id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.288 Rolnummer: A. 229858/VII-40730 Zaak: Arrest 258288 - Milieuvergunningen - 21/12/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-12-28 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-06-10 18:24 Fiche Arrest nr 258.288 van 21 december 2023 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 258.288 van 21 december 2023 in de zaak A. 229.858/VII-40.730 In zake :
- Wilfried VERLOOY
- Ann VAN ROY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Verstraeten kantoor houdend te 3000 Leuven Fonteinstraat 1A/5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT Tussenkomende partij : de NV ETABLISSEMENTS MALICE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nicolas Houssiau kantoor houdend te 1180 Brussel Vossendreef 6, bus 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 26 december 2019, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 17 oktober 2019 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen van 8 december 2014, houdende het verlenen aan de nv Etablissements Malice van de milieuvergunning voor het exploiteren van een ‘aannemersbedrijf’, gelegen aan de Gerselarendries 52 te Grimbergen, slechts gedeeltelijk wordt ingewilligd. VII-40.730-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Etablissements Malice heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 6 februari
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 29 oktober 2021 een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De tussenkomende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 oktober
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sara Van Genechten, die loco advocaat Johan Verstraeten verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Alexandre De Troostenbergh, die loco advocaat Nicolas Houssiau verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-40.730-2/16 III. Feiten 3.
- Op 10 september 2014 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen een milieuvergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een inrichting aan de Gerselarendries 52 te Grimbergen, omvattende: - de opslag en sortering van 800 m³ steenpuin, 800 m³ betonpuin en 990 m³ uitgegraven grond; - de opslag en sortering van 90 ton niet gevaarlijke afvalstoffen; - de opslag en mechanische behandeling van 990 m³ uitgegraven grond; - garages, parkeerplaatsen en herstellingswerkplaatsen voor maximaal 5 motorvoertuigen; - een inrichting voor het fysisch behandelen van gassen, met een totale drijfkracht van 12 kW; - een opslagplaats voor samengeperste, vloeibaar gemaakte of in oplossing gehouden gassen van 800 liter; - de opslag van 2.900 liter stookolie in een bovengrondse opslagtank; - een brandstofverdeelinstallatie voor motorvoertuigen met 1 verdeelslang; - een inrichting voor het mechanisch behandelen van metalen en vervaardigen van voorwerpen uit metaal met een drijfkracht van 30,6 kW. 3.
- De geplande inrichting is volgens het geldende gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in industriegebied. Overeenkomstig het bijzonder plan van aanleg (hierna: BPA) ‘Verbrande Brug’ is het betrokken perceel bestemd voor “wonen en werken”. De verzoekende partijen zijn eigenaars en bewoners van een woning gelegen aan de Gerselarendries 100/2 te Grimbergen. Hun perceel grenst aan het perceel waarop de milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft. 3.
- Bij besluit van 8 december 2014 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen de gevraagde milieuvergunning gedeeltelijk voor een termijn van 1 jaar op proef. Een aantal VII-40.730-3/16 aangevraagde indelingsrubrieken wordt ambtshalve gewijzigd. Tegelijk worden aan de vergunning een reeks bijzondere voorwaarden verbonden. 3.
- Tegen deze beslissing stellen de verzoekende partijen bij de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant beroep in. 3.
- Met een besluit van 30 april 2015 beslist de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant om het beroep slechts gedeeltelijk in te willigen, en de verleende vergunning op proef voor één jaar te bevestigen. 3.
- Op 12 november 2015 beslist de deputatie om de vergunning op proef met één jaar te verlengen. 3.
- Vervolgens verleent de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant op 24 november 2016 de gevraagde milieuvergunning voor een termijn van 20 jaar met ingang vanaf de proefvergunning van 8 december
- 3.
- Bij arrest nr. 244.789 van 13 juni 2019 vernietigt de Raad van State voormelde vergunningsbeslissing op grond van de volgende motieven: “[…] Artikel 21, § 2, 2°, van Vlarem I bepaalt dat de adviezen van het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, het college van burgemeester en schepenen, de gemeentelijke of provinciale stedenbouwkundige ambtenaar, onder meer ‘een gemotiveerde beoordeling van de verenigbaarheid van de inrichting waarvoor een vergunning wordt gevraagd met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening’ moet bevatten. Luidens artikel 25, 2°, van Vlarem I dient ook het advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna: PMVC) een dergelijke beoordeling te bevatten. Deze bepalingen vereisen een afdoende stedenbouwkundige toetsing van de milieuvergunningsaanvraag die moet worden onderscheiden van de beoordeling van de vergunningsaanvraag uit milieuhygiënisch oogpunt. Motieven in een vergunningsbeslissing die betrekking hebben op de milieuhygiënische aanvaardbaarheid van de inrichting, tonen niet zonder meer aan dat de inrichting ook uit stedenbouwkundig oogpunt verenigbaar is met de stedenbouwkundige bestemmingsvoorschriften, en met de omgeving en de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. De beslissing over de milieuvergunningsaanvraag dient in een eigen redengeving aan te geven waarom zulks het geval is. Overeenkomstig de vereisten van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moet de gegeven motivering afdoende zijn. Het afdoende karakter van de VII-40.730-4/16 motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. […] Uit de formele motieven zoals weergegeven sub 3.7 blijkt dat de bestreden beslissing er zich, wat betreft de overeenstemming met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan en van het BPA, toe beperkt deze voorschriften te beschrijven, zonder een beoordeling te maken. De bestreden beslissing bevat niet de minste aanwijzing van de motieven die de verwerende partij ertoe gebracht hebben de inrichting als verenigbaar met de bestemmingsvoorschriften te beschouwen. De loutere verwijzing naar een stedenbouwkundige vergunning ‘voor het verbouwen van een bestaande opslagplaats, uitbreiding vooraan kantoren met 2 appartementen, uitbreiding achteraan opslagplaats met laadkades met toegangshelling’ kan -daargelaten de vraag of deze stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft op de exploitatie van de inrichting als dusdanig- dit gebrek niet goedmaken, evenmin als de overweging dat de industriële bestemming van het terrein als gevolg daarvan sinds 2010 dus ‘gekend’ is. Naast voornoemde overwegingen wordt in de bestreden beslissing alsdan een omschrijving wordt gegeven van de activiteiten van de inrichting, van de vaststellingen gedaan door de afdeling Milieuvergunningen op 12 september 2016 en van de verschillende controles uitgevoerd door de toezichthouder van de afdeling Milieu-inspectie, alsook wordt verwezen naar het plaatsbezoek van de cel leefmilieu van de gemeente waaruit blijkt dat aan alle opgelegde bijzondere voorwaarden van de vergunning op proef wordt voldaan. Geconcludeerd wordt dat de risico’s voor hinder bij naleving van de opgelegde exploitatievoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt. Deze overwegingen betreffen de milieuhygiënische aanvaardbaarheid van de inrichting, terwijl de bestreden beslissing daarentegen de vraag naar de verenigbaarheid van de milieuvergunningsaanvraag met de gewestplanbestemming en het BPA gewoon open heeft gelaten. Waar de verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst naar de ‘bespreking van de bezwaren in de beslissing van het CBS’ en bevestigt dat de inrichting volgens het gewestplan gelegen is in industriegebied, met verwijzing naar de motivering dienaangaande in ‘het verslag van de LNE […]’ (d.i. van 23 februari 2015), blijkt dat deze motiveringen niet zijn opgenomen in de bestreden beslissing, en bijgevolg niet dienstig zijn. Waar de tussenkomende partij argumenteert dat het BPA ‘Verbrande Brug’ buiten toepassing moet worden gelaten -terwijl de bestreden beslissing er uitdrukkelijk naar verwijst- verstrekt zij eveneens een a posteriori-motivering, dat het motiveringsgebrek niet vermag goed te maken. Het gebrek aan motivering wat de stedenbouwkundige verenigbaarheid betreft, klemt te dezen des te meer nu de verzoekende partijen in de voorafgaande procedures, in het bijzonder in hun verweernota van 26 oktober 2016 voorafgaand aan de zitting van de PMVC op dezelfde dag, uitdrukkelijk op deze stedenbouwkundige toets en de onverenigbaarheid van de aangevraagde vergunning met de bestemming van het BPA hebben gewezen.” VII-40.730-5/16 3.
- Vervolgens wordt de beroepsprocedure hernomen en in dit kader worden opnieuw een aantal adviezen ingewonnen. 3.
- Met het thans bestreden besluit van 17 oktober 2019 willigt de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de beroepen gedeeltelijk in en verleent zij een vergunning voor de exploitatie van: - een tussentijdse opslagplaats voor uitgegraven bodem met een capaciteit van maximaal 990 m³; - een opslag- en sorteerplaats voor niet gevaarlijke afvalstoffen bestaande uit papier en karton, hout, textiel, kunststoffen, metaal, glas, rubber, bouw- en sloopafval, met een opslagcapaciteit van maximaal 45 ton; - een opslag- en sorteerplaats voor inerte afvalstoffen met een opslagcapaciteit van maximaal 1.000 m³; - een stalplaats voor 5 bedrijfsvoertuigen; - lastoestellen met een totaal vermogen van 12 kW; - een opslagplaats voor gassen in verplaatsbare recipiënten met een gezamenlijk inhoudsvermogen van 800 liter; - een opslagplaats voor 2.900 liter mazout in een bovengrondse dubbelwandige tank; - een brandstofverdeelinstallatie met 1 slang voor diesel voor de bevoorrading van bedrijfseigen voertuigen; - inrichtingen voor het mechanisch behandelen van metalen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 30,6 kW. IV. Onderzoek van de middelen Eerste middel (eerste onderdeel) Standpunt van de partijen
- In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 17, eerste lid, en 18 van het decreet van 28 juni 1985 ‘betreffende de milieuvergunning’, juncto de artikelen 21, § 2, 1° en 2°, en VII-40.730-6/16 25, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991‘houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning’ (hierna: Vlarem I), juncto de artikelen 4.3.1, §§ 1 en 2, en 4.4.9/1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), juncto het BPA nr. 36 ‘Verbrande Brug’, juncto de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, juncto de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. In het eerste middelonderdeel betogen de verzoekende partijen dat de inrichting gelegen is op percelen die door het BPA uitdrukkelijk worden bestemd tot een “gemengde zone wonen en werken”, dat de bestreden beslissing de milieuvergunningsaanvraag verenigbaar acht met dit bestemmingsvoorschrift en dat in nevenorde wordt aangenomen dat op grond van artikel 4.4.9/1 VCRO kan afgeweken worden van het BPA. De verzoekende partijen wijzen er in de eerste plaats op dat het beoogde project geen uitstaans heeft met de bestemming van het BPA die erop gericht is om vergunningsplichtige activiteiten slechts toe te laten als zij de woonkwaliteit niet of slechts in geringe mate negatief beïnvloeden. Volgens hun zijn de vergunde activiteiten niet te beschouwen als een ambachtelijke bedrijvigheid, gelet op de omvang van de opslag- en sorteeractiviteiten, de mechanische behandeling van afvalstoffen, het stallen van 5 bedrijfsvoertuigen, het gebruik van lastoestellen met een vermogen van 12 kW, de aanwezigheid van een brandstofverdeelinstallatie en het gebruik van toestellen voor het mechanisch behandelen van metalen met een totale drijfkracht van 30,6 kW. Volgens de verzoekende partijen gaat de bestreden vergunningsbeslissing niet over een afvalopslagplaats met ‘beperkte omvang’, noch over een ambachtelijk bedrijf dat ter plaatse kan worden toegelaten. De verzoekende partijen beklemtonen dat de vergunde activiteiten aanzienlijke (geluids)hinder voor de omwonenden teweegbrengen, niet alleen tijdens de dag maar ook tijdens het weekend en op avond- en nachturen. Bovendien is er ter plaatse sprake van verkeersonveiligheid gelet op de onaangepaste weginfrastructuur. Daarenboven is de bedrijfssite technisch ongeschikt om de hinder van de vergunde activiteiten tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Ook zouden volgens de verzoekende partijen geen opslagplaatsen VII-40.730-7/16 voor afvalstoffen van schadelijke aard, thuishoren in een woongebied. De afvalverwerking op het bedrijfsterrein zou ten onrechte worden aangemerkt als ‘kleinschalig’, waarbij de verwerende partij voorbij is gegaan aan de “industriële hoeveelheden” afvalstoffen die ter plaatse verwerkt worden. In de motivering van de bestreden vergunningsbeslissing wordt verwezen naar de stedenbouwkundige vergunning die op 5 oktober 2015 werd verleend. Dergelijke motivering vormt een schending van het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State waarbij de vorige vergunningsbeslissing werd vernietigd. Voorts stellen de verzoekende partijen dat artikel 4.4.9/1 VCRO enkel kan worden toegepast op aanvragen die ingediend werden na de inwerkingtreding van deze bepaling en dat de vraag tot afwijking voorwerp moet zijn van een openbaar onderzoek. Aan deze voorwaarden is in casu niet voldaan.
- De verwerende partij antwoordt dat in de bestreden beslissing uitvoerig wordt uiteengezet waarom de inrichting ingepast kan worden in de bestemmingsvoorschriften van het toepasselijke BPA.
- De tussenkomende partij werpt in de eerste plaats op dat de bestemming “gebied voor wonen en werken”, zoals bepaald in het BPA nr. 36 ‘Verbrande Brug’, afwijkt van de gewestplanbestemming “industriegebied” dat de vestiging van industriële en ambachtelijke bedrijven toelaat. Met toepassing van artikel 159 van de Grondwet moet het BPA buiten toepassing worden gelaten. Bijgevolg kunnen de verzoekende partijen zich niet op de bepalingen van dit BPA beroepen. Voorts wordt niet aangetoond dat de inrichting onverenigbaar is met de bestemming industriegebied. Evenmin wordt aangetoond dat de verwerende partij ten onrechte heeft besloten dat er geen sprake is van overmatige hinder. Uit de motieven van de bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij ook rekening heeft gehouden met de bestaande bewoning. VII-40.730-8/16
- In hun memorie van wederantwoord voegen de verzoekende partijen het volgende toe: “[…] De motivering die in de bestreden beslissing wordt aangeboden om te besluiten dat de inrichting een ‘ambachtelijke onderneming’ betreft in kader van het BPA is niet afdoende, en vormt niet het resultaat van een zorgvuldig onderzoek naar de pertinente elementen uit het aanvraagdossier: - Vooreerst geniet het feit dat de metaalbewerkingsafdeling niet meer in gebruik zou zijn en de metaalbewerkingsactiviteiten door een andere onderneming zou zijn overgenomen geen relevantie bij het beoordelen van de vergunningsaanvraag. De bestreden beslissing verleent immers toelating om metalen mechanisch te behandelen met toestellen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 30.6 kW, en het gebruik van lastoestellen met een totaal vermogen van 12 kW. De bestreden beslissing vormt de rechtsgrond voor het uitvoeren van dergelijke industriële activiteiten in de projectzone, los van het feit of de vergunninghouder deze activiteiten zal uitvoeren. Bovendien is gebleken dat vernoemde metaalbewerkingsactiviteiten in het verleden veelvuldig zijn uitgevoerd. Verzoekende partijen hebben in hun verzoekschrift verwezen naar hun bezwaarschriften, waarin herhaaldelijk melding wordt gemaakt van deze activiteiten (STUKKEN 23-24-28-29). Het feit dat vergunning wordt gevraagd en verleend voor het mechanisch behandelen van metalen, wijst afdoende op het gebrek aan ambachtelijk karakter ervan. Verwerende partij verleent toelating om zware machines in te zetten op de projectzone, hetgeen ondenkbaar is in een ambachtelijke onderneming. […]. - Verwerende partij omschrijft de afvalverwerking die op de site wordt georganiseerd als kleinschalig, doch motiveert deze beoordeling niet door de elementen van de vergunningsaanvraag aan een zorgvuldig onderzoek te onderwerpen. Ze wijst op het feit dat het afval manuaal of hoogstens met lichte gereedschappen wordt uitgesorteerd en beperkt zich tot het vergelijken van de inrichting met andere, niet nader gespecifieerde industriële afvalverwerkers. Verwerende partij betrekt de hoeveelheden aan afval waarvan vergunning voor de verwerking ervan wordt gevraagd niet in haar beoordeling. Nochtans blijkt uit randnummer 42.6 van het verzoekschrift dat de vergunning betrekking heeft op industriële hoeveelheden afval waardoor de onderneming niet als een ambachtelijk bedrijf kan worden beschouwd. Verzoekende partijen hebben gewezen op de verstrengde motiveringsplicht van verwerende partij, aangezien het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Grimbergen in haar advies heeft gesteld : ‘een inrichting waarin onder meer inerte afvalstoffen tot quasi 1.000 m³ waaronder bouwafval mechanisch worden behandeld door middel van een breek- en zeefinstallatie is niet verenigbaar met een ambachtelijke bedrijvigheid’. Ze diende op gemotiveerde wijze aan te geven waarom deze analyse pertinentie mist, en waarom ze het verwerken van inerte afvalstoffen tot quasi 1.000 m³ nog steeds als een ambachtelijke activiteit beschouwt. VII-40.730-9/16 Een loutere verwijzing naar andere inrichtingen, zonder zorgvuldige studie en vergelijking van hoeveelheden afval die verwerkt worden, kan geen deugdelijke weerlegging van het terecht negatieve advies vormen. - Verwerende partij motiveert de bestreden beslissing door te verwijzen naar de stedenbouwkundige vergunning die op 5 oktober 2015 aan de exploitatie werd verleend. Verzoekende partijen hebben echter gewezen op de kracht van gewijsde van het arrest van Uw Raad waarin de vorige vergunningsbeslissing werd vernietigd (STUK 30). Uit dit arrest blijkt immers dat een verwijzing naar een eerdere stedenbouwkundige vergunning geen zorgvuldige toetsing van de planologische verenigbaarheid van de aanvraag vormt. Een verwijzing naar deze stedenbouwkundige vergunning vormt, gelet op het vermelde arrest, geen pertinent verweer. - De bestreden beslissing duidt niet waarom verwerende partij meent in nevenorde te kunnen verwijzen naar de mogelijkheid om van het BPA af te wijken die in art. 4.4.9/1 van de VCRO wordt voorzien, en meent dat de bestemmingsvoorschriften van het van toepassing zijnde BPA geen weigeringsgrond vormen voor de voorliggende aanvraag. Nochtans wijst het verzoekschrift op het feit dat art. 4.4.9/1, 3e lid van de VCRO in de VCRO wordt ingeschreven bij decreet van 8 december 2017[…], en bepaalt dat elke aanvraag tot afwijking overeenkomstig het eerste lid, wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek. Uit deze bepaling blijkt duidelijk dat ze slechts kan worden toegepast op aanvragen die worden ingediend na de inwerkingtreding van het artikel, en dat dergelijke afwijking uitdrukkelijk in de aanvraag dient te worden opgenomen, teneinde ze aan openbaar onderzoek te kunnen onderwerpen. Zoals verwerende partij opmerkt werd de vergunningsaanvraag ontvangen op 26 september 2014, en wordt in deze aanvraag geen afwijking van het bestaande BPA verzocht, waardoor ook geen aanvraag tot afwijking aan openbaar onderzoek wordt onderworpen. Art. 4.4.9/1 VCRO vindt geen toepassing in casu, waardoor verwerende partij het artikel niet in haar toetsing naar de planologische verenigbaarheid van de aanvraag kan betrekken. De antwoordnota biedt geen repliek op deze pertinente wettigheidskritiek van verzoekende partijen doch stelt wel uitdrukkelijk dat ze in de bestreden beslissing heeft gemotiveerd waarom de aanvraag planologisch verenigbaar is met het van toepassing zijnde BPA. Hiermee lijkt verwerende partij afstand te nemen van een motief dat ze niet in ondergeschikte orde, doch wel in nevenorde heeft geformuleerd. Een schending van de materiële motiveringsplicht ligt aldus voor. Aangezien de antwoordnota louter bepaalde motieven uit de bestreden beslissing herneemt, blijven de wettigheidskritieken die verzoekende partijen in hun verzoekschrift formuleren, onbeantwoord. De antwoordnota vormt geen dienstig verweer op grond waarvan het eerste middelonderdeel kan worden verworpen.”
- In hun laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat de vergunde activiteiten wel degelijk uitgevoerd worden op een industriële schaal. VII-40.730-10/16 Voorts zou in de bestreden vergunningsbeslissing niet worden geduid “waarom verwerende partij meent in nevenorde te kunnen verwijzen naar de mogelijkheid om van het BPA af te wijken die in art. 4.4.9/1 van de VCRO wordt voorzien”. Beoordeling
- Er wordt niet betwist dat de vergunde inrichting gelegen is op een perceel dat overeenkomstig het BPA nr. 36 ‘Verbrande Brug’ behoort tot een gemengde zone die bestemd is voor wonen en werken. Evenmin wordt betwist dat: (a) in die zone de bestemmingen wonen, handel, horeca, kantoren, openbaar nut, diensten en ambachtelijke bedrijven of een combinatie van die bestemmingen zijn toegelaten, en (b) inrichtingen die volgens de indelingslijst bij Vlarem I behoren tot de eerste klasse en inrichtingen die abnormaal hoge rook-, reuk-, lawaai-, verkeers-, of andere hinder teweegbrengen volgens het BPA niet toegelaten zijn.
- Uit de bestreden beslissing blijkt dat de vergunningsaanvraag op stedenbouwkundig vlak enkel werd getoetst aan de voorschriften van het BPA ‘Verbrande Brug’. Voorts wordt melding gemaakt van de ligging van het betrokken perceel in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: GRUP) ‘afbakening VSGB en aansluitende open ruimtegebieden’. Dit GRUP zou echter geen nieuwe bestemmingsvoorschriften bepalen voor het perceel in kwestie. In zoverre de door het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gegeven bestemming industriegebied nog van kracht zou zijn, geldt de vaststelling dat de bestreden vergunningsbeslissing steunt op de aanname dat de inrichting beschouwd kan worden als een ambachtelijk bedrijf. Aangezien overeenkomstig artikel 7.2.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ de industriegebieden bestemd voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven en het BPA ‘Verbrande Brug’ ambachtelijke bedrijven niet principieel uitsluit, kan - althans wat betreft het bestemmingsvoorschrift dat relevant is voor de oplossing van het geschil - niet aangenomen worden dat het BPA onbestaanbaar is met de door het gewestplan gegeven bestemming. VII-40.730-11/16
- Het komt aan de verwerende partij als vergunningverlenende overheid toe om op grond van in rechte en in feite aanvaardbare motieven, die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld, aan te tonen dat de aangevraagde inrichting verenigbaar is met de geldende bestemmingsvoorschriften. Ter zake vermeldt de bestreden beslissing de volgende motieven: “Etablissement Malice nv is een aannemersbedrijf dat renovatiewerken uitvoert. Op de locatie in Grimbergen wordt een afdeling metaalconstructie aangevraagd voor het samenstellen van kleinere metalen elementen zoals trappen, leuningen, kaders en afsluitingen. De behandeling van de metalen is enkel fysisch. Er wordt niet ontkleurd of ontvet. Op de site wordt ook een kleinschalige containerdienst aangevraagd en de opslag en sortering van werfeigen afvalstoffen (inerte afvalstoffen, papier en karton, pvc, gyproc en glas). De afvalstoffen zijn enkel van eigen werven afkomstig, dit door gebrek aan opslagruimte voor containers bij werven in de binnenstad van Brussel. Op de site in Grimbergen worden de afvalstoffen indien nodig verder gesorteerd en tijdelijk opgeslagen in functie van ophaling en afvoer naar vergunde verwerkers. In de voorliggende aanvraag zijn enkel de activiteiten inzake afvalverwerking vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige activiteiten zijn beperkt tot klasse 2 volgens de van toepassing zijnde indelingslijst. De overige ingedeelde inrichtingen zijn slechts meldingsplichtig. Zoals uit de verdere bespreking blijkt, kan eventuele hinder door het gedeeltelijk vergunnen van het voorwerp van de aanvraag en bij het naleven van algemene, sectorale en opgelegde bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden, beperkt worden tot een aanvaardbaar niveau. Dit wordt ondersteund door verschillende controles ter plaatse door de afdeling GOP-milieu en de lokale politie (onaangekondigd of na klachten) waarbij geen hinder of zelfs geen activiteiten werden vastgesteld. De afdeling Handhaving voerde sinds december 2015 zes controles uit, waarvan de meest recente in augustus
- Ook bij deze controles werd geen noemenswaardige hinder vastgesteld. In het advies van de gewestelijke omgevingsinspectie van de afdeling Handhaving van 29 augustus 2019 wordt gesteld dat de exploitant duidelijk inspanning levert om te voldoen aan de voorschriften. Aan opgemerkte verbeterpunten werd door de exploitant op eenvoudig verzoek voldaan. Met het BPA ‘Verbrande Brug’ werd de onderliggende gewestplanbestemming ‘industriegebied’ verder verfijnd. Bedrijven ingedeeld in klasse I volgens bijlage I van Vlarem I en inrichtingen die abnormaal hoge rook-, reuk-, lawaai-, verkeers-, of ander hinder teweegbrengen, zijn de enige uitsluitingsvoorwaarden. De inrichting valt bijgevolg niet onder de uitsluitingsvoorwaarden van het van toepassing zijnde BPA. De zone D3 betreft een gemengde zone voor wonen en werken waarbij ambachtelijke bedrijven uitdrukkelijk worden toegelaten. In de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (en wijzigingen) wordt VII-40.730-12/16 vermeld dat de wetgeving op de ruimtelijke ordening en de stedenbouw geen nauwkeurige omschrijving inhoudt van de begrippen ‘ambacht’ en ‘kleinbedrijf’ en dat er dan ook uitgegaan dient te worden van de gebruikelijke betekenis van de woorden. Ambachtelijke bedrijven zijn deze bedrijven waar handwerk primeert, wat het gebruik van machines evenwel niet uitsluit. In het aanvraagdossier wordt zowel een metaalwerkplaats als kleinschalige opslag en sorteren van afvalstoffen aangevraagd. Wat de metaalwerkplaats betreft, wordt in het advies van de afdeling Handhaving (omgevingsinspectie) van 29 augustus 2019 vermeld dat in het voorste gedeelte van de bedrijfshal een extern bedrijf is gevestigd en de voorheen vergunde metaalbewerkingsafdeling niet meer in gebruik is. In het advies van het college van burgemeester en schepenen van 16 september 2019 wordt aangegeven dat het bedrijf Unic Concept nv de metaalbewerkingsactiviteiten volledig heeft overgenomen van Ets. Malice. Hierbij dient opgemerkt dat het college van burgemeester en schepenen van 5 februari 2018 enerzijds wel de melding voor een nieuwe inrichting voor hout- en metaalbewerking op naam van Unic Concept heeft geakteerd en vermeldt dat Unic Concept het atelier en de burelen huurt van Ets. Malice. Anderzijds gebeurde er geen officiële melding van overname van de activiteiten door Ets. Malice door Unic Concept. Bovendien bevestigt de raadsman van de exploitant dat de activiteiten waarvoor vergunning gewenst is dezelfde zijn gebleven als in de te beoordelen aanvraag. Het samenstellen van kleinere metalen elementen zoals trappen, leuningen, kaders en afsluitingen met gebruik van de in de aanvraag beschreven machines kan als zuiver ambachtelijk beschouwd worden en dus in overeenstemming met de bestemmingsvoorschriften van het BPA. Zelfs al mochten de metaalbewerkingsactiviteiten door Etablissement Malice worden afgestoten, dan nog kunnen resterende activiteiten (de kleinschalige opslag en sortering van afvalstoffen) op basis van aard en omvang als ambachtelijk beschouwd worden. Door het manueel of hoogstens met lichte gereedschappen uitsorteren van niet gevaarlijk afval, inert afval en het sporadisch zeven van partijen grond, worden materialen klaargemaakt voor hergebruik of verdere verwerking. Steen- en betonpuin worden op de inrichting niet gebroken of gezeefd. De hoeveelheden afvalstoffen die bij Ets. Malice kunnen en zullen worden opgeslagen, zijn niet te vergelijken met deze bij industriële afvalverwerkers waarbij een veelvoud van afvalstoffen wordt opgeslagen en verwerkt, veelal met behulp van een mobiele breker en door het frequent zeven. In haar ongunstig advies wordt door het college van burgemeester en schepenen als element van belang voor beoordeling van het dossier het overaanbod van afvalverwerkers in de Grimbergse kanaalzone benadrukt. Niettegenstaande de aard en omvang van de aangevraagde activiteiten niet vergelijkbaar zijn met de door het college aangehaalde afvalverwerkers in de kanaalzone, behoort de opportuniteit van de aanvraag niet tot het beoordelingskader van de vergunningsaanvraag. Principieel is de inrichting in overeenstemming met het van toepassing zijnde BPA. Dit wordt ondersteund door de vergunning die op 5 oktober 2015 door het college van burgemeester en schepenen van Grimbergen werd verleend voor de stedenbouwkundig vergunningsplichtige handelingen (het VII-40.730-13/16 verharden, plaatsen van afsluitingen, bermen en groenzone en het plaatsen van een prefab muur in verplaatsbare betonblokken aan de linker achterzijde achteraan het terrein en verplaatsen van poorten, deuren en het wijzigen van het raam aan een bestaande gebouw) aan het goed waar Ets. Malice is gevestigd. In deze vergunning wordt gesteld dat de aanvraag in overeenstemming is met de bepalingen van het BPA nr. 36 ‘Verbrande Brug’. In nevenorde dient er bovendien rekening mee gehouden te worden dat het vergunningverlenend bestuursorgaan bij het verlenen van een vergunning mag afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften van een bijzonder plan van aanleg, voor zover dit plan ouder is dan vijftien jaar op het ogenblik van de indiening van de aanvraag (vcro art. 4.4.9/1). Dit is in casu mogelijk aangezien de aanvraag door Ets. Malice werd ontvangen op 26 september 2014 en het BPA ‘Verbrande Brug’ werd goedgekeurd bij ministerieel besluit van 22 maart
- De bestemmingsvoorschriften van het van toepassing zijnde BPA vormen aldus geen weigeringsmotief voor de voorliggende aanvraag.”
- Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt in essentie dat het voorwerp van de vergunningsaanvraag door de verwerende partij wordt aangemerkt als een “kleinschalige containerdienst”. Uit de “aard en omvang” van de beoogde activiteiten leidt zij af dat het gaat om een ambachtelijk bedrijf in de zin van het toepasselijke BPA. Meer in het bijzonder meent de verwerende partij dat door het “manueel of hoogstens met lichte gereedschappen uitsorteren van niet gevaarlijk afval, inert afval en het sporadisch zeven van partijen grond” waarbij steen- of betonpuin op de inrichting niet wordt “gebroken of gezeefd”, de vergelijking met “industriële afvalverwerkers” die veel grotere hoeveelheden afvalstoffen verwerken met behulp van een mobiele breker en een zeefinstallatie, niet opgaat. Die vergelijking brengt de verwerende partij tot het besluit dat de inrichting principieel verenigbaar is met de door het BPA vastgestelde bestemmingsvoorschriften.
- De aangehaalde motieven van de bestreden beslissing laten niet toe als evident of gemakshalve aan te nemen dat de vergunde activiteiten, die onder meer bestaan uit de (tussentijdse) opslag van maximaal 990 m3 uitgegraven bodem die niet voldoet aan een toepassing volgens het besluit van de Vlaamse regering van 14 december 2007 ‘houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming’ (Vlarebo), de opslag van maximaal 45 ton niet gevaarlijke afvalstoffen (papier, karton, hout, textiel, VII-40.730-14/16 kunststoffen, metaal, glas, rubber en bouw- en sloopafval) en de opslag en het sorteren van inerte afvalstoffen met een maximale opslagcapaciteit van 1.000 m3, behoren tot een ambachtelijk bedrijf zoals bedoeld door het BPA ‘Verbrande Brug’.
- Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 17 oktober 2019 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen van 8 december 2014, houdende het verlenen aan de nv Etablissements Malice van de milieuvergunning voor het exploiteren van een ‘aannemersbedrijf’, gelegen aan de Gerselarendries 52 te Grimbergen, slechts gedeeltelijk wordt ingewilligd.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- Het Vlaamse Gewest wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
- De onterecht betaalde bijdrage ten bedrage van 20 euro dient te worden terugbetaald aan de verzoekende partijen. VII-40.730-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenentwintig december tweeduizend drieëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-40.730-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.288 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div