← België

Arrest 258285 - Wegverkeer van mensen (bussen) - 21/12/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.285 Rolnummer: A. 239915/IX-10313 Zaak: Arrest 258285 - Wegverkeer van mensen (bussen) - 21/12/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-12-27 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-06-10 18:23 Fiche Arrest nr 258.285 van 21 december 2023 Economische zaken - Wegverkeer van mensen (bussen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 258.285 van 21 december 2023 in de zaak A. 239.915/IX-10.313 In zake:

  1. Alain PAEPS
  2. Nathalie HOFFMANS
  3. Hayri SEZER
  4. Gökhan ÜNVER
  5. Philippe DE MUNTER
  6. Martine ELSOCHT
  7. Richard CROCHET bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans Van de Cauter kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 480 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pierre Chomé kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 203 tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306/a bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  8. De vordering, ingesteld op 28 augustus 2023, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2023 ‘betreffende de exploitatievoorwaarden voor het individueel bezoldigd personenvervoer’. IX-10.313-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
  9. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Adjunct-auditeur Anke Meskens heeft een verslag opgesteld. Met toepassing van artikel 90, § 1, vierde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, is de zaak verwezen naar een kamer met drie leden. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 december
  10. Staatsraad Wouter Pas heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hans Van de Cauter, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verwerende partij zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  11. III. Feiten
  12. Het decreet van 29 maart 2019 ‘betreffende het individueel bezoldigd personenvervoer’ regelt voor het Vlaamse Gewest de diensten voor individueel bezoldigd personenvervoer. IX-10.313-2/8 Het decreet vereist een vergunning voor de exploitatie van een dienst voor individueel bezoldigd personenvervoer van op de openbare weg of op elke andere niet voor het openbaar verkeer opengestelde plaats (hoofdstuk 2, afdeling 1, van het decreet). Voor het stationeren van een standplaatstaxi op een daartoe voorbehouden standplaats op de openbare weg, is een bijkomende machtiging vereist van de gemeente op wier grondgebied de standplaats zich bevindt (hoofdstuk 2, afdeling 2). Elke bestuurder die diensten van individueel bezoldigd personenvervoer aanbiedt, dient in het bezit te zijn van een “bestuurderspas” (hoofdstuk 2, afdeling 3). Het decreet van 29 maart 2019 vormt in hoofdzaak een kaderregeling. Zo dienen onder meer de exploitatievoorwaarden in een besluit van de Vlaamse Regering te worden uitgewerkt, dewelke kunnen verschillen al naargelang de categorie van diensten van individueel bezoldigd personenvervoer die worden verricht en die blijkens de memorie van toelichting telkens in verhouding moeten staan tot de doelstellingen van de regulering. De exploitatievoorwaarden betreffen voorwaarden die betrekking hebben op de exploitant, de bestuurder, het voertuig, de dienst en de ritten en de dienstverlening tegenover de klanten en de vervoerde personen (memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet ‘betreffende het individueel bezoldigd personenvervoer’, Parl.St. Vl.Parl. 2018-19, 1780/1, 11). Het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2019 ‘betreffende het individueel bezoldigd personenvervoer’ gaf uitvoering aan het decreet van 29 maart 2019 door de exploitatievoorwaarden voor het individueel bezoldigd personenvervoer te regelen. Bij arrest nr. 256.171 van 30 maart 2023 vernietigde de Raad van State dit besluit van de Vlaamse Regering. De Raad van State oordeelde dat bij de totstandkoming van dat besluit de Gegevensbeschermingsautoriteit moest worden geraadpleegd. Bij besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2023 ‘betreffende de exploitatievoorwaarden voor het individueel bezoldigd IX-10.313-3/8 personenvervoer’, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 juni 2023, wordt de tekst hernomen van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 november 2019, zoals dat besluit werd gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 18 september 2020, van 22 april 2022 en van 3 juni
  13. Het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2023 is het bestreden besluit. IV. Schorsingsvoorwaarden
  14. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting door verzoekers
  15. Verzoekers verduidelijken in hun verzoekschrift niet als dusdanig waarom ze van oordeel zijn dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. Ze brengen wel bij de toelichting van het eerste en vierde middel telkens de “hoogdringendheid van dit middel” naar voren. In hun eerste middel voeren verzoekers aan dat artikel 26, 3°, van het bestreden besluit, dat bepaalt dat een bestuurder bekwaam is als hij beschikt over een minimale kennis van het Nederlands, “rechtsonzekerheid” schept. Bij de bespreking van het eerste middel merken zij op dat opheldering IX-10.313-4/8 “dringend” is, “want de huidige taxibestuurders in het Vlaams [G]ewest zijn in het ongewisse over het taalniveau dat ze moeten bezitten om een bestuurderspas te bekomen of te verlengen vanaf 1 juli 2024”. Om die reden vragen verzoekers de schorsing van het besluit. In hun vierde middel betogen verzoekers dat artikel 29, derde lid, van het bestreden besluit dat milieucriteria aan de voertuigen oplegt, het gelijkheidsbeginsel van artikel 10 van de Grondwet schendt. Bij de uiteenzetting van het vierde middel merken verzoekers op dat artikel 29 van het bestreden besluit leidt tot “onmiddellijke discriminaties” tussen verzoekers en gelijkaardige concurrenten. Om die reden vragen zij de schorsing van het bestreden besluit. Beoordeling
  16. Zoals hiervóór sub 4 in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”.
  17. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toekomt aan de zaak eigen specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaken. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat IX-10.313-5/8 om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen over de spoedeisendheid in het verzoekschrift of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet en gestaafd.
  18. De voorwaarde van de spoedeisendheid is voorts een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk onderzocht moet worden. Het aanvoeren van ernstige middelen en de uiteenzetting van de spoedeisendheid zijn twee weliswaar cumulatief opgelegde, doch onderscheiden grondvoorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen. Zij nopen in beginsel dan ook tot een afzonderlijke beoordeling. De onwettigheden die tegen een bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van de spoedeisendheid te aanvaarden.
  19. Verzoekers hebben in hun verzoekschrift geen afzonderlijke uiteenzetting opgenomen waarin de voorwaarde van de spoedeisendheid wordt behandeld. Slechts in het kader van de uiteenzetting van respectievelijk het eerste middel, geput uit “rechtsonzekerheid inzake taalvereiste” en het vierde middel, geput uit een schending van het gelijkheidsbeginsel, merken de verzoekende partijen zijdelings op dat hun vordering “bij hoogdringendheid” moet worden behandeld.
  20. Uit de uiteenzetting van de verzoekende partijen bij het eerste middel blijkt dat zij de spoedeisendheid enkel afleiden uit de in die middelen aangevoerde wettigheidskritiek, zonder toe te lichten waarom zij de afwikkeling van de procedure ten gronde niet kunnen afwachten. Verzoekers beperken zich aldus tot een wettigheidskritiek op het bestreden besluit, om hieruit op zichzelf de spoedeisendheid af te leiden. De vermelde toelichting past immers in de uiteenzetting betreffende de middelen die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd, en heeft betrekking op de grond IX-10.313-6/8 van de zaak. Zoals sub 8 in herinnering gebracht, kunnen de onwettigheden die tegen een bestreden besluit worden aangevoerd op zich geen reden vormen om het bestaan van spoedeisendheid te aanvaarden. Het loutere feit dat verzoekers aanvoeren dat het bestreden besluit door een onwettigheid is aangetast, ontslaat hen niet van de verplichting om in concreto aan te tonen dat de vordering, gelet op de schadelijke gevolgen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, spoedeisend is. Voor het aantonen van de spoedeisendheid, volstaat het daarbij niet louter te beweren dat doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang is of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepindiener en het staat aan de verzoekers om aan te tonen dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet kunnen afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen.
  21. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoekers niet aantonen dat zij zich thans of minstens op korte termijn, ingevolge de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, in een toestand met ernstige schadelijke gevolgen bevinden of zullen bevinden. De spoedeisendheid is bijgevolg niet aangetoond. VI. Besluit
  22. Er is niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden ingewilligd. IX-10.313-7/8 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenentwintig december tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-10.313-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.285 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.