id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.287 Rolnummer: A. 233881/VII-41149 Zaak: Arrest 258287 - Natuurbehoud - Vergunningen - 21/12/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-12-28 Raadplegingen: 108 - laatst gezien 2026-06-10 18:23 Fiche Arrest nr 258.287 van 21 december 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 258.287 van 21 december 2023 in de zaak A. é.881/VII-41.149 In zake : Joseph VANDERHEYDEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Jongbloet kantoor houdend te 3010 Leuven Oude Diestsesteenweg 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 8580 Avelgem Leopoldstraat 63 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 11 juni 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de afdeling Handhaving van de Vlaamse overheid van 9 april 2021 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 29 april 2020 houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen, onontvankelijk wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 24 december 2021 een verslag opgesteld. VII-41.149-1/15 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 oktober
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Jongbloet, die verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is landbouwer en gebruiker van percelen gelegen aan de Zavelputstraat te Herent, kadastraal gekend als afdeling 3, sectie K, nrs. 199C en 199D. De percelen zijn volgens de bepalingen van het toepasselijke gewestplan bestemd tot landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 3.
- Naar aanleiding van een inspectie op 9 april 2020, wordt lastens verzoeker een proces-verbaal opgesteld wegens milieumisdrijven die als volgt worden gekwalificeerd: “Ontbossing, wijzigen van bestemming door het houden van dieren binnen omheiningen, oprichten van keten, stockeren van materialen, kappingen zonder kapmachtiging, werkzaamheden die wijzigingen van de fysische toestand tot gevolg hebben, wijzigingen en beschadigingen van de bodem, de strooisellaag in bos gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch VII-41.149-2/15 gebied, waarbij het voorgaande bosbestand volledig gerooid en uitgerukt geworden is en de ontboste bodem werd omgeploegd en gefreesd.” 3.
- Bij besluit van 29 april 2020 legt het Agentschap voor Natuur en Bos aan verzoeker bestuurlijke maatregelen op. 3.
- Tegen voormelde beslissing stelt verzoeker beroep in bij de Vlaamse regering. Omtrent de tijdigheid van het beroep bevat zijn beroepschrift de volgende uiteenzetting: “Onderhavig beroep wordt ingesteld tegen een bestuurlijke maatregel die dateert van 29 april 2020, en dus gelet op de korte beroepstermijn op het eerste zicht ruim buiten termijn. Er dient echter te worden vastgesteld dat het PV dd. 29 april 2020 dat onder meer lastens beroeper werd opgesteld het bestaan van deze bestuurlijke maatregel weliswaar vermeldt, net als de eraan verbonden uitvoeringstermijn, en het feit dat deze als bijlage bij dit PV is gevoegd, doch dat dit document niet was gevoegd aan de zending dd. 30 april 2020 die beroeper enige dagen later ontving. Beroeper ontving het document slechts op 5 maart 2021 na verzoek daartoe van zijn raadsman. Dit heeft uiteraard voor gevolg dat de termijn van 15 dagen om tegen deze maatregel beroep in te stellen, en die in dit document staat vermeld, slechts een aanvang neemt op het ogenblik dat beroeper van deze bestuurlijke maatregel kennis nam op 5 maart
- Zelfs indien zou worden geopperd dat beroeper van het bestaan van de bestuurlijke maatregel op de hoogte diende te zijn door de erg summiere vermelding ervan aan het eind van het hem genotificeerde besluit, dan nog kon zulke loutere kennisname van het bestaan van dit besluit de beroepstermijn niet doen lopen, nu het PV dat het bestaan van de bestuurlijke maatregel vermeldt geen melding maakt van de termijn waarbinnen tegen dit besluit - dat onbetwistbaar een individuele strekking heeft - een administratief beroep kan worden ingesteld. In toepassing van artikel 2 4° van de wet openbaarheid Bestuur kan een beroepstermijn tegen een besluit met individuele strekking slechts beginnen lopen vanaf de datum waarop de betrokkene die besluit wordt betekend met vermelding van de beroepstermijn. Gelet op het feit dat het besluit met vermelding van de beroepstermijn slechts op 5 maart 2021 aan diens raadsman per mail werd betekend, is het beroep tijdig.” VII-41.149-3/15 3.
- Met de thans bestreden beslissing van 9 april 2021 wijst de afdeling Handhaving van de Vlaamse overheid het ingestelde beroep als niet-ontvankelijk af. Daarvoor worden de volgende motieven opgegeven: “Op 12 maart jl. heeft u namens uw cliënt, de heer Joseph Vanderheyden, beroep ingediend bij de minister van Omgeving tegen het besluit houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen van het Agentschap voor Natuur en Bos, Natuurinspectie - regio Oost, van 29 april
- In uw schrijven stelt u dat een kopie van het proces-verbaal via aangetekend schrijven van 30 april 2020 aan uw cliënt werd overgemaakt, maar dat de bijlagen bij het proces-verbaal, waaronder het besluit houdende bestuurlijke maatregelen, ontbraken. In casu is het weinig aannemelijk dat het besluit houdende bestuurlijke maatregelen als bijlage bij het proces-verbaal ontbrak. In het proces-verbaal werden de bijlagen duidelijk vermeld. Het hoorde uw cliënt, als goede huisvader, toe om bij vermeende vaststellingen van het ontbreken van deze bijlagen, deze kortdaags en niet bij monde van zijn advocaat pas op 5 maart 2021 op te vragen. […] De schriftelijke oplegging gebeurt door de kennisgeving van het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen (artikel 16.4.10, §2 DABM). Het beroep moet op straffe van onontvankelijkheid binnen een termijn van veertien dagen vanaf de kennisgeving van het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen of de bestuurlijke dwangsommen ingediend worden (artikel 16.4.17, §3, eerste lid DABM). De bestreden beslissing werd, als bijlage bij het proces-verbaal naar het adres van uw cliënt, met een aangetekend schrijven (met ontvangstbewijs) van 30 april 2020 verstuurd. Een schriftelijke mededeling is het startpunt voor een termijn en als deze gedaan is door middel van een aangetekende brief met ontvangstbewijs, begint de termijn te lopen vanaf de eerste kalenderdag die volgt op deze waarop de brief werd aangeboden (artikel 16.1.3, §2, tweede lid DABM). In casu werd het aangetekende schrijven op 4 mei 2020 aangeboden, waardoor de laatst nuttige dag om beroep in te stellen 18 mei 2020 betrof. Het beroep, ingediend op 12 maart 2021, is aldus laattijdig.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- Als eerste middel wordt in het verzoekschrift de schending aangevoerd van artikel 16.4.17 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), van artikel 62, § 3, VII-41.149-4/15 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2008 ‘tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: milieuhandhavingsbesluit), alsook van het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker laat gelden dat zijn beroep niet-ontvankelijk werd verklaard door een persoon wiens hoedanigheid en functie in de bestreden beslissing niet worden vermeld. Uit de bestreden beslissing blijkt immers niet dat de steller van de handeling, binnen de Vlaamse overheid de functie van hoofd van de afdeling voor bestuurlijke handhaving bekleedt of dat hij behoorlijk gemachtigd werd om zelf te beslissen over de ontvankelijkheid van het beroep.
- De verwerende partij antwoordt dat met artikel 5, 1°, van het besluit van het hoofd van de afdeling Handhaving ‘houdende aanwijzing van gewestelijke entiteit, bevoegd voor het opleggen van alternatieve en exclusieve bestuurlijke geldboetes, en delegatie van handtekening aan personeelsleden van de gewestelijke entiteit’ van 14 februari 2019 onder meer aan de adjunct van de directeur die de bestreden beslissing heeft ondertekend, delegatie van handtekening werd verleend om de betrokken partijen op de hoogte te brengen van “het resultaat van het onderzoek van het beroep ingesteld tegen een besluit houdende bestuurlijke maatregel op zijn ontvankelijkheid, als vermeld in artikel 62, § 3, eerste lid van het milieuhandhavingsbesluit”.
- In zijn memorie van wederantwoord dupliceert verzoeker dat in het middel niet werd opgeworpen dat de heer C. niet behoorlijk gemachtigd zou zijn om de bestreden beslissing te nemen, maar wel dat uit het bestreden besluit niet blijkt of, en op basis van welk stuk, de heer C. die bevoegdheid zou hebben.
- Verzoeker beklemtoont in zijn laatste memorie dat de bevoegdheid van de steller van de handeling uitdrukkelijk moet blijken uit de bestreden beslissing. VII-41.149-5/15 Beoordeling
- Artikel 16.4.17, § 1, DABM voorziet in de mogelijkheid tot het instellen van een bestuurlijk beroep bij de bevoegde Vlaamse minister tegen een beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos waarbij bestuurlijke maatregelen worden opgelegd. Artikel 62, § 3, eerste lid, van het milieuhandhavingsbesluit bepaalt dat het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde, het beroep op zijn ontvankelijkheid onderzoekt en dat, als het beroep niet ontvankelijk wordt bevonden, het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde de beroepsindiener en de persoon die de bestuurlijke maatregelen heeft opgelegd daarvan met een beveiligde zending op de hoogte brengt binnen veertien dagen na de ontvangst van het beroep. De aangehaalde bepalingen schrijven niet voor dat in de beslissing waarbij het ingestelde beroep niet ontvankelijk wordt verklaard de hoedanigheid en de functie worden vermeld van de persoon die deze beslissing heeft ondertekend.
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het rechtszekerheidsbeginsel houdt in dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk moet zijn, zodat de burger moet kunnen uitmaken welke gevolgen een bepaalde handeling naar redelijkheid zal hebben en dat de overheid niet zonder objectieve en redelijke verantwoording mag afwijken van de beleidslijnen die zij bij de toepassing van de reglementering aanhoudt. Er kan niet worden ingezien hoe de omstandigheid dat uit de bestreden beslissing “op geen enkele wijze blijkt of en op basis van welk stuk” de steller van de handeling bevoegd was, de aangehaalde beginselen zou kunnen VII-41.149-6/15 hebben geschonden. Het door verzoeker aangehaalde verzuim brengt immers niet mee dat de bestreden beslissing niet zou steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten, noch dat het recht erdoor onvoorzienbaar en ontoegankelijk wordt.
- Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
- Een tweede middel wordt genomen uit de schending van artikel 62, § 3, eerste lid, 1°, van het milieuhandhavingsbesluit, het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Verzoeker wijst erop dat hij pas op 9 april 2021, dus na het verstrijken van de wettelijk bepaalde termijn van veertien dagen, in kennis werd gesteld van de niet-ontvankelijkheid van het op 12 maart 2021 ingestelde bestuurlijk beroep. Doordat hij niet tijdig in kennis werd gesteld van de niet-ontvankelijkheid van zijn beroep, kon hij er rechtmatig op vertrouwen dat het beroep ontvankelijk was en het ten gronde zou worden onderzocht.
- De verwerende partij antwoordt dat aan het overschrijden van de termijn voorzien in artikel 62, § 3, eerste lid, 1°, van het milieuhandhavingsbesluit geen sanctie is verbonden en het dus een termijn van orde betreft. De korte overschrijding van de termijn brengt niet met zich mee dat de afdeling Handhaving niet langer bevoegd zou zijn om nog een beslissing te nemen over de ontvankelijkheid van het beroep. Het standpunt van verzoeker dat hij na het verstrijken van de termijn van veertien dagen erop mocht vertrouwen dat er geen onontvankelijkheid meer zou worden vastgesteld, gaat niet op, aangezien voor een ontvankelijkheidsbeslissing dezelfde termijn geldt en hij na het verstrijken van die termijn nog steeds een van beide beslissingen kon verwachten.
- In zijn memorie van wederantwoord dupliceert verzoeker dat het feit dat het overschrijden van de termijn niet gesanctioneerd wordt, er niet aan in de VII-41.149-7/15 weg staat dat de in het middel aangehaalde beginselen van behoorlijk bestuur een tijdige beslissing en mededeling vereisen van de niet-ontvankelijkheid van het beroep. Beoordeling
- Artikel 62, § 3, eerste lid, van het milieuhandhavingsbesluit luidt: “Het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde onderzoekt het beroep, vermeld in § 1, op zijn ontvankelijkheid : 1° als het beroep onontvankelijk wordt bevonden, dan brengt het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde de beroepsindiener en de persoon die de bestuurlijke maatregelen heeft opgelegd daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen veertien dagen na de ontvangst van het beroep. De procedure voor het niet ontvankelijk bevonden beroep is daarmee beëindigd; 2° als het beroep ontvankelijk wordt bevonden, dan brengt het hoofd van de afdeling, bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde de beroepsindiener en de persoon die de bestuurlijke maatregelen heeft opgelegd daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen veertien dagen na de ontvangst van het beroep.”
- Het beroepschrift van verzoeker werd door het bestuur ontvangen op 16 maart
- De termijn van veertien dagen waarbinnen de beslissing over de ontvankelijkheid van het ingestelde beroep hem in beginsel moest worden meegedeeld, verstreek op 30 maart
- De bestreden beslissing waarbij het beroep als niet-ontvankelijk wordt afgewezen, dateert van 9 april 2021, zodat de in artikel 62, § 3, eerste lid, 1°, van het milieuhandhavingsbesluit bepaalde termijn met een tiental kalenderdagen werd overschreden. Aan het overschrijden van de termijn vermeld in artikel 62, § 3, eerste lid, 1°, van het milieuhandhavingsbesluit zijn geen sancties verbonden. Het betreft bijgevolg een loutere termijn van orde, waarvan het overschrijden - behoudens ingeval de miskenning van de redelijke termijnvereiste wordt aangetoond - geen gevolgen heeft voor de wettigheid van de beslissing waarbij het beroep niet ontvankelijk wordt bevonden. In zoverre het middel steunt op de VII-41.149-8/15 veronderstelling dat het ingediende beroep na het verstrijken van die termijn niet meer onontvankelijk kan worden verklaard, faalt het naar recht. Een overschrijding van een beslissingstermijn van orde met slechts enkele dagen, brengt niet mee dat het rechtszekerheids- en/of het vertrouwensbeginsel geschonden zouden zijn.
- Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Standpunt van de partijen
- In een derde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 16.4.17, § 3, DABM, en van het rechtszekerheids-, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker betoogt dat hij in mei 2020 enkel het proces-verbaal heeft ontvangen, en niet de erbij gevoegde bijlagen, waaronder het besluit houdende bestuurlijke maatregelen. In de brief van 30 april 2020 waarmee hem het proces-verbaal ter kennis werd gebracht, wordt enkel melding gemaakt van het afschrift van het proces-verbaal. In het briefhoofd wordt enkel het proces-verbaal als bijlage vermeld. Op het einde van het proces-verbaal wordt weliswaar vermeld dat een bestuurlijke maatregel wordt opgelegd, maar uit die vermelding kan niet de aard en de inhoud van de maatregel worden afgeleid, noch het feit dat die maatregel ook tegen verzoeker, die geen eigenaar is van de betrokken percelen, gericht is. Verzoeker wijst erop dat hij geen jurist is, zodat hij uit het proces-verbaal onmogelijk kon opmaken dat hem een bestuurlijke maatregel tot herbebossing werd opgelegd, laat staan dat hij tegen die bestuurlijke maatregel binnen de veertien dagen na ontvangst ervan, beroep kon instellen bij de minister. Ook zou het niet aan hem toekomen om bij het bestuur stukken op te vragen waaromtrent het vermoeden zou kunnen bestaan dat deze op hem betrekking hebben en waartegen beroep kan worden ingesteld. Het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel staan er bovendien aan in de weg dat een besluit houdende bestuurlijke maatregelen als bijlage bij een proces-verbaal ter kennis van de betrokkene wordt gebracht. Gelet op artikel 16.4.17, § 3, DABM moet dit met VII-41.149-9/15 een afzonderlijke beveiligde zending gebeuren. Daarnaast verzet het redelijkheidsbeginsel zich ertegen dat het beroep onontvankelijk wordt verklaard om de enkele reden dat het “weinig aannemelijk” is dat de bestuurlijke maatregel niet met het proces-verbaal zou zijn betekend. Daarmee laat het bestreden besluit zelf de mogelijkheid open dat de bijlagen niet bij het proces-verbaal gevoegd waren, waardoor de beroepstermijn tegen de niet-betekende beslissing houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen geen aanvang heeft genomen.
- De verwerende partij acht het betoog van verzoeker ongeloofwaardig. Het proces-verbaal vermeldt immers een uiterste datum voor het uitvoeren van de bestuurlijke maatregelen. Aangenomen mag worden dat verzoeker het proces-verbaal goed naleest en, als er een document zou ontbreken, hij hieromtrent contact opneemt met de contactpersoon die wordt vermeld op het proces-verbaal en de begeleidende brief. Ook mag worden aangenomen dat, als verzoeker zich vragen stelde bij de zending, hij contact zou hebben opgenomen met de eigenaars. Het tijdsverloop speelt in het nadeel van verzoeker. Minstens is hij niet diligent opgetreden. Het valt moeilijk uit te leggen dat hij enkele dagen voor het verstrijken van de uitvoeringstermijn gaat beweren niets ontvangen te hebben. Bovendien kan men zich de vraag stellen of verzoeker sinds begin maart 2021 iets ondernomen heeft om het besluit houdende bestuurlijke maatregelen na te leven. Wellicht heeft hij zich gerealiseerd dat hij het risico loopt om een dwangsom opgelegd te krijgen en tracht hij dit af te wenden door alsnog een bestuurlijk beroep in te stellen. Tot slot betoogt de verwerende partij dat het niet aan de Raad van State toekomt om te beoordelen of het besluit houdende bestuurlijke maatregelen al dan niet bij de bewuste zending gevoegd was, maar wel of de beslissing van de afdeling Handhaving al dan niet manifest onredelijk was. De bestreden beslissing stelt terecht dat de houding van verzoeker niet erg geloofwaardig is, en is op dat punt afdoende gemotiveerd.
- In zijn memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker dat op hem niet de rechtsplicht rust om bij het bestuur op zoek te gaan naar het bestaan van nadelige administratieve rechtshandelingen die hem ter kennis moeten worden gebracht en dat hij er op mag vertrouwen dat de kennisgeving van de hem aanbelangende beslissingen op de wettelijk voorgeschreven wijze gebeurt. VII-41.149-10/15 Aangezien er geen individuele kennisgeving heeft plaatsgevonden van de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 29 april 2020 houdende bestuurlijke maatregelen, verkeerde hij in de onmogelijkheid om tegen die beslissing bestuurlijk beroep aan te tekenen bij de bevoegde Vlaamse minister. In de gegeven omstandigheden kon hij er onmogelijk van uitgaan dat tegen die beslissing bestuurlijk beroep kon worden ingesteld binnen een termijn van veertien dagen. Voorts preciseert hij dat het in de gegeven feitelijke omstandigheden niet meer dan logisch is dat hij nog niet is overgegaan tot de uitvoering van de bestuurlijke maatregelen. De uitvoering van die maatregelen zou namelijk tegenspreken dat hij niet op de hoogte werd gebracht van de bestuurlijke maatregelen. Verzoeker houdt vol dat hij enkel kennis heeft gekregen van een proces-verbaal omtrent inbreuken tegen de milieureglementering maar niet van een beslissing die strekt tot het bestuurlijk herstel van die inbreuken. In het bijzonder stelt verzoeker dat, rekening houdend met de omstandigheid dat tegen een beslissing houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen een uiterst korte beroepstermijn openstaat, het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat over de kennisgeving van de bestuurlijke maatregel niet de minste twijfel bestaat.
- Verzoeker beklemtoont in zijn laatste memorie dat uit het administratief dossier niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 29 april 2020 houdende bestuurlijke maatregelen en dat de termijn om tegen die beslissing bestuurlijk beroep in te stellen geen aanvang heeft genomen. Beoordeling
- Naar luid van artikel 16.4.17, § 3, DABM moet op straffe van onontvankelijkheid het beroep tegen een beslissing houdende bestuurlijke maatregelen worden ingesteld binnen een termijn van veertien dagen “vanaf de kennisgeving van het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen of de bestuurlijke dwangsommen”. Artikel 16.4.10, § 1, DABM bepaalt dat bestuurlijke maatregelen schriftelijk of mondeling worden opgelegd. Overeenkomstig artikel 16.4.10, § 2, DABM gebeurt de schriftelijke oplegging door “de kennisgeving van het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen”. Artikel 16.1.2, 3°, DABM VII-41.149-11/15 definieert het begrip ‘kennisgeving’ in het kader van het toezicht en de handhaving van de in artikel 16.1.1 van hetzelfde decreet vermelde wetten, decreten en uitvoeringsbesluiten als een “schriftelijke mededeling die wordt gedaan met een beveiligde zending”.
- Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 29 april 2020 houdende bestuurlijke maatregelen als bijlage 4 werd gevoegd bij het aanvankelijk proces-verbaal nr. LE.66B.H2.170056/20 van de natuurinspectie waarin verzoeker als één van de vier betrokken partijen wordt aangewezen. In het begeleidend schrijven, gedagtekend op 30 april 2020, waarmee het proces-verbaal ter kennis werd gebracht van verzoeker wordt de beslissing houdende bestuurlijke maatregelen niet afzonderlijk vermeld. Ofschoon het de voorkeur verdient om een beslissing waarbij bestuurlijke maatregelen worden opgelegd separaat aan de betrokkene ter kennis te brengen, en dus niet als bijlage bij een ander stuk, verzetten de in randnummer 21 aangehaalde bepalingen van het DABM zich niet tegen een dergelijke werkwijze. Het toesturen van een stuk als bijlage bij een ander stuk dat ter kennis wordt gebracht, kan immers ook gelden als een “schriftelijke mededeling” in de zin van artikel 16.1.2, 3°, DABM. De werkwijze van de verwerende partij houdt evenmin een schending in van het zorgvuldigheidsbeginsel en/of het rechtszekerheidsbeginsel.
- Verzoeker beweert dat bij het proces-verbaal nr. LE.66B.H2.170056/20 dat hem werd toegestuurd, geen bijlage 4 gevoegd was en dat de kennisgeving van de beslissing houdende bestuurlijke maatregelen bijgevolg niet heeft plaatsgevonden met het schrijven van 30 april
- In de motivering van de bestreden beslissing wordt aangeven dat het “weinig aannemelijk” is dat “het besluit houdende bestuurlijke maatregelen als bijlage bij het proces-verbaal ontbrak”. Voor de beoordeling van de gegrondheid van het middel, komt het de Raad van State toe om aan de hand van de concrete gegevens van de zaak te onderzoeken of de verwerende partij al dan niet het juiste gewicht heeft gehecht aan de bewering van verzoeker. VII-41.149-12/15 In dit verband wordt in de eerste plaats vastgesteld dat verzoeker op 1 maart 2021, dit is twee weken voor het verstrijken van de uiterste uitvoeringstermijn van de opgelegde bestuurlijke maatregelen bij het Agentschap voor Natuur en Bos heeft geïnformeerd naar de vermelding in het aanvankelijk proces-verbaal nr. LE.66B.H2.170056/20 “van een bestuurlijke maatregel […] op p. 6/6 van dit PV, met een uitvoeringstermijn tot 15 maart eerstkomend, en dat een bijlage zou zijn bij dit PV”. Voorts dient te worden vastgesteld dat: - op het eerste blad van het proces-verbaal de gegevens van een contactpersoon bij de natuurinspectie worden vermeld, alsook de namen van de “verdachten”, te weten huidige verzoeker, alsook drie (mede-)eigenaars van de betrokken percelen; - op het tweede blad de ten laste gelegde misdrijven in voor eenieder duidelijke bewoordingen worden omschreven als “Ontbossing, wijzigen van bestemming door het houden van dieren binnen omheiningen, oprichten van keten, stockeren van materialen, kappingen zonder kapmachtiging, werkzaamheden die wijzigingen van de fysische toestand tot gevolg hebben, wijzigingen en beschadigingen van de bodem, de strooisellaag in bos gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, waarbij het voorgaande bosbestand volledig gerooid en uitgerukt geworden is en de ontboste bodem werd omgeploegd en gefreesd”; deze omschrijving visueel ondersteund wordt door het gedetailleerde fotodossier dat als bijlage 1 bij het proces-verbaal is gevoegd; de voor de ten laste gelegde misdrijven relevante bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het bosdecreet van 13 juni 1990, het decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’, het DABM en het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 ‘tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ worden opgesomd; - vervolgens de vaststellingen ter plaatse omstandig worden beschreven; in die beschrijving gewag wordt gemaakt van “de rooiing en uitrukking van het bosbestand”, gevolgd door freeswerken om “de uitgerukte bosbodem om te zetten naar een blote en fijngefreesde aardegrond”; in die uiteenzetting tevens melding wordt gemaakt van een telefonisch contact met verzoeker die verklaard zou hebben dat hij de opdracht heeft gegeven voor het uitvoeren van de werken; VII-41.149-13/15 - op het laatste blad van het proces-verbaal het volgende wordt vermeld: “Besluit houdende bestuurlijke maatregelen: Om tot herstel van de oorspronkelijke bestemming te komen, wordt bijgaand de bestuurlijke maatregel, nummer BHBM.2020.IO.028/ LE.66B.H2.170056/20 opgelegd, toegevoegd aan het proces-verbaal als bijlage. Uitvoeringstermijn wordt gesteld tot uiterlijk 15 maart
- Bijlagen:
- fotodossier
- tekst overtreden wetsartikel(s) + strafmaat
- documenten stedenbouwkundige vergunning schuilhok paarden
- BHBM.2020.IO.028/ LE.66B.H2.170056/20.” Het valt niet te betwisten dat verzoeker door de kennisname van het proces-verbaal wist of moest weten dat lastens hem een bestuurlijke maatregel was opgelegd. De brief die verzoeker op 1 maart 2021 tot het Agentschap voor Natuur en Bos heeft gericht, bevestigt overigens dat hij goed op de hoogte was van een bestuurlijke maatregel die uiterlijk tegen 15 maart 2021 moest worden uitgevoerd. Aangenomen moet worden dat verzoeker, zoals elk redelijk handelend persoon, het Agentschap voor Natuur en Bos onmiddellijk zou hebben gecontacteerd als het besluit houdende bestuurlijke maatregelen niet als bijlage 4 bij het proces-verbaal nr. LE.66B.H2.170056/20 zou zijn toegevoegd. In elk geval brengt hij geen overtuigende verklaring bij waarom die stap niet onmiddellijk, maar pas op 1 maart 2021 kon worden gezet. De verwerende partij heeft niet foutief noch onredelijk gehandeld door in de bestreden beslissing aan te geven dat de uiteenzetting van verzoeker omtrent de tijdigheid van het bestuurlijk beroep “weinig aannemelijk” is. Daaruit vloeit voort dat de termijn om beroep in stellen tegen het besluit van 29 april 2020 houdende bestuurlijke maatregelen een aanvang heeft genomen na de ontvangst van de kennisgeving van het proces-verbaal nr. LE.66B.H2.170056/
- In de bestreden beslissing heeft de verwerende partij dan ook terecht kunnen besluiten dat het bestuurlijk beroep van verzoeker niet ontvankelijk is omdat het laattijdig werd ingesteld.
- Het derde middel is ongegrond. VII-41.149-14/15 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenentwintig december tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.149-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.287 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div