id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.250 Rolnummer: A. 238115/VII-41844 Zaak: Cassatiebeschikking 15250 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-02-28 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-19 11:36 Fiche Beschikking nr 15.250 van 27 februari 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK CA/. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.250 van 27 februari 2023 in de zaak A. 238.115/VII-41.844 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 6 januari 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 282.488 van 23 december 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 31 januari 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoekers kritiek dat de verwerende partij het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden door alsnog zijn aanvraag met toepassing van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 5°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) niet-ontvankelijk te verklaren, ondanks de (overschrijding van de) wettelijk voorziene termijn van 10 werkdagen, is niet gericht tegen VII-41.844-1/3 het bestreden arrest maar tegen de beslissing van de verwerende partij van 8 augustus
- Verder zijn het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
- Voor zover verzoeker artikel 57/6, § 3, eerste lid, 5°, van de vreemdelingenwet geschonden acht met het bestreden arrest, dient te worden opgemerkt dat de beslissingstermijn van 10 werkdagen wel degelijk een termijn van orde is. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve op wettige wijze besluiten dat de overschrijding van die termijn geenszins tot gevolg heeft dat de verwerende partij niet langer bevoegd zou zijn om het door verzoeker ingediende volgend verzoek om internationale bescherming niet- ontvankelijk te verklaren op grond van de voormelde bepaling en met toepassing van artikel 57/6/2, § 1, van de vreemdelingenwet. Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft in het bestreden arrest aan dat volgens verzoeker de voormelde beslissingstermijn van 10 werkdagen werd overschreden, dat zodoende ook de redelijketermijneis, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel werden geschonden, dat in de beslissing van de verwerende partij geen enkele reden werd gegeven voor het niet respecteren van die termijn, dat zodoende moet worden aangenomen dat er geen geldige redenen zijn voor de overschrijding van de termijn en het nemen van de beslissing en dat verzoeker de overschrijding theoretisch toelicht. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest zelf dat de bedoelde beslissingstermijn van 10 werkdagen een termijn van orde is, dat de vreemdelingenwet geen sanctie voorziet indien deze termijn wordt overschreden en dat een overschrijding van de voornoemde termijn geen verlies van bevoegdheid met zich meebrengt. Net met de voormelde overwegingen geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen impliciet doch zeker aan waarom de overschrijding van de beslissingstermijn te dezen niet leidt tot een schending van de aangehaalde beginselen. Dit vergt geen nadere motivering nadat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eerst ook VII-41.844-2/3 heeft vastgesteld dat verzoeker met betrekking tot de voorgehouden schending van de formelemotiveringsplicht slechts “een theoretische uiteenzetting” geeft. Verzoeker toont derhalve geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Het enige middel is ook in die mate kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 27 februari 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.844-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.250 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div