← België

Cassatiebeschikking 15243 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/02/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 23 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.243 Rolnummer: A. 237873/VII-41794 Zaak: Cassatiebeschikking 15243 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-24 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-19 11:35 Fiche Beschikking nr 15.243 van 23 februari 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.243 van 23 februari 2023 in de zaak A. 237.873/VII-41.794 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Falke Van der Schueren kantoor houdend te 2018 Antwerpen Broederminstraat 38 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 8 december 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 279.897 van 8 november 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 24 januari 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Naar luid van het door verzoeker geschonden geachte artikel 42quater, § 1, 4° van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) “kan er door de minister of zijn gemachtigde binnen vijf jaar na de erkenning van hun recht op verblijf een einde gesteld worden aan het verblijfsrecht van de familieleden van een burger van de Unie die zelf geen burger van de Unie zijn en die VII-41.794-1/4 verblijven in de hoedanigheid van familielid van de burger van de Unie” indien “het huwelijk met de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, wordt ontbonden, het geregistreerd partnerschap dat aangegaan werd, zoals bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, wordt beëindigd, of er […] geen gezamenlijke vestiging meer [is]”. Verzoekster voert in essentie aan dat samenwoning neerkomt op “gezamenlijke vestiging” in de zin van de voornoemde bepaling en dat “enkel wanneer er geen samenwoning is […] men eventueel beroep [kan] doen op de interpretatie van de begrippen gezinscel en daadwerkelijke en effectief beleefde gezinsband waar een financiële afhankelijkheidsrelatie, met vermeld voorbehoud dat de herenigde zelf kan arbeiden, effectief relevant kan zijn”. Volgens haar geeft het bestreden arrest een verkeerde invulling aan het begrip “gezamenlijke vestiging” in het voornoemde artikel 42quater door naast samenwoning ook een bijzondere financiële afhankelijkheid te eisen.
  2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest zonder schending van artikel 42quater, § 1, 4°, van de vreemdelingenwet vast dat enerzijds voor een “gezamenlijke vestiging” “een (permanente) samenwoning niet vereist” is en anderzijds een “gezamenlijke vestiging” moet worden begrepen “in die zin dat er een ‘gezinscel’ ofwel een daadwerkelijke en effectief beleefde gezinsband moet bestaan”. Hij kon dan ook op wettige wijze overwegen: “Hoewel kan worden vastgesteld dat de verzoekende partij en de referentiepersoon samenwonen op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, en dit inderdaad ook niet wordt ontkend door de verwerende partij, vloeit hieruit geenszins voort dat er ook sprake is van een gezamenlijke vestiging. Nog daargelaten de vaststelling dat omtrent een kortstondige samenwoonst na bijna twee jaar apart te hebben verbleven op een ander adres bezwaarlijk kan gesteld worden dat het gaat om een gezamenlijk vestigen, dient te worden vastgesteld dat met het begrip ‘gezamenlijke vestiging’ uit artikel 42quater, §1, 4° van de Vreemdelingenwet, zoals gemotiveerd in de bestreden beslissing en zoals de verzoekende partij overigens zelf aangeeft in haar verzoekschrift, wordt bedoeld een minimum aan (gezins)relatie. De verzoekende partij kan geenszins gevolgd worden waar zij meent – minstens verduidelijkt zij niet waaruit zou kunnen afgeleid worden – dat het enkel samenwonen op een bepaald ogenblik ipso facto impliceert dat er sprake is van een minimum aan gezinsrelatie.” Met verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 september 2012 in de zaak C-83/11, Verenigd Koninkrijk tegen Rahman e.a., overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verder terecht “dat het doel van artikel 3, tweede lid, van de richtlijn 2004/38/EG in het handhaven van de VII-41.794-2/4 gezinseenheid in ruime zin ligt door het vergemakkelijken van de binnenkomst en het verblijf van personen die niet onder de definitie van familielid in de zin van artikel 2,

(2)van de richtlijn vallen maar die niettemin hechte en stabiele familiebanden onderhouden met de Unieburger op grond van specifieke feitelijke omstandigheden, zoals financiële afhankelijkheid”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen licht nog toe “dat het begrip gezamenlijke vestiging inhoudt dat er niet zozeer sprake moet zijn van een permanente samenwoonst maar wel van een daadwerkelijke en effectief beleefde gezinsband” en dat “[i]n het geval van meerderjarige verwanten […] het – eveneens in het licht van de rechtspraak van het EHRM inzake meerderjarige verwanten en ook gelet op de doelstelling van artikel 3, tweede lid van richtlijn 2004/38/EG – geenszins kennelijk onredelijk [is] dat geëist wordt dat een bijzondere afhankelijkheidsrelatie aangetoond wordt en dat gewone affectieve banden niet volstaan”. Waar het te dezen gaat om de beoordeling van de gezinscel tussen meerderjarige schoonzussen, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat het onderhouden van hechte en stabiele banden moet worden beoordeeld “op grond van specifieke feitelijke omstandigheden, zoals financiële afhankelijkheid”. Nu de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verder in het bestreden arrest verzoeksters kritiek verwerpt tegen de vaststelling in de beslissing van de verwerende partij dat de gezinsrelatie en de afhankelijkheidsband niet blijken uit verzoeksters stukken, vermocht hij zonder schending van artikel 42quater, § 1, 4°, van de vreemdelingenwet eveneens rekening te houden met het ontbreken van een financiële bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen verzoekster en de referentiepersoon. 3. Verzoekster zet niet anders dan met de voorgaande kritiek uiteen op welke wijze de overige in het opschrift van het middel aangehaalde bepalingen en beginselen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. 4. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-41.794-3/4 BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. 2. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 23 februari 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.794-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.243 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.