id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 19 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.187 Rolnummer: A. 237793/VII-41770 Zaak: Cassatiebeschikking 15187 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 19/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-20 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-10 08:15 Fiche Beschikking nr 15.187 van 19 januari 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.187 van 19 januari 2023 in de zaak A. 237.793/VII-41.770 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 30 november 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 280.014 van 10 november 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het administratief dossier is op 21 december 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ is als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Wel kan de Raad van State als administratieve cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk VII-41.770-1/4 bestreden beslissing de inhoud van die wet zou hebben geschonden, zonder dat de Raad voor State zich daarbij echter in de plaats van de annulatierechter kan stellen om zelf te oordelen of de motivering van die beslissing afdoende is of niet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft eerst een volledig overzicht van de motieven in de voor hem aangevochten beslissing van de verwerende partij (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing) die leiden tot de vaststelling in die beslissing dat verzoeker wordt geacht te zijn ondergedoken en dat de overdrachtstermijn wordt verlengd tot maximum 18 maanden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt vervolgens dat verzoeker de juridische en de feitelijke motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing kent vermits hij ze concreet aanvecht in het middel, dat verzoeker er met zijn kritiek dat de verwerende partij in die beslissing niet motiveert waarom de overdrachtstermijn wordt verlengd tot het maximum van 18 maanden aan voorbijgaat dat het de verwerende partij is toegestaan die termijn te verlengen tot het maximum van 18 maanden indien de betrokkene blijkt te zijn ondergedoken, dat de termijn van maximum 18 maanden nodig is om de ondergedoken vreemdeling terug te vinden en over te dragen aan de verantwoordelijke lidstaat, dat de aanvankelijk bestreden beslissing een duidelijke motivering bevat waarom de verwerende partij gebruik maakt van deze mogelijkheid en een toelichting waarom verzoeker wordt beschouwd als zijnde ondergedoken en pogende zich te onttrekken aan de bevoegde diensten, dat niet valt in te zien waarom de verwerende partij nog bijkomende motieven zou moeten voorzien inzake de verlenging van de termijn tot 18 maanden, dat in artikel 29.2 van verordening nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend’ (hierna: verordening 604/2013) geen formele motiveringsplicht staat te lezen, dat de formelemotiveringsplicht niet de verplichting impliceert voor een bestuur om te verantwoorden waarom het gebruik maakt van een door de (Europese) wetgever toegekende bevoegdheid, dat zaken die evident zijn niet moeten worden toegelicht, dat een ondergedoken verzoeker niet kan verwachten dat een bestuur nog bijkomende toelichting verschaft omtrent de verlenging van de termijn van overdracht tot maximum 18 maanden en dat tenslotte ook geen wettig belang bij verzoekers kritiek voorhanden blijkt nu hij met zijn kritiek enkel lijkt te beogen dat hij door zijn onderduiken sneller de verantwoordelijkheid van België kan bewerkstelligen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat de gegeven motivering pertinent en draagkrachtig is VII-41.770-2/4 en verzoeker in staat stelt om te begrijpen op welke juridische en feitelijke gegevens de aanvankelijk bestreden beslissing is gesteund, derwijze dat het doel van de formelemotiveringsplicht is bereikt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft met de voormelde overwegingen duidelijk aan waarom hij de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing afdoende acht, zowel met betrekking tot de vaststelling dat verzoeker is ondergedoken en zich poogt te onttrekken aan de bevoegde diensten als met betrekking tot de daaruit voortvloeiende bevoegdheid om de overdrachtstermijn te verlengen tot maximaal 18 maanden. Anders dan verzoeker voorhoudt, vereist de formelemotiveringsplicht voor de toepassing van deze laatste mogelijkheid geen nadere motivering na de vaststelling dat verzoeker ondergedoken is. Verzoekers kritiek is in die mate kennelijk ongegrond.
- Naar luid van artikel 29.2 van verordening 604/2013 kan de termijn voor overdracht van de betrokkene worden verlengd tot maximaal 18 maanden indien de betrokkene onderduikt. De in deze bepaling vervatte bevoegdheid impliceert enkel dat de overdracht moet plaatsvinden binnen maximaal 18 maanden indien tot die verlenging wordt beslist. Ze houdt echter niet dat de overheid een termijn moet kiezen die ten hoogste 18 maanden mag bedragen en vervolgens over de duur van die termijn moet motiveren. Verzoekers kritiek faalt in die mate naar recht en is derhalve kennelijk ongegrond.
- Verzoeker richt zich tegen de overweging in het bestreden arrest dat “[e]en wettig belang bij verzoekers kritiek […] ten slotte ook niet [voorhanden] blijkt nu hij met zijn kritiek enkel lijkt te beogen dat hij door zijn onderduiken sneller de verantwoordelijkheid van België kan bewerkstelligen”. Na de supra behandelde beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van de door verzoeker voorgehouden schending van de formelemotiveringsplicht, dient de overweging in het bestreden arrest als zou verzoeker “ten slotte ook” geen wettig belang hebben bij zijn kritiek op de formele motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing te worden beschouwd als een overtollig motief van het VII-41.770-3/4 bestreden arrest. Een eventuele gegrondheid van verzoekers kritiek tegen dit laatste motief kan de strekking van het bestreden arrest niet hebben beïnvloed en bijgevolg niet leiden tot de cassatie ervan. Het middel is kennelijk niet-ontvankelijk wat de voorgehouden schending van artikel 39/56 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ betreft.
- Het enige middel is derhalve, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 19 januari 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.770-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.187 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div