id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 30 januari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.215 Rolnummer: A. 237717/VII-41754 Zaak: Cassatiebeschikking 15215 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/01/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-01-31 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-10 08:19 Fiche Beschikking nr 15.215 van 30 januari 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.215 van 30 januari 2023 in de zaak A. 237.717/VII-41.754 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anaïs Goos kantoor houdend te 2018 Antwerpen Broederminstraat 38 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 november 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 278.749 van 17 oktober 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 21 december 2022 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Naar luid van het door verzoeker geschonden geachte artikel 42quater, § 1, 4° van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) “kan er door de minister of zijn gemachtigde binnen vijf jaar na de erkenning van hun recht op verblijf een einde gesteld worden aan het verblijfsrecht van de VII-41.754-1/3 familieleden van een burger van de Unie die zelf geen burger van de Unie zijn en die verblijven in de hoedanigheid van familielid van de burger van de Unie” indien “het huwelijk met de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, wordt ontbonden, het geregistreerd partnerschap dat aangegaan werd, zoals bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, wordt beëindigd, of er […] geen gezamenlijke vestiging meer [is]”. Verzoeker voert aan “dat het louter samenwonen op het moment van de bestreden beslissing volstaat om te kunnen spreken van een gezamenlijke vestiging” in hoofde van hemzelf en de referentiepersoon (zijn schoonbroer) maar dat volgens het bestreden arrest er bijkomend ook nog sprake moet zijn van een bijzondere financiële afhankelijkheidsrelatie, hetgeen hij in strijd acht met het voornoemde van artikel 42quater, § 1, 4°.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest zonder schending van artikel 42quater, § 1, 4°, van de vreemdelingenwet enerzijds dat voor een “gezamenlijke vestiging” “een (permanente) samenwoning niet vereist” is en anderzijds dat “gezamenlijke vestiging” moet worden begrepen “in die zin dat er een ‘gezinscel’ ofwel een daadwerkelijke en effectief beleefde gezinsband moet bestaan”. Waar het te dezen gaat om de beoordeling van de gezinscel tussen meerderjarige schoonbroers, licht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen toe dat het onderhouden van hechte en stabiele banden moet worden beoordeeld “op grond van specifieke feitelijke omstandigheden, zoals financiële afhankelijkheid” en hij acht het “geenszins kennelijk onredelijk dat verweerder eist dat een bijzondere afhankelijkheidsrelatie wordt aangetoond en dat gewone affectieve banden niet volstaan”. Nu de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verder in het bestreden arrest verzoekers kritiek verwerpt tegen de vaststelling in de beslissing van de verwerende partij dat de hechte en stabiele banden niet blijken uit verzoekers stukken, vermocht hij zonder schending van artikel 42quater, § 1, 4°, van de vreemdelingenwet eveneens rekening houden met het ontbreken van een financiële bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen verzoeker en de referentiepersoon. Blijkens de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing van de verwerende partij had verzoeker overigens net aangevoerd dat hij ook na zijn verhuis volledig afhankelijk bleef van de referentiepersoon en dat al zijn kosten bijna volledig werden voldaan door de referentiepersoon. VII-41.754-2/3
- Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertig januari tweeduizend drieëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.754-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.215 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div