← België

Cassatiebeschikking 15190 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 19/01/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 19 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.190 Rolnummer: A. 237875/VII-41796 Zaak: Cassatiebeschikking 15190 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 19/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-20 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-10 08:15 Fiche Beschikking nr 15.190 van 19 januari 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.190 van 19 januari 2023 in de zaak A. 237.875/VII-41.796 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Denys kantoor houdend te 1030 Schaarbeek A. Lacomblélaan 59-61 bus 5 bij wie keuze van woonst wordt gedaan tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 8 december 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 280.194 van 16 november 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 21 december 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. In de punten 2.3.1 en 2.3.2 van het bestreden arrest komt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot de vernietiging van de voor hem aangevochten beslissingen van de verwerende partij van 2 juni 2022 en 24 juni 2022 houdende bevel om VII-41.796-1/6 het grondgebied te verlaten en de beslissing van de verwerende partij van 24 juni 2022 tot terugleiding naar de grens, dit op grond van verzoekers derde middel. Hij overweegt in punt 2.4 van het bestreden arrest dat dientengevolge “het eerste middel – waarin een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 5 van de richtlijn 2008/115/EG van het Europees parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied verblijven iuncto artikel 20, eerste lid van de Vreemdelingenwet en de zorgvuldigheidsplicht ‘ingeval van verwijdering […] naar Azerbeidzjan' wordt aangevoerd – en het vijfde middel – dat ‘blijkens de verstrekte uiteenzetting enkel betrekking heeft op het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten van 2 juli 2022 –, evenals de onderdelen van de andere middelen die betrekking hebben op verwijderingsbeslissingen, niet meer [dienen] te worden […] onderzocht”. Daarenboven overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.8 van het bestreden arrest dat, “[w]aar verzoekers raadsman ter terechtzitting aangeeft dat verweerder in de bestreden beslissing tot beëindiging van het verblijf een uiteenzetting omtrent artikel 3 van het EVRM heeft opgenomen en dat de eventuele vaststelling dat hierbij niet deugdelijk werd opgetreden aanleiding kan geven tot de vernietiging van voormelde beslissing, […] het [kan] volstaan op te merken dat hij, met de uiteenzetting in zijn verzoekschrift, niet aantoont dat de beslissing tot beëindiging van het verblijf op zich tot gevolg heeft dat hij een ernstig risico loopt om te worden gefolterd of te worden onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen”.
  3. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enerzijds verzoekers eerste middel niet heeft onderzocht in de mate dat het tegen de op grond van het derde middel vernietigde verwijderingsbeslissingen is gericht en anderzijds dat hij de voorgehouden schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, (hierna: EVRM) in de beslissing tot beëindiging van het verblijf verwerpt in de mate dat deze kritiek ook in het eerste middel voorkomt. Deze motieven zijn niet tegenstrijdig. In de mate dat verzoeker ervan uitgaat dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de voorgehouden schending van artikel 3 van het EVRM door de beslissing tot beëindiging van het verblijf niet heeft onderzocht en beantwoord, berust zijn kritiek op een foutieve lezing van het bestreden arrest. VII-41.796-2/6 Verzoeker werpt wat dat betreft ook een schending op van artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), naar luid waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “uitspraak [doet], bij wijze van arresten, als annulatierechter over de overige beroepen wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht”. Deze bepaling ontzegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet de bevoegdheid om in een annulatieberoep zelf te oordelen tegen welke beslissing (en in welke mate) een middel, een middelonderdeel of de voorgehouden schending van een bepaling of een beginsel is gericht. De schending ervan kan in dit verband niet dienstig worden opgeworpen. Verder voert verzoeker niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in zijn lezing van de middelen uit het verzoek tot nietigverklaring de bewijskracht van dat geschrift zou hebben geschonden. Hij geeft ook niet aan welke concrete kritiek uit zijn eerste middel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou zijn gericht tegen de beslissing tot beëindiging van het verblijf.
  4. Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers concrete argumentatie in het eerste middel beschouwt als betrekking hebbend op (de gevolgen van) zijn verwijdering naar Azerbeidzjan. Verzoeker toont de onwettigheid hiervan niet aan. Verder blijkt uit de overweging in het bestreden arrest dat verzoeker “met zijn uiteenzetting in zijn verzoekschrift, niet aantoont dat de beslissing tot beëindiging van het verblijf op zich tot gevolg heeft dat hij een ernstig risico loopt om te worden gefolterd of te worden onderworpen aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen” duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat verzoeker geen schending van artikel 3 van het EVRM door de beslissing tot beëindiging van het verblijf aantoont.
  5. Het eerste middel is in zijn drie onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-41.796-3/6 Tweede middel
  6. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in punt 2.7.2 van het bestreden arrest dat “[u]it de motivering van de bestreden beslissing tot beëindiging van het verblijf blijkt evenwel dat verweerder het feit dat verzoeker en zijn moeder langdurig samenwoonden en dat zij hem bezocht in de gevangenis bij zijn besluitvorming heeft betrokken”, dat de verwerende partij in die beslissing “heeft geoordeeld dat uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat slechts van een door artikel 8 van het EVRM beschermd gezinsleven tussen meerderjarige kinderen en hun ouders kan worden gesproken indien, naast affectieve banden, een vorm van afhankelijkheid blijkt” en dat de verwerende partij erin “heeft uiteengezet dat een dergelijke afhankelijkheidsband niet kan worden afgeleid uit het feit dat er een financiële ondersteuning wordt gegeven of dat er een gezamenlijke verblijfplaats is”. Hierna gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in op de door verzoeker zelf in het beroep tot nietigverklaring aangehaalde elementen met betrekking tot de voorgehouden afhankelijkheid en hij merkt nog op dat “in de bestreden beslissing tot beëindiging van het verblijf niet wordt gesteld dat wordt aangenomen dat verzoeker alleen kan wonen omdat hij voorheen reeds alleen woonde” en dat verzoeker dan ook onterecht stelt dat de verwerende partij het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door uit te gaan van deze veronderstelling. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat “[v]erzoeker […] met zijn uiteenzetting niet aannemelijk [maakt] dat verweerder een relevant gegeven over het hoofd heeft gezien en onterecht motiveerde dat er geen bijzondere afhankelijkheidsband tussen verzoeker en zijn moeder kan worden vastgesteld die zou toelaten dat zij een beschermenswaardig gezinsleven hebben”. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de wettigheid van de voor hem bestreden beslissing heeft onderzocht wat de voorgehouden schending van artikel 8 van het EVRM betreft, zonder daarbij zijn in artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet vervatte annulatiebevoegdheid te overschrijden.
  7. Het tweede middel is kennelijk ongegrond. VII-41.796-4/6 Derde middel
  8. Naar luid van artikel 23, § 2, van de vreemdelingenwet wordt bij het nemen van de beslissingen tot beëindiging van het verblijf “ook rekening gehouden met het bestaan van banden met zijn land van verblijf of met het ontbreken van banden met zijn land van oorsprong”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst in het bestreden arrest naar een aantal vaststellingen uit de voor hem bestreden beslissing tot beëindiging van het verblijfsrecht en hij besluit dat “[V]erzoekers betoog dat hij geen banden meer heeft met het land waar hij werd geboren en een groot deel van zijn jeugd doorbracht […] hier niets aan [wijzigt]”. Hiermee geeft de eerste rechter aan dat dit gegeven in de beoordeling is betrokken doch geen afbreuk doet aan de overige motieven. Verzoeker beperkt zich thans tot de algemene kritiek dat dit niet zou volstaan in het licht van artikel 23, § 2, van de vreemdelingenwet doch hij laat na aan te geven welke aangevoerde elementen de eerste rechter ten onrechte buiten beschouwing zou hebben gelaten.
  9. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  10. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  11. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. VII-41.796-5/6 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 19 januari 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.796-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.190 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.