← België

Cassatiebeschikking 15249 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/02/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.249 Rolnummer: A. 238145/VII-41853 Zaak: Cassatiebeschikking 15249 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-28 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-19 11:35 Fiche Beschikking nr 15.249 van 27 februari 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK CA/. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.249 van 27 februari 2023 in de zaak A. 238.145/VII-41.853 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 januari 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 282.003 van 15 december 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 31 januari 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeksters kritiek dat de verwerende partij het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden door alsnog haar aanvraag met toepassing van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 5°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) niet-ontvankelijk te verklaren, VII-41.853-1/4 ondanks de (overschrijding van de) wettelijk voorziene termijn van 10 werkdagen, is niet gericht tegen het bestreden arrest maar tegen de beslissing van de verwerende partij van 18 augustus
  2. Verder zijn het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
  3. Voor zover verzoekster artikel 57/6, § 3, eerste lid, 5°, van de vreemdelingenwet geschonden acht met het bestreden arrest, dient te worden opgemerkt dat de beslissingstermijn van 10 werkdagen wel degelijk een termijn van orde is. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve op wettige wijze besluiten dat de overschrijding van die termijn geenszins tot gevolg heeft dat de verwerende partij niet langer bevoegd zou zijn om het door verzoestker ingediende volgend verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk te verklaren op grond van de voormelde bepaling en met toepassing van artikel 57/6/2, § 1, van de vreemdelingenwet. Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond.
  4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft in het bestreden arrest aan dat volgens verzoekster de voormelde beslissingstermijn van 10 werkdagen werd overschreden, dat derhalve geen beslissing tot niet-ontvankelijkheid meer kon worden genomen op grond van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 5°, van de vreemdelingenwet, dat zodoende ook de redelijketermijneis, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel werden geschonden en dat in de beslissing van de verwerende partij nergens wordt uiteengezet waarom de voornoemde termijn van 10 werkdagen niet kon worden gerespecteerd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest zelf dat de bedoelde beslissingstermijn van 10 werkdagen een louter indicatieve termijn van orde is, dat de vreemdelingenwet geen sanctie voorziet indien deze termijn wordt overschreden en dat een overschrijding van de voornoemde termijn geen verlies van bevoegdheid met zich meebrengt. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is de verwerende partij er in haar beslissing op grond van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 5°, van de vreemdelingenwet niet toe gehouden uitleg te verschaffen VII-41.853-2/4 over het niet naleven van de vooropgestelde termijn en kan uit het overschrijden van die termijn niet worden afgeleid dat het volgend verzoek om internationale bescherming wel ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Met de voormelde overwegingen motiveert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk waarom de overschrijding van de beslissingstermijn te dezen niet leidt tot een schending van de aangehaalde beginselen en waarom de beslissing van de verwerende partij niet nader moest worden gemotiveerd wat het overschrijden van de beslissingstermijn betreft. Verzoekster toont derhalve geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond.
  5. Artikel 39/56 van de vreemdelingenwet heeft betrekking op het belang bij instellen van een in artikel 39/2 van die wet bedoeld beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met het bestreden arrest wordt het belang bij het beroep echter niet ontzegd aan verzoekster. Daarenboven kan verzoeksters kritiek tegen de overweging in het bestreden arrest dat “[v]erzoekster […] ook niet aan[toont] welk belang zij heeft bij het aanvoeren dat haar derde verzoek om internationale bescherming sneller had moeten worden behandeld nu zij niet aantoont te zijn benadeeld door de langere duur van de procedure” niet leiden tot de cassatie van het bestreden arrest. In het licht van de verwerping van verzoeksters overige kritiek supra, zou de eventuele gegrondheid van de kritiek tegen deze laatste overweging immers geen afbreuk doen aan de overige draagkrachtige en niet onwettig bevonden motieven van het bestreden arrest. De voorgehouden schending kan de strekking van het bestreden arrest niet hebben beïnvloed. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk. VII-41.853-3/4 BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 27 februari 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.853-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.249 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.