← België

Cassatiebeschikking 15255 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/02/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 28 februari 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.255 Rolnummer: A. 238200/VII-41867 Zaak: Cassatiebeschikking 15255 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/02/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-02 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-19 11:36 Fiche Beschikking nr 15.255 van 28 februari 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK CA/. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.255 van 28 februari 2023 in de zaak A. 238.200/VII-41.867 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bobber Loos kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 9 januari 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 281.060 van 28 november 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 31 januari 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker voert eerst aan dat de “nieuwheid van de elementen” dient te worden onderscheiden van “de bewijskracht ervan”, dat “de vraag of de elementen die verzoeker voorlegt bij zijn volgend verzoek nieuw zijn moet onderscheiden worden van de vraag of deze elementen bewijzen dat hij homoseksueel is” en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “de lat voor dit volgend onderzoek [legt] bij objectief en VII-41.867-1/4 onweerlegbaar bewijs van de geaardheid”, hetgeen verzoeker “juridisch echter zonder grond” acht. Naar luid van artikel 57/6/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) onderzoekt de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, na ontvangst van het volgend verzoek, bij voorrang of er nieuwe elementen of feiten aan de orde zijn, of door de verzoeker zijn voorgelegd, die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 in aanmerking komt. Bij gebrek aan dergelijke elementen of feiten verklaart hij het volgend verzoek niet- ontvankelijk. De commissaris-generaal (en in geval van beroep de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, zoals te dezen) onderzoekt derhalve niet enkel het “nieuwe” karakter van de als dusdanig aangevoerde elementen maar hij onderzoekt ook de inhoud ervan. Hij gaat immers na of ze al dan niet “de kans aanzienlijk groter maken” dat de betrokkene in aanmerking komt voor internationale bescherming. Anders dan verzoeker voorhoudt, wordt in het bestreden arrest niet gesteld dat verzoeker daartoe te dezen een “objectief en onweerlegbaar bewijs van de geaardheid” moet bewijzen. Verder behoort het onderzoek of de aangevoerde nieuwe elementen al dan niet de kans aanzienlijk groter maken op internationale bescherming tot de grond van de zaak, zodat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet vermag er zich over uit te spreken.
  2. Verzoeker laat gelden dat van de aangevoerde nieuwe elementen niet kan worden verwacht dat ze “sluitend of objectief bewijs leveren van de seksuele gerichtheid” doch dat het hoogstens gaat om ”indicaties met variërend gewicht waar de verzoeker extra uitleg over kan verschaffen en die elk op zich en in relatie tot elkaar beoordeeld horen te worden”. In het bestreden arrest wordt geen vereiste van “sluitend of objectief bewijs” vermeld. Zoals reeds aangehaald, behoort het verdere onderzoek of de aangevoerde VII-41.867-2/4 nieuwe elementen al dan niet de kans aanzienlijk groter maken op internationale bescherming tot de grond van de zaak.
  3. Verzoeker wijst op zijn “recente verklaringen en documenten” waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (in navolging van de commissaris- generaal) niet betwist dat het om “nieuwe elementen” gaat doch wel positie inneemt “over de bewijswaarde en bewijskracht van de elementen in kwestie: kan vaststellingen niet wijzigen, zijn niet objectief, louter gesolliciteerd dus kan niet ondersteunen, bewijswaarde nihil, kan niet staven, mogelijk geënsceneerd,…”. Verzoeker toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met dergelijk onderzoek zijn bevoegdheid overschrijdt die erin bestaat na te gaan of de aangevoerde nieuwe elementen al dan niet de kans aanzienlijk groter maken op internationale bescherming.
  4. Volgens verzoeker maakt “de beoordeling van de bewijskracht van nieuwe elementen […] evenwel géén deel uit van de ontvankelijkheidsfase van een volgende verzoek”. Bij het onderzoek of de aangevoerde nieuwe elementen al dan niet de kans aanzienlijk groter maken op internationale bescherming, is het de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet verboden ook de bewijskracht van de voorgelegde stukken te betrekken. Verzoekers kritiek faalt in die mate naar recht. In de mate dat verzoeker aanvoert dat “het volstaat dat een van de documenten of verklaringen de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker in aanmerking komt voor internationale bescherming” en dat, “gezien al deze documenten en verklaringen betrekking hebben op verzoekers praktijken en identiteit als homoseksuele man […] het effectief [gaat] om dergelijke elementen en is aan die tweede voorwaarde voldaan”, stelt hij een andere beoordeling van de zaak zelf voor, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is. Met de algemene kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “niet daadwerkelijk [heeft] geantwoord op de kritiek van VII-41.867-3/4 verzoekende partij” toont verzoeker ook geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
  5. De verwijzing in het cassatieberoep naar “een ander arrest [van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen] in het kader van een volgend verzoek om internationale bescherming, meer bepaald een achtste verzoek, van een Iraanse bekeerling tot het christendom”, vermag geen afbreuk te doen aan het voorgaande. Ieder (al dan niet volgend) verzoek om internationale bescherming wordt individueel beoordeeld en de arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hebben geen bindende precedentswaarde.
  6. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLUIT:
  7. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  8. Verzoeker verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 28 februari 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.867-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.255 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.