← België

Cassatiebeschikking 15241 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/02/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 23 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.241 Rolnummer: A. 238065/VII-41838 Zaak: Cassatiebeschikking 15241 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-24 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-19 11:35 Fiche Beschikking nr 15.241 van 23 februari 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.241 van 23 februari 2023 in de zaak A. 238.065/VII-41.838 In zake : XXXXX vertegenwoordigd door zijn voogd XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Martine De Raedemaeker kantoor houdend te 2800 Mechelen Augustijnenstraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 29 december 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 281.248 van 2 december 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 24 januari 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker acht artikel 48/6, § 3, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) geschonden doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in strijd met deze bepaling een vertaling van een door verzoeker overgelegd en in het Duits opgesteld stuk zou hebben geëist. VII-41.838-1/4 Daargelaten de vaststelling dat in het bestreden arrest enkel wordt opgemerkt dat verzoeker een “onvertaalde beslissing van de Duitse autoriteiten” heeft overgelegd doch dat dit stuk niet uit het debat wordt geweerd, is artikel 48/6, § 3, van de vreemdelingenwet niet van toepassing op de procedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen doch op de behandeling van het verzoek om internationale bescherming door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Verder bepaalt artikel 8 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 ‘houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen’ dat de stukken waarvan de partijen willen gebruik maken moeten vergezeld zijn van een voor eensluidend verklaarde vertaling, indien zij in een andere taal dan deze van de rechtspleging werden opgesteld. Bij gebrek aan een dergelijke vertaling, is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet verplicht deze documenten in overweging te nemen. Verzoekers kritiek faalt in die mate minstens naar recht.
  2. Verzoeker voert aan dat uit de landeninformatie waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich baseert wel zou blijken dat de handelingen waaraan personen met het profiel van professionele gezondheidswerkers/zorgverleners kunnen worden blootgesteld, zo ernstig zijn dat ze neerkomen op vervolging en dat gezinsleden louter door hun verwantschap met de vluchteling een zodanig risico op vervolging zouden kunnen lopen dat dit de basis voor de erkenning als vluchteling zou kunnen vormen. Met die argumentatie vraagt verzoeker in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is.
  3. Volgens verzoeker heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet mee in rekening genomen dat zijn broer in Duitsland verblijft en er de subsidiaire beschermingsstatus heeft gekregen. In het bestreden arrest wordt verzoekers argumentatie dienaangaande als volgt weergegeven: “Verzoeker geeft aan dat ondertussen door de Duitse autoriteiten, dit op 13 juli 2022, een beslissing werd genomen waarbij zijn broer de subsidiaire beschermingsstatus VII-41.838-2/4 werd toegekend. Hierbij wordt opgemerkt dat deze beslissing verzoekers verklaringen ondersteunt wat betreft het feit dat de broers in Iran werden gescheiden waarop zijn broer werd gedeporteerd naar Afghanistan om vervolgens bij een evacuatie naar Oekraïne te zijn gebracht alsook wat betreft het feit dat zijn vader dokter is en dat het gezin op 30 januari 2020 en op 24 april 2020 dreigbrieven ontving.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in antwoord hierop: “Waar verzoeker doorheen zijn verzoekschrift betoogt dat ook zijn broer aangaf dat zijn vader dokter is en hierdoor werd bedreigd door de taliban, kan uit de door verzoeker bijgevoegde onvertaalde beslissing van de Duitse autoriteiten, niet blijken dat er geloof werd gehecht aan diens relaas en dat zijn verklaringen overeenkomen met die van verzoeker, te meer zijn broer niet de vluchtelingenstatus doch de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend.” Hieruit blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, al was hij hiertoe niet verplicht ingevolge het bepaalde in artikel 8 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 ‘houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen’, de beslissing aangaande de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus aan verzoekers broer in Duitsland wel degelijk in zijn beoordeling heeft betrokken en ook motiveert waarom dit niet leidt tot het toekennen van internationale bescherming aan verzoeker zelf. De Raad van State vermag als administratieve cassatierechter niet deze beoordeling over te doen.
  4. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  5. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  6. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-41.838-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 23 februari 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.838-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.241 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.