ernst van de vastgestelde gebreken (non-conformiteit) die haar er, naar luid van de bestreden beslissing, toe hebben aangezet om een tijdelijk verbod op te leggen. De richtlijn 2014/35/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 ‘betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen’ (hierna: de Laagspanningsrichtlijn) en de interne omzetting ervan beoogt precies (ten behoeve van de consument) de veiligheid van het materiaal te garanderen zodat, omgekeerd, mag worden aangenomen dat elke door de overheid geuite twijfel – die ook na november 2021 is blijven bestaan – over de “conformiteit” van het product nadelig moet worden geacht. XIV-38.851-15/23 De beëindiging voor de toekomst van de stopzetting van het tijdelijk verkoopverbod zoals dit aan de verzoekende partijen bij e-mail van 3 november 2021 is meegedeeld, leidt er dan ook niet toe dat de verzoekende partijen niet langer belang hebben bij het annulatieberoep. De nietigverklaring ab initio van de bestreden beslissing verschaft de verzoekende partijen nog steeds een rechtstreeks voordeel. 16. De exceptie wegens gebrek aan actueel belang wordt verworpen. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 17. De verzoekende partijen voeren in het eerste middel van het verzoekschrift aan, wat zij in de memorie van wederantwoord hernemen, dat de rechtsgrond van de bestreden beslissing onduidelijk is met als gevolg dat zij zich niet dienstig kunnen verweren. Zij vatten het middel als volgt samen: “Schending van de artikelen 2 en 3 van de Formele Motiveringswet en de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, doordat de FOD Economie heeft nagelaten een (correcte) rechtsgrond te vermelden waarop de Bestreden Beslissing is genomen, terwijl de Verzoekende partijen meermaals hebben verzocht aan de FOD Economie om de (correcte) rechtsgrond over te maken, en terwijl luidens de Formele Motiveringswet de Bestreden Beslissing de juridische overwegingen moet vermelden die eraan ten gronde liggen, waarbij deze overwegingen afdoende moeten zijn, teneinde Verzoekende partijen in staat te stellen terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te keren in rechte, waardoor de Verzoekende partijen zich niet dienstig kunnen verdedigen tegen de Bestreden Beslissing.” De verzoekende partijen lichten het eerste middel als volgt toe. De verwerende partij verwijst in de bestreden beslissing enkel naar het koninklijk besluit van 21 april 2016 als rechtsgrond. Nochtans, wanneer de inhoud van de bestreden beslissing wordt geanalyseerd, lijkt deze volgens de verzoekende partijen te zijn geschraagd op artikel IX.5 van het WER. Uit een e-mail van XIV-38.851-16/23 16 september 2021 blijkt dat de bestreden beslissing, die een verkoopverbod inhoudt, is genomen omwille van een vermeend risico bij het gebruik van de keukenrobot in welk geval de rechtsgrond van de maatregel niet het koninklijk besluit van 21 april 2016 kan zijn. Bovendien staat in de bestreden beslissing dat het tijdelijk verkoopverbod “van kracht blijft” totdat passende veiligheidsmaatregelen zijn genomen en de FOD economie anders zou bevelen, wat volgens de verzoekende partijen suggereert dat een procedure voor een definitief verkoopverbod zal worden ingeleid, wat er dan weer op lijkt te wijzen dat de bestreden beslissing is gesteund op artikel IX.5 van het WER en waarbij een tijdelijk verbod kan worden omgezet in een definitieve maatregel overeenkomstig de procedure van artikel IX.4 van het WER. Ondanks meerdere pogingen om klaarheid te krijgen bij de FOD Economie, wat de verzoekende partijen verder illustreren, bleef het stil langs de zijde van de FOD Economie. Aangezien de verzoekende partijen niet kunnen achterhalen wat de rechtsgrond van de bestreden beslissing is en hiertoe zelf assumpties moeten maken, is de bestreden beslissing niet rechtmatig en niet afdoende gemotiveerd en is ook het normdoel van de aangehaalde rechtsbepalingen niet bereikt. Zonder duidelijkheid omtrent de toegepaste rechtsgrond, is het voorts onmogelijk de bestreden beslissing verder te schragen en wordt de verzoekende partijen de kans ontnomen er zinvol in rechte tegen op te treden. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen nog dat de verwerende partij in haar laatste memorie bevestigt dat slechts “uit de stukken van het dossier blijkt” welke rechtsgrond wordt ingeroepen zodat blijkt dat de formelemotiveringsplicht geschonden is. 18. In de memorie van antwoord beperkt de verwerende partij zich tot het inroepen van de hiervoor beoordeelde excepties zonder verweer te voeren omtrent de aangevoerde middelen. In haar laatste memorie repliceert de verwerende partij dat “uit de stukken van het administratief dossier wel degelijk blijkt dat de procedure XIV-38.851-17/23 overeenkomstig artikel IX.5 van het WER werd toegepast” waarbij de verzoekende partijen werden geraadpleegd over de vastgestelde non-conformiteit. Volgens haar is het “opmerkelijk” dat het auditoraat “een argument lijkt te putten uit het feit dat de Belgische Staat geen beroep heeft gedaan “op de dringendheid van de maatregel”, terwijl namens de Belgische Staat in de memorie van antwoord [lees: bij de uiteenzetting van de eerste – hiervoor ongegrond beoordeelde – exceptie ratione materiae dat geen aanvechtbare bestuurshandeling voorligt] nochtans het volgende was geargumenteerd: “[é]én en ander blijkt ook uit het feit dat de verzoekende partij niet werd ingelicht over het feit dat om redenen van hoogdringendheid zou zijn afgezien van de wettelijk voorgeschreven raadpleging, zodat een voorafgaandelijke raadpleging noodzakelijk was alvorens überhaupt een beslissing tot stopzetting van verkoop kon worden genomen met betrekking tot de keukenrobot BOSCH MUM 50123.”. Het gebrek aan verwijzing naar de dringendheid van de maatregel is volgens de verwerende partij net een van de argumenten om te besluiten dat er in casu geen sprake kan zijn van een administratieve beslissing tot stopzetting van verkoop. Beoordeling 19. Het auditoraat besluit tot de gegrondheid van dit middel op grond van de volgende overwegingen: “1. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op ‘afdoende’ wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de formelemotiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 2. In het bestreden besluit staat nergens vermeld op grond van welke juridische bepaling het bestreden besluit is genomen. Aan de verzoekende partij[en] is niet de rechtsgrondslag meegedeeld. XIV-38.851-18/23 De verwerende partij laat na in de memorie van antwoord om de middelen van de verzoekende partijen te weerleggen. Zij weerlegt bijgevolg niet de schending van de formelemotiveringsplicht. 3. Er is meer. De verwerende partij beroept zij zich bij de exceptie ratione materiae op artikel IX.5, § 3, WER als rechtsgrond van het bestreden besluit. Dit wetsartikel kadert binnen verschillende andere bepalingen:  Artikel IX.3, § 1, WER luidt als volgt: ‘Een product of dienst wordt verondersteld veilig te zijn wanneer het voldoet aan geharmoniseerde normen, wat de risico's en risicocategorieën betreft die zijn geregeld in de betrokken normen.’  Artikel IX.4, § 1, 1°, en § 2 WER luidt als volgt: ‘§ 1. Met het oog op de bescherming van de veiligheid of de gezondheid van de gebruiker kan de Koning, op de voordracht van de minister: […] voor een categorie van producten de vervaardiging, de invoer, de verwerking, de uitvoer, het aanbod, de tentoonstelling, de verkoop, de behandeling, het vervoer, de verdeling, zelfs kosteloos, de verhuring, het ter beschikking stellen, de levering na herstelling, de ingebruikstelling, het bezit, de etikettering, het verpakken, de omloop of de gebruikswijze verbieden of reglementeren alsmede de voorwaarden inzake veiligheid en gezondheid die in acht genomen moeten worden, bepalen; […] § 2. De minister of zijn gemachtigde kan een product uit de handel nemen of een dienst verbieden, wanneer is vastgesteld dat een of meerdere elementen van het betrokken product niet in overeenstemming zijn met de algemene veiligheidsverplichting of met een besluit genomen ter uitvoering van de paragrafen 1 en 3, of artikel IX.5, §§ 1 en 2. Tenzij de maatregel de omzetting of het gevolg is van een maatregel die op Europees vlak is genomen, raadpleegt de minister of zijn gemachtigde vooraf de producent van het betrokken product of de betrokken dienstverlener en licht hem in uiterlijk vijftien dagen na het nemen van de maatregelen.’ Artikel IX.5, § 1, eerste lid, 1° en § 3, WER luidt als volgt: ‘§ 1. In geval van ernstig risico kan de minister of zijn gemachtigde voor een periode van ten hoogste één jaar, maximaal eenmaal met een periode van ten hoogste één jaar verlengbaar, een gemotiveerd totaal of gedeeltelijk verbod uitvaardigen of voorwaarden vaststellen voor : […] de verkoop, […] van een product of categorie van producten; […] § 3. De minister of zijn gemachtigde raadpleegt, zonder evenwel afbreuk te mogen doen aan het door de omstandigheden vereiste dringende optreden, vooraf de producenten of een vertegenwoordiging uit de sector. Indien wegens de dringendheid van de maatregel geen raadpleging vooraf kan plaatsvinden, worden de betrokken partijen hiervan ingelicht, uiterlijk vijftien dagen na het nemen van de maatregelen. […]” 4. Het bestreden besluit kan niet als een loutere uitnodiging tot een voorafgaande raadpleging worden aanzien, zoals de verwerende partij nochtans voorhoudt. Het bestreden besluit legt een tijdelijke stopzetting van de verkoop op zonder dat de verwerende partij een beroep doet op de dringendheid van de maatregel. Artikel IX.5, § 3, WER kan dan ook niet de rechtsgrond zijn voor de bestreden stopzetting voor verkoop.”. 20. De verwerende partij betwist deze overwegingen maar beperkt zich, na kennisneming van het verslag van het auditoraat, tot het hernemen van het standpunt dat, ondanks de bewoordingen van de bestreden beslissing waaruit een XIV-38.851-19/23 (tijdelijk) verbod tot verkoop blijkt, het een loutere kennisgeving tot raadpleging betreft. Zij gaat inhoudelijk niet in op de argumentatie dat zij zich evenwel niet beroept op de dringendheid van de opgelegde maatregel derwijze dat de raadplegingsprocedure niet kon worden afgewacht alvorens een (tijdelijk) verbod op te leggen. Tot slot, in de mate de verwerende partij nog zou beogen te argumenteren dat te dezen artikel 5, § 8 van het koninklijk besluit van 21 april 2016 toepassing vond (zie supra onder punt 5), kan zij niet worden bijgevallen. Deze bepaling voorziet erin dat fabrikanten “die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat door hen in de handel gebracht elektrisch materiaal niet in overeenstemming is met dit besluit, onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen [nemen] om het elektrisch materiaal in overeenstemming te brengen of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen” en, “indien het op de markt aangeboden elektrisch materiaal een risico vertoont”, de Algemene Directie Energie hiervan “onmiddellijk op de hoogte wordt gebracht waarbij zij in het bijzonder de niet-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen gedetailleerd beschrijven”. Te dezen echter is zoals tijdens de ontvankelijkheids- beoordeling is gebleken van overheidswege een tijdelijk verkoopverbod opgelegd omdat de overheid geoordeeld heeft dat het betrokken product niet voldoet en zonder dat de raadplegingsprocedure werd afgewacht noch een beroep op de hoogdringendheid werd gedaan. 21. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het eerste middel gegrond. VI. Rechtsplegingsvergoeding 22. De verzoekende partijen vragen in het verzoekschrift “in overeenstemming met artikel 30/1, § 2, derde lid RvS-Wet” een rechtsplegingsvergoeding op grond van het basisbedrag wat volgens hen betekent XIV-38.851-20/23 dat “de gevorderde vergoeding aldus op EUR 1.400,00 [komt] voor de verzoekende partijen tezamen.” In de memorie van wederantwoord stellen de verzoekende partijen dat er twee elementen aanwezig zijn die zulke verhoging verantwoorden: enerzijds de complexiteit van de zaak en anderzijds de kennelijk onredelijke aard van de situatie. Zij lichten dat standpunt als volgt toe: “• Complexiteit van de zaak: Het feit dat één advocaat meerdere partijen vertegenwoordigt in éénzelfde procedure, leidt steeds tot meer werk nu de advocaat in kwestie moet afstemmen met al deze partijen en rekening moet houden met de bekommernissen van de verschillende partijen die hij vertegenwoordigt. Ook de taalverschillen tussen de Verzoekende partijen hebben aanleiding gegeven tot aanzienlijk meer werk (merk op dat de hoofdzetel van [de tweede verzoekende partij] in Duitsland ligt), zoals o.a. vertalingen, en verantwoorden een verhoging van de rechtsplegingsvergoeding. • Kennelijke onredelijke aard van de situatie: Verzoekende partijen hebben Verwerende partij meermaals en nadrukkelijk verzocht om verduidelijking […]. Mocht Verwerende partij, zoals het een zorgvuldige overheid beaamt, hierop tijdig hebben gereageerd was een annulatieprocedure mogelijks niet nodig geweest. Bovendien, zoals blijkt uit het Verzoekschrift, is er sprake van flagrante schendingen van de opgeworpen rechtsregels- en principes. Ook dit toont de kennelijk onredelijk aard van de situatie aan en verantwoordt een verhoging van de rechtsplegingsvergoeding.” Beoordeling 23. Anders dan de verzoekende partijen het zien, vormt het aantal verzoekende partijen op zich geen reden tot het toekennen van een dubbele rechtsplegingsvergoeding. Artikel 30/1, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kent geen recht toe op een dubbele rechtsplegingsvergoeding in geval van meerdere verzoekende partijen, doch bepaalt het maximaal bedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat in dat geval kan worden toegekend. XIV-38.851-21/23 24. Verder beoordeelt de Raad van State de zaak niet als dermate complex dat dit de verdubbeling van de rechtsplegingsvergoeding zoals gevraagd door de verzoekende partijen, zou rechtvaardigen. Het enkele gegeven dat advocaten die voor meerdere partijen in eenzelfde geding optreden, meer moeten “afstemmen” dan in een één-op-één-cliëntenrelatie en dat taalverschillen tussen de door de betrokken advocaat vertegenwoordigde partijen meer taallasten met zich zou meebrengen, zijn mogelijks ongemakken voor de domus litis, maar maken op zich de zaak niet complex in de zin van artikel in de zin van artikel 30/1, § 2, eerste lid, 2° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 25. Tot slot oordeelt de Raad van State dat er evenmin reden is om toepassing te maken van het derde beoordelingscriterium, te weten de kennelijk onredelijke aard van de situatie. Aangezien de rechtsplegingsvergoeding er toe strekt forfaitair tegemoet te komen in de kosten en honoraria van de advocaat en dus geen sanctionerend karakter heeft, wordt in het raam van dit criterium niet in rekening gebracht de (proces)houding van de verwerende partij voorafgaand aan het inleiden van de voorliggende vordering. De verzoekende partijen maken aldus niet aannemelijk dat het enkele feit dat de verwerende partij naar hun mening voorafgaand aan het voorliggende geding niet is ingegaan op verzoeken tot verduidelijking, te dezen doet blijken van een “kennelijk onredelijke situatie” in de zin van artikel 30/1, § 2, eerste lid, 3° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Evenmin doet zulks blijken het eigen standpunt van de verzoekende partijen dat naar hun eigen mening, de door hen aangevoerde schendingen “flagrant” zouden zijn, wat overigens ook de (juridische) draagwijdte van dat concept ook zou zijn. 26. Aan de verzoekende partijen wordt een rechtsplegings- vergoeding van 770 euro toegekend. BESLISSING XIV-38.851-22/23 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de FOD Economie van 3 september 2021, waarbij verschillende inbreuken zijn vastgesteld, en het noodzakelijk is dat de verkoop van het toestel Keukenrobot Bosch MUM 50123 tijdelijk wordt stopgezet. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel op negentien december tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.851-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.262 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.