id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 28 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.253 Rolnummer: A. 238255/VII-41885 Zaak: Cassatiebeschikking 15253 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-02 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-19 11:36 Fiche Beschikking nr 15.253 van 28 februari 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK CA/ BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.253 van 28 februari 2023 in de zaak A. 238.255/VII-41.885 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Decleer kantoor houdend te 8000 Brugge Gentpoortstraat 46 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 januari 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 282.234 van 21 december 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 7 februari 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoeker werpt een schending op van artikel 43 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) en voert hierbij aan dat deze bepaling een evenredigheidstoets vereist doch dat de in casu gemaakte belangenafweging kennelijk onredelijk is doordat onvoldoende rekening werd gehouden met zijn specifieke situatie: verzoeker kan niet terug naar zijn geboorteland, hij spreekt VII-41.885-1/5 Nederlands en hij is nergens nog thuis. Verzoeker kan deze kritiek echter niet dienstig opwerpen vermits hij daarmee niet de volgende beoordeling in het bestreden arrest ontkracht dat artikel 43 van de vreemdelingenwet te dezen niet van toepassing is: “De Raad stelt echter vast dat artikel 43, § 2 van de Vreemdelingenwet niet van toepassing is op verzoekers geval. Deze bepaling geldt immers voor de weigering van de binnenkomst en het verblijf van de burgers van de Unie en hun familieleden. Verzoeker heeft dergelijke hoedanigheid echter niet. Hij gaat eraan voorbij dat de bestreden beslissingen steunen op wetsbepalingen die een omzetting vormen van de Terugkeerrichtlijn. Verzoeker valt dus niet onder de Burgerschapsrichtlijn waarvan artikel 43, § 2 van de Vreemdelingenwet een omzetting vormt. Bijgevolg diende verweerder bij het nemen van de bestreden beslissingen geen rekening te houden met de elementen die zijn vervat in artikel 43, § 2 van de Vreemdelingenwet. Verzoeker kan dan ook niet dienstig uitweiden over de aspecten “duur van het verblijf” en “binding met het land van oorsprong” die kunnen worden teruggevonden in voormelde bepaling.”
- Verzoeker verwijst naar de duur van zijn verblijf in België en het gebrek aan binding met zijn land van oorsprong. Op grond daarvan acht hij de in het bestreden arrest gemaakte beoordeling disproportioneel en in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest: “3.
- Waar verzoeker een schending van artikel 8 van het EVRM opwerpt en hierbij verwijst naar zijn nieuwe partner, B.S, naar zijn echtgenote en dochter en naar zijn familie alhier, wijst de Raad erop dat de bestreden beslissingen hierover motiveren. 3.14.
- Zo kan hierin vooreerst worden gelezen dat verzoeker mevrouw B.S. bij het uitoefenen van zijn hoorrecht niet vermeldt als partner, hoewel op 7 oktober 2021 het ongestoord gevangenisbezoek van B.S. aan verzoeker startte. Verweerder motiveerde vervolgens: ‘Voor wat betreft zijn relatie, kan worden opgemerkt dat hij in gebreke blijft om met voldoende concrete elementen aannemelijk te maken dat zijn relatie als gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM is te beschouwen.’ Verzoeker haalt dit niet onderuit en toont geen beschermenswaardig gezinsleven met B.S. aan door zijn eenvoudig betoog dat zij de Belgische nationaliteit heeft, dat hij met haar een relatie wil opbouwen, te poneren dat ze om hem geeft en hierbij slechts te verwijzen naar de kopie van haar identiteitskaart en één kort whatsappbericht in de bijlages bij het verzoekschrift. Het betreft dan nog een e-mailbericht van H.D. gericht aan H.D. zelf met de melding, ‘Aub kunt u iets voor hem doen dan hij van daar vrij is hij is mijn vriend en ik wacht op hem en hoop dat alles goed afloopt’. Op dit e-mailbericht werd manueel aangebracht, ‘boodschap van B.S.’, waardoor het weinig bewijswaarde kan worden toegedicht. Het dateert bovendien van 12 september 2022 en dus van na de bestreden VII-41.885-2/5 beslissingen waardoor verweerder dit ook niet in zijn beoordeling kon betrekken. De regelmatigheid van een administratieve beslissing dient te worden beoordeeld in functie van de gegevens waarover het bestuur ten tijde van het nemen van deze beslissing kon beschikken […].Verzoeker brengt ten slotte ook niets in tegen de vaststelling in de bestreden beslissingen, ‘Betrokkene heeft nooit gepoogd recht op verblijf te bekomen op basis van zijn familiale situatie.’ 3.14.
- Verzoeker verklaarde tijdens zijn gehoor wel aan verweerder sinds 2012 een duurzame relatie te hebben met F.N., van Bulgaarse/Turkse nationaliteit, met wie hij samen een minderjarige dochter heeft, E.N. Verzoeker betwist op geen enkele wijze de vaststellingen in de bestreden beslissingen dat het laatste gevangenisbezoek van F.N. en E.N. plaatsvond op 25 april 2021 en dat beiden daarna op 17 december 2021 werden afgevoerd van ambtswege. Verzoeker stelt zelf in zijn synthesememorie: ‘Hij hoorde niets meer van zijn voormalige partner’. Een beschermenswaardig gezinsleven met hen blijkt dan ook niet langer. Verzoeker toont niet aan dat dit wel het geval is door zijn eenvoudig betoog dat hij ervan overtuigd is dat ze beiden nog in België vertoeven, dat hij hen wil vinden, dat het zijn bedoeling is om met hen beiden contact op te nemen, zijn dochtertje te leren kennen en mee op te voeden. Hiermee bevestigt verzoeker trouwens dat hij ook geen contact heeft met zijn dochter. Om tussen een minderjarig kind en zijn ouder een voldoende graad van ‘gezinsleven’ vast stellen, die valt onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM, is de samenwoning van de ouder met het minderjarig kind niet noodzakelijk. Wel moeten andere factoren worden voorgelegd die aantonen dat de relatie tussen de betrokken ouder en het minderjarig kind voldoende standvastig is om de facto gezinsbanden te creëren […], quod non in casu. Verzoeker heeft immers geen contact meer met zijn dochter, hij heeft zelfs geen kennis van haar huidige verblijfplaats. Verzoeker brengt ten slotte zoals reeds gezegd ook niets in tegen de vaststelling in de bestreden beslissingen ‘Betrokkene heeft nooit gepoogd recht op verblijf te bekomen op basis van zijn familiale situatie.’ 3.14.
- Voor wat betreft de andere in België verblijvende familieleden, kan in de bestreden beslissingen worden gelezen dat enkel zijn moeder, een zus en een oom op legale wijze in het Rijk verblijven. Voorts motiveert verweerder: ‘Betrokkene verklaarde dat al zijn familieleden in België wonen. Er kan worden opgemerkt dat overeenkomstig de rechtspraak van het EHRM […] slechts van een door artikel 8 van het EVRM beschermd familie- en gezinsleven tussen verwanten kan worden gesproken indien, naast de afstammingsband, een vorm van afhankelijkheid blijkt. Er liggen thans geen stavingsstukken voor die dergelijke afhankelijkheid tussen hem en één van deze verwanten aantoont.’ Verzoeker toont niet aan dat deze beoordeling strijdig is met artikel 8 van het EVRM en toont geen afhankelijkheid aan van zijn familieleden door louter op te lijsten welke familieleden in België vertoeven en hem regelmatig bezoeken in de gevangenis, door voor sommigen van hen een kopie van de verblijfsvergunning te verstrekken bij het verzoekschrift alsook te poneren dat zijn zussen een goed contact met hem hebben. Verzoeker brengt ten slotte zoals reeds gezegd ook niets in tegen de vaststelling in de bestreden beslissingen ‘Betrokkene heeft nooit gepoogd recht op verblijf te bekomen op basis van zijn familiale situatie.’ 3.14.
- Verzoeker brengt concluderend niets aan dat de overwegingen die in de bestreden beslissingen figureren in het licht van zijn gezinsleven onderuit halen. Hij kan zich niet dienstig verschuilen achter het gegeven dat hij van de gevangenis onmiddellijk naar een gesloten centrum werd overgebracht en derhalve geen stukken kon voorleggen van zijn familieleden en zijn huidige partner ten bewijze van een gezinsleven met hen en van zijn afhankelijkheid van hen. Immers, indien er daadwerkelijk sprake was van een gezinsleven met hen zou dit blijken uit brieven, berichten, geldoverschrijvingen e.d. die hij zou hebben ontvangen toen hij in de gevangenis vertoefde. VII-41.885-3/5 3.
- Voor wat betreft verzoekers privéleven kan in de bestreden beslissingen worden gelezen: ‘Het loutere feit dat betrokkene banden heeft gecreëerd met België valt niet onder de in artikel 8 van EVRM geboden bescherming. De ‘gewone' sociale relaties worden door deze bepaling niet beschermd en betrokkene toont niet aan dat de door hem opgebouwde integratie en sociale relaties van die aard en intensiteit zijn dat zij, in casu, wel onder de bescherming van artikel 8 EVRM zouden kunnen vallen.’ Waar verzoeker lijkt voor te houden dat geen rekening werd gehouden met zijn jarenlange verblijf en integratie in België, gaat hij eraan voorbij dat dit geen legaal verblijf is geweest en dat de verwerende partij er uitdrukkelijk op heeft gewezen dat hij een ministerieel besluit tot terugwijzing, dat in werking is getreden op 19 april 2017, naast zich heeft neergelegd. Verder blijkt ook duidelijk dat verzoeker ernstige strafbare feiten heeft gepleegd. Een louter lang verblijf in België toont niet ipso facto aan dat er alhier een beschermenswaardig privéleven werd opgebouwd. Verzoeker brengt geen concrete gegevens aan waaruit blijkt dat hij zodanige sociale, culturele en professionele banden heeft opgebouwd met de Belgische samenleving dat hij gewag kan maken van een privéleven dat valt onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM. De door verzoeker gepleegde ernstige strafbare feiten vormen daarenboven een tegenindicatie van het geïntegreerd zijn in de Belgische samenleving. 3.
- Voor zover toch een beschermenswaardig privéleven moet worden aangenomen, wenst de Raad te benadrukken dat het verblijf van verzoeker in België steeds illegaal of precair was en dat hij een ministerieel besluit tot terugwijzing kreeg opgelegd. Verzoeker diende er zich in deze omstandigheden dan ook van bewust te zijn dat hij het grondgebied diende te verlaten en het privéleven in België dus evenzeer precair was. Indien zulke situatie zich voordoet, dan zal enkel in uitzonderlijke omstandigheden een schending van artikel 8 van het EVRM worden vastgesteld […]. Verzoeker toont, door louter de elementen op te lijsten die zijn zaak kenmerken, niet aan dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die maken dat de bestreden beslissingen disproportioneel zijn in het licht van artikel 8 van het EVRM. 3.
- Waar verzoeker betoogt dat ‘geen inmenging […] mogelijk [is] tenzij dit ter bescherming van de openbare orde is. Dit is hier niet het geval.’, kan hij vooreerst niet dienstig opwerpen dat er sprake is van een inmenging in zijn gezinsleven in de zin van artikel 8, tweede lid van het EVRM. Immers betreft zijn situatie geen voortgezet verblijf. Ten tweede kan hij, gelet op wat in de bestreden beslissingen kan worden gelezen, bezwaarlijk betogen dat er geen sprake is van bescherming van de openbare orde. 3.
- Ten slotte voert verzoeker kort aan dat de duurtijd van het opgelegde inreisverbod, vijftien jaar, disproportioneel is ‘daar hij geen land van herkomst heeft in zijn ogen. Hij leefde in België, liep er school,… Zijn familie woont in België, zijn vriendin woont in België, zijn dochter woont in België’. De Raad stelt vast dat verweerder op elk van deze elementen concreet ingaat en bij de vaststelling van de duurtijd van het inreisverbod wel degelijk een afweging heeft gemaakt, rekening houdend met de specifieke omstandigheden eigen aan verzoekers geval. Door de elementen die zijn zaak kenmerken te benadrukken en te poneren dat ‘Zijn familie en partner in België hopen dat hij hen snel kan vervoegen. Het is niet ernstig te stellen dat ze hem in zijn land van herkomst kunnen komen opzoeken. Dit om de reden dat hij niet aanvoelt dat er een ander land is dan België waar hij zich thuis voelt. Familie en vriendin zouden zich volgens verweerster naar hem kunnen begeven, Zij spreken echter geen van allen de taal [...]’, toont verzoeker niet aan dat verweerder zijn discretionaire appreciatiebevoegdheid voor het bepalen van de duur van het inreisverbod op een kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze heeft ingevuld.” VII-41.885-4/5 Verzoeker herhaalt slechts in het kort zijn voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerde argumentatie doch hij gaat niet in op de voormelde concrete motieven uit het bestreden arrest waarmee zijn kritiek wordt verworpen. Op die wijze toont hij derhalve geen schending aan van artikel 8 van het EVRM door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Verder betreft de vraag of de gemaakte beoordeling al dan niet disproportioneel of onredelijk is de grond van de zaak, waarover de Raad van State zich als administratieve cassatierechter niet vermag uit te spreken.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 28 februari 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.885-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.253 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div