← België

Cassatiebeschikking 15165 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/01/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 05 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.165 Rolnummer: A. 237510/VII-41711 Zaak: Cassatiebeschikking 15165 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-06 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-10 08:09 Fiche Beschikking nr 15.165 van 5 januari 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.165 van 5 januari 2023 in de zaak A. 237.510/VII-41.711 In zake : 1. XXXXX 2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Denys kantoor houdend te 1030 Brussel Adolphe Lacomblélaan 59-61 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 14 oktober 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 277.823 van 23 september 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 7 december 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste middel Eerste middelonderdeel VII-41.711-1/8 1. De in artikel 48/6, § 1, tweede zin, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) bedoelde samenwerkingsplicht waaraan de verzoekers refereren, staat er niet aan in de weg dat de bewijslast in de eerste plaats op de kandidaat-vluchteling rust die zelf alle essentiële elementen voor de beoordeling van zijn asielaanvraag dient aan te brengen. Deze bepaling geldt eveneens voor een volgend verzoek om internationale bescherming, zoals te dezen het geval is. Met verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 november 2012 in de zaak C-277/11, M.M. tegen Ierland, wordt hierover in de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet dat heeft geleid tot de wijziging van artikel 48/6 van de vreemdelingenwet uiteengezet: “Het Hof [van Justitie van de Europese Unie] stelde dat de samenwerkingsplicht in twee te onderscheiden fasen verloopt: de eerste fase betreft de vaststelling van de feitelijke omstandigheden die bewijselementen tot het verzoek kunnen vormen (= de vaststelling van de relevante elementen), terwijl de tweede fase de beoordeling in rechte van deze gegevens betreft, waarbij wordt beslist of die bewijselementen voldoen aan de voorwaarden voor de toekenning van de gevraagde internationale bescherming (= kwalificatie van de feiten). Het Hof benadrukte dat de samenwerkingsplicht beperkt is tot de eerste fase en de vaststellingen van de feiten en omstandigheden betreft die als bewijselementen tot staving van het verzoek kunnen dienen. Het onderzoek naar de gegrondheid van het verzoek om internationale bescherming (tweede fase) behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de met het onderzoek belaste instanties. De Commissaris-generaal draagt bijgevolg in de eerste fase een deel van de verantwoordelijkheid bij het verzamelen van de relevante elementen noodzakelijk voor de beoordeling van de geloofwaardigheid en de gegrondheid van het verzoek. Dit aspect van de samenwerkingsplicht vindt haar rechtvaardiging in de moeilijkheden die de verzoeker kan ondervinden bij het vergaren van bewijsmateriaal (HvJ, C-277/11, M.M. t. Ierland, 2012, conclusie advocaat-generaal Bot, §§ 64-66), de zwaarwichtige gevolgen die een verkeerde beoordeling kan teweegbrengen, alsook het gegeven dat het de taak is van de asielinstantie om een verzoek tot internationale bescherming objectief, onpartijdig en nauwgezet te onderzoeken (HvJ, C-277/11, M.M. t. Ierland, 2012, § 88). De plicht tot samenwerking is evenwel geen synoniem van ‘gedeelde bewijslast’, maar houdt hoogstens een nuancering in van de bewijslast die, overeenkomstig artikel 4 van de richtlijn 2011/95/EU, in beginsel op de schouders van de verzoeker zelf rust […]. De samenwerkingsplicht in hoofde van de Commissaris-generaal doet geen afbreuk aan de verplichting van de verzoeker om in de eerste plaats zelf te voldoen aan zijn medewerkingsplicht en de relevante elementen noodzakelijk voor de beoordeling van de gegrondheid van zijn verzoek om internationale bescherming spontaan en zo spoedig mogelijk te verstrekken […], noch legt het de met het onderzoek van het verzoek belaste instantie op de lacunes in de bewijsvoering van de verzoeker zelf op te vullen. Het legt de verplichting aan de Commissaris-generaal op zijn onderzoeksmiddelen in te zetten wanneer de verzoeker heeft voldaan aan de op hem rustende medewerkingsplicht en er ernstige aanwijzingen zijn dat het verzoek gegrond zou kunnen zijn, maar op dat moment nog onvoldoende informatie beschikbaar is om VII-41.711-2/8 tot een beslissing te komen inzake het verzoek om internationale bescherming […]. Er is bijgevolg slechts sprake van een onderzoeksplicht in hoofde van de Commissaris- generaal in zoverre de verzoeker verifieerbare elementen heeft aangebracht waarvan redelijkerwijze mag worden verwacht dat deze nader worden onderzocht […]. De Commissaris-generaal beoordeelt op onafhankelijke wijze alle bewijsmiddelen en oordeelt soeverein over de bewijswaarde van alle voorgelegde elementen. In zoverre de samenwerkingsplicht vooral een onderzoeksplicht inhoudt, berust dit aspect van de samenwerkingsplicht op de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, gezien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen onderzoeksbevoegdheid heeft. Dit belet evenwel niet dat ook op de Raad een samenwerkingsplicht berust, gezien ook de Raad volgens artikel 4.3,

  1. a)rekening moet houden met ‘alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen’, gezien zij zich uitspreekt met volheid van rechtsmacht […].” (Parl. St. Kamer, DOC 542548001, 30) 2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest eerst vast “dat de neergelegde documenten niet werden onderzocht in het kader van de tijdens het vorige verzoek genomen beslissing en waarop die beslissing niet kon worden gebaseerd, gezien zij dateren van na de definitieve beëindiging van de procedure die betrekking had op het vorige verzoek”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt verder vast “dat de commissaris-generaal de door verzoeker bijgebrachte documenten niet beschouwt als nieuwe elementen die de kans aanzienlijk groter maken dat verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming omwille van de volgende redenen: (
  2. i)de documenten doen geen afbreuk aan de specifieke argumenten van de Raad op basis waarvan de geloofwaardigheid van de bewering dat er een zaak tegen verzoeker hangende zou zijn in twijfel werd getrokken, (
  3. ii)het bestaan van een zaak tegen verzoeker werd enkel bevestigd door zijn advocaat T.B., via-via door een anonieme professor en met een aantal screenshots waarvan de authenticiteit niet na te gaan valt en onderhevig kunnen geweest zijn aan het nodige knip- en plakwerk, (iii) uit de brief van broeder L.V. kan geen concrete informatie worden ontwaard en de mails bevatten enkel een webadres dat niet raadpleegbaar is in België”. Vervolgens overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf dat de brief van broeder L.V. geen concrete informatie bevat over verzoekers zaak en dat de nieuwe elementen steunen op het loutere feit dat broeder L.V. in Pakistan navraag heeft gedaan naar verzoekers zaak en dat na onderzoek van broeder L.V. dit werd bevestigd door zijn advocaat T.B. en via-via door een anonieme professor, die aangaf dat zijn naam niet schriftelijk mocht worden vermeld. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op dat verzoeker enkele screenshots heeft neergelegd van een website die niet kan worden geraadpleegd in België doch waarop verzoekers zaak zou kunnen worden teruggevonden. De VII-41.711-3/8 Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aanvaardt niet dat verzoeker de inhoud van de website niet verder kan aantonen terwijl hij zich blijkbaar wel wenst te beroepen op deze persoonlijke aspecten van zijn relaas. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verhindert verzoeker evenwel zelf dat deze gegevens kunnen worden onderzocht teneinde de objectieve bewijswaarde en de waarachtigheid van de inhoud ervan te kunnen verifiëren en beoordelen. Met betrekking tot de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de asielinstantie actief moet samenwerken met een verzoeker om alle elementen te verzamelen die het verzoek kunnen staven indien de door die verzoeker aangevoerde elementen om welke reden dan ook niet volledig, actueel of relevant zijn, en dat de lidstaat mogelijk gemakkelijker toegang tot bepaalde documenten heeft dan de verzoeker, acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit in casu niet het geval aangezien het gaat om het bewijs dat verzoeker het voorwerp is van een gerechtelijk onderzoek, wat een persoonlijk aspect van zijn relaas betreft. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volstaat de vaststelling dat de neergelegde documenten geen afbreuk doen aan de argumenten waarmee de ingeroepen feiten ongeloofwaardig zijn bevonden in het kader van verzoekers (vorig) vierde verzoek om internationale bescherming, op zich overigens om de objectieve bewijswaarde van de neergelegde documenten ter staving van de ingeroepen feiten teniet te doen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat de commissaris-generaal de inhoud en de bewijswaarde van de nieuwe documenten heeft onderzocht, dat in deze fase van de procedure niet dienstig de niet-naleving van de samenwerkingsplicht kan worden aangevoerd, dat de neergelegde nieuwe documenten geen afdoende bewijswaarde bezitten ter staving van de door verzoeker ingeroepen feiten en dat ze dan ook geen afbreuk kunnen doen aan de essentie van de eerder door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen genomen beslissingen in het kader van verzoekers vorige verzoeken om internationale bescherming. Tot slot stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog vast dat de verzoekers in een aanvullende nota van 30 juni 2022 mails overleggen van 21 juni 2022 waaruit kan blijken dat broeder F.S. documenten zal ontvangen van verzoekers advocaat en van de rechtbank waardoor de rechtszaak tegen verzoeker zou bevestigd kunnen worden doch dat dergelijke documenten nog niet voorliggen. 3. Met het voorgaande oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker zelf niet heeft voldaan aan zijn medewerkingsplicht en dat er geen ernstige aanwijzingen zijn voor nieuwe elementen die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoekers in aanmerking komen voor internationale bescherming. Er is te dezen dan ook geen sprake van een schending van de VII-41.711-4/8 samenwerkingsplicht, net omdat lacunes zijn vastgesteld in de bewijsvoering van de verzoekers. VII-41.711-5/8 Tweede middelonderdeel 4. Tegenstrijdige motieven heffen elkaar op en leiden aldus tot een gebrek aan de door artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vereiste jurisdictionele motivering. Het is echter niet tegenstrijdig om enerzijds vast te stellen dat de verzoekers enkele screenshots voorleggen van een website die in België niet kan worden geraadpleegd en anderzijds niet te aanvaarden dat verzoeker de inhoud van die website niet verder kan aantonen. Dat bepaalde screenshots van een niet-toegankelijke website konden worden voorgelegd, kan er immers op wijzen dat de verzoekers net wel toegang hadden tot de bewuste website. Conclusie 5. Het eerste middel is in zijn beide onderdelen kennelijk ongegrond. Tweede middel Eerste middelonderdeel 6. De verzoekers lezen in het bestreden arrest dat hen wordt verweten in het kader van de met toepassing van artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet gevraagde subsidiaire beschermingsstatus “voor het eerst persoonlijke omstandigheden te willen aanvoeren” in hun beroep. Zij achten daardoor artikel 39/2, § 1, van de vreemdelingenwet geschonden, namelijk omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “in volle rechtsmacht oordeelt”, waarbij nieuwe middelen mogen worden aangevoerd. 7. In het bestreden arrest wordt vermeld dat de verzoekers hebben gewezen op hun kwetsbaarheid als christenen en op de bijzondere kwetsbaarheid van tweede verzoekster als christelijke vrouw. Hierna wordt het besluit dienaangaande uit het desbetreffende middel van de verzoekers geciteerd: “De Antwerpse Kapucijnenbroe[de]r stelt, op grond van zijn bezoek in Pakistan, er zeker van te zijn dat verzoeker het voorwerp uitmaakt van een strafrechtelijke procedure, en dit op grond van geloofwaardige getuigen. Indien de Raad op grond hiervan aanneemt dat er inderdaad een of andere procedure hangend is omdat VII-41.711-6/8 verzoeker een christen is, ongeacht de inhoud van deze klacht, dient aan verzoekers subsidiaire bescherming toegekend te worden op grond van artikel 48/4, § 2,
  4. c)[van de vreemdelingenwet].” In het bestreden arrest wordt niet geweigerd de voor het eerst aangevoerde persoonlijke omstandigheden te beoordelen, doch er wordt vastgesteld dat de nieuw aangevoerde elementen (een rechtszaak tegen verzoeker in Pakistan) niet worden bewezen. In het licht daarvan oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, na te hebben overwogen dat de verzoekers de vaststellingen uit de beslissingen van de commissaris-generaal betreffende de mate van het willekeurig geweld niet betwisten, dat de verzoekers evenmin aantonen “dat de elementen die verzoeker in het kader van zijn vijfde verzoek om internationale bescherming en verzoekster in het kader van haar derde verzoek om internationale bescherming bijbreng[en], enige toegevoegde waarde hebben”. De door de verzoekers aangevoerde persoonlijke omstandigheden zijn dus wel degelijk beoordeeld in het bestreden arrest. De verzoekers gaan wat dat betreft uit van een verkeerde lezing van het bestreden arrest en zij tonen daarmee geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht. Tweede middelonderdeel 8. De verzoekers hebben er zich wat de nieuwe elementen in hun voor verzoeker vijfde en voor verzoekster derde verzoek om internationale bescherming betreft uitdrukkelijk op gesteund dat er een procedure hangende zou zijn omdat verzoeker een christen is. Dit is echter net hetgeen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet bewezen acht. In het licht van de jurisdictionele motiveringsplicht kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wat de vraag om toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus betreft in het bestreden arrest dan ook volstaan met te oordelen dat de in het kader van het voorliggende verzoek om internationale bescherming bijgebrachte elementen geen toegevoegde waarde hebben en dat er geen specifieke elementen in het dossier aanwezig zijn die een ander licht werpen op de beoordeling van de vorige verzoeken om internationale bescherming om vervolgens te besluiten “dat er geen nieuwe elementen of feiten aan de orde zijn, of door verzoekers werden aangebracht, die de kans aanzienlijk groter maken dat zij in aanmerking komen voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van dezelfde wet”. VII-41.711-7/8 Conclusie 9. Het tweede middel is in zijn beide onderdelen kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. 2. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft, en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 5 januari 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.711-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.165 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.