← België

Cassatiebeschikking 15254 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/02/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 28 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.254 Rolnummer: A. 238141/VII-41850 Zaak: Cassatiebeschikking 15254 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-02 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-19 11:36 Fiche Beschikking nr 15.254 van 28 februari 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK CA/. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.254 van 28 februari 2023 in de zaak A. 238.141/VII-41.850 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 11 januari 2023, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 281.222 van 30 november 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 31 januari 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Algemeen
  2. Verzoeker werpt in het opschrift van het enige middel de schending op van een hele reeks bepalingen. In de uiteenzetting van de drie onderdelen van het enige middel gaat hij slechts in op een aantal van deze bepalingen. Verzoekers kritiek wordt hierna VII-41.850-1/5 in die mate behandeld. De schending van de overige bepalingen is op kennelijk niet- ontvankelijke wijze opgeworpen. Eerste middelonderdeel
  3. Naar luid van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft eenieder recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Anders dan verzoeker voorhoudt, wordt deze bepaling niet geschonden, enkel door het feit dat “de procedure louter schriftelijk is” bij een rechtscollege. Evenmin houdt een schriftelijke procedure op zich een schending in van het recht van verdediging. Verzoekers kritiek faalt in die mate naar recht. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat het de partijen en hun advocaat op grond van artikel 39/60 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) is toegestaan hun opmerkingen mondeling voor te dragen ter terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Uit het proces- verbaal van de terechtzitting blijkt echter dat verzoeker zelf niet is verschenen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen doch werd vertegenwoordigd door zijn advocaat die er heeft gepleit. Dat verzoeker gedurende de administratieve procedure niet werd gehoord door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, doet geen afbreuk aan het voorgaande. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft te dezen immers op grond van de devolutieve werking van het beroep kennis genomen van de zaak in haar geheel en hij heeft uitspraak gedaan met hervormingsbevoegdheid.
  4. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet – al waren ze verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengen zijn VII-41.850-2/5 beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet werden nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. In het bestreden arrest wordt concreet ingegaan op de door verzoeker aangehaalde elementen waaruit zijn “gepercipieerde verwestersing” zou blijken. Na te hebben vastgesteld dat verzoeker leugenachtige verklaringen heeft afgelegd over onder meer zijn verblijfplaatsen en levensomstandigheden vóór zijn komst naar België, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat, zelfs indien kan worden aangenomen dat verzoeker een deel van zijn vormende jaren buiten Afghanistan heeft doorgebracht en de wijze waarop deze jaren werden beleefd een invloed kunnen hebben op een persoon, verzoeker nalaat in concreto aan te tonen dat louter zijn verblijf in Europa hem dermate zou hebben verwesterd dat hij niet zou kunnen terugkeren naar en/of aarden in Afghanistan. Na te zijn ingegaan op de overige door verzoeker concreet aangevoerde elementen van “verwestersing”, oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoekers hier ontwikkelde westerse levensstijl nog niet maakt dat hij niet in de mogelijkheid zou zijn “to play the game” of dat zijn gedragingen doordrongen zouden zijn van een zodanig (onbewuste) verandering, dat hij bij een terugkeer naar Afghanistan zou worden aanzien als “besmet” door de westerse waarden en als iemand die de sociale normen niet respecteert en in die zin een risico op vervolging zou lopen. Verzoeker maakt geen tegenstrijdigheid in de motivering aannemelijk door te wijzen op enerzijds de voormelde motieven en anderzijds het feit dat hij niet persoonlijk werd gehoord door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Zoals reeds vermeld, was verzoeker overigens niet in persoon aanwezig op de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Verder hoort de beoordeling of het al dan niet nodig was een verzoeker in persoon te horen tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de VII-41.850-3/5 feitenrechter en derhalve tot de grond van de zaak, waarover de Raad van State zich niet vermag uit te spreken als administratieve cassatierechter. Tweede middelonderdeel
  5. Het administratieve dossier van de dienst Vreemdelingenzaken met betrekking tot een aanvraag op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet behoort niet tot het administratieve dossier van de huidige zaak, namelijk een volgend (derde) verzoek om internationale bescherming. Er valt niet in te zien welke schending van artikel 39/59 van de vreemdelingenwet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te dezen had moeten vaststellen.
  6. In zijn aanvullende nota voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de huidige zaak vermeldt verzoeker “een kopie van de aanvraag tot regularisatie die ingediend werd en melding maakt van deze elementen van integratie, o.a. dat hij deelgenomen heeft aan een programma van sponsoring ‘Live in Color’ en was aanwezig aan verschillende ontmoetingen, voordat COVID-19 dit onmogelijk was”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermeldt deze argumentatie vrijwel letterlijk en oordeelt dat verzoeker nalaat dit te staven met bewijsstukken en evenmin aannemelijk maakt wat verzoeker precies heeft gedaan in het kader van het aangehaalde programma en wat dat programma inhoudt. Verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan de jurisdictionele motiveringsplicht. Derde middelonderdeel
  7. Verzoeker citeert uit zijn beroepschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn argumentatie betreffende de gevolgen van “verwestersing” bij een terugkeer naar Afghanistan. Hij voert aan dat de specifieke omstandigheden van zijn integratie niet worden geanalyseerd in het bestreden arrest. Verzoeker gaat voorbij aan de omstandige motivering in de punten 4.4.3 en 4.4.4 van het bestreden arrest, waarin uitgebreid wordt ingegaan op de door verzoeker aangehaalde elementen van “verwestersing” en waarin wordt geoordeeld dat ze geen nieuwe elementen vormen die de kans op internationale bescherming aanzienlijk groter maken. Verzoeker gaat er in dit verband overigens aan voorbij dat met het bestreden arrest VII-41.850-4/5 geen toepassing wordt gemaakt van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet, de enige bepaling waarvan hij de schending in dit middelonderdeel opwerpt. Conclusie
  8. Het enige middel is in al zijn onderdelen, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLUIT:
  9. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  10. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 28 februari 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.850-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.254 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.