id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.267 Rolnummer: A. 238072/VII-41840 Zaak: Cassatiebeschikking 15267 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-07 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-10 08:33 Fiche Beschikking nr 15.267 van 6 maart 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.267 van 6 maart 2023 in de zaak A. 238.072/VII-41.840 In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tine Bricout en Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Oostakker Orchideestraat 61 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Françoise Jacobs kantoor houdend te 1050 Brussel Kroonlaan 88 bij wie woonplaats wordt gekozen ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 29 december 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 281.279 van 2 december 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 24 januari 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste onderdeel van het enige middel VII-41.840-1/6
- De verzoekende partij voert aan dat noch artikel 74/13 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) noch artikel 5 van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 ‘over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven’ (hierna: richtlijn 2008/115) een formelemotiveringsplicht inhoudt en dat deze artikelen enkel bepalen dat bij het nemen van een beslissing tot verwijdering rekening moet worden gehouden met een aantal belangen. Ze voorzien niet dat ook specifiek en uitdrukkelijk dient te worden gemotiveerd omtrent de in deze artikelen bepaalde belangen. Waar de verzoekende partij terecht aanvoert dat noch artikel 74/13 van de vreemdelingenwet noch artikel 5 van richtlijn 2008/115 een formelemotiveringsplicht oplegt bij het nemen van een beslissing tot verwijdering, dient te worden opgemerkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest deze plicht niet afleidt uit de voormelde artikelen maar wel uit artikel 12 van richtlijn 2008/
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit niet tot een schending van de formelemotiveringsplicht van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet (dat inderdaad geen bijzondere motiveringsplicht oplegt) doch slechts van de formelemotiveringsplicht “in het licht van” dit laatste artikel. In die optiek berust de kritiek van de verzoekende partij op een verkeerde lezing van het bestreden arrest.
- Uit de behandeling van het tweede middelonderdeel infra blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel de in artikel 62 van de vreemdelingenwet en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991) vervatte formelemotiveringsplicht geschonden acht en dat de kritiek van de verzoekende partij tegen die beoordeling ongegrond is. Bijgevolg kan zelfs een eventuele schending van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet de strekking van het bestreden arrest niet hebben beïnvloed en derhalve niet leiden tot de cassatie van dat arrest. VII-41.840-2/6 Tweede onderdeel van het enige middel
- Artikel 74/13 en artikel 52/3, § 1, van de vreemdelingenwet doen geen afbreuk aan de formelemotiveringsplicht die voortvloeit uit artikel 62 van de vreemdelingenwet en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli
- Met het bestreden arrest wordt de beslissing van de verzoekende partij, zoals reeds aangegeven, enkel vernietigd omdat niet zou zijn voldaan aan deze laatste bepalingen en “in het licht van” , dus niet op grond van, artikel 74/13 van de vreemdelingenwet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst in het bestreden arrest op de uit artikel 62 van de vreemdelingenwet en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 voortvloeiende verplichtingen, namelijk “dat de overheid in de akte zelf de juridische en feitelijke overwegingen opneemt die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een ‘afdoende’ wijze”. Hij vervolgt dat de motieven kenbaar moeten zijn, hetzij vóór de beslissing wordt genomen, hetzij ten laatste met de eindbeslissing, dat een aanpak van het bestuur waarbij de mededeling van de motieven afhankelijk wordt gemaakt van het initiatief van de bestuurde, niet verenigbaar is met de formelemotiveringsplicht en dat de mededeling van de motieven nadat het beroep reeds werd ingediend – bijvoorbeeld via een later procedurestuk zoals de nota of via de neerlegging van het administratief dossier – de miskenning van de formelemotiveringsplicht niet kan goedmaken. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen staat te dezen niet vast dat huidige verweerder inzage had in het administratief dossier vóór het indienen van het beroep. Hij overweegt: “Een uitzondering op de voormelde formele motiveringsplicht kan worden gemaakt wanneer de betrokken vreemdeling kennis krijgt van het stuk met daarin de beoordeling van de elementen waarmee krachtens artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet rekening moet worden gehouden, ten laatste op het ogenblik waarop hij in kennis wordt gesteld van het bevel om het grondgebied te verlaten en zijn beroepstermijn tegen dat bevel begint te lopen. In dat geval weet de betrokkene immers dat de verwerende partij, alvorens over te gaan tot het nemen van een terugkeerbesluit, rekening heeft gehouden met de bedoelde elementen én kent hij ook de motieven die tot het oordeel van de gemachtigde hebben geleid, zodat hij zich er in rechte tegen kan verweren en een doeltreffende rechtsbescherming dus is gegarandeerd. Ter zake kan alleen maar worden vastgesteld dat in casu geen sprake is van een dergelijke uitzondering. De verzoekende partij werd via de motieven van de bestreden beslissing niet in de mogelijkheid gesteld na te gaan of werd uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of die gegevens correct werden beoordeeld, en of op grond daarvan in redelijkheid kon worden gekomen tot het nemen van de bestreden beslissing, opdat zij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. VII-41.840-3/6 De Raad benadrukt dat de verwerende partij duidelijk zelf van mening was dat minstens het familie- en gezinsleven van de verzoekende partij met haar echtgenote en minderjarig kind een belangrijk element was om rekening mee te houden, daar zij dit familie- en gezinsleven in de nota ‘Evaluatie artikel 74/13’ van 16 april 2022 heeft beoordeeld. Aldus blijkt duidelijk dat de motieven hieromtrent wel essentieel zijn. Het valt dan ook niet te begrijpen dat de motieven inzake dit gezinsleven niet zijn opgenomen in de bestreden beslissing zelf, zodat de verzoekende partij er – samen met de andere determinerende motieven van de beslissing – kennis van kon nemen en zo in staat werd gesteld zich hiertegen, indien gewenst, te verdedigen. […] Een schending van de formele motiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 en in artikel 62, §2 van de Vreemdelingenwet, en in het licht van artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet, wordt aannemelijk gemaakt.” De voormelde theoretische toelichting bij de in artikel 62 van de vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 vervatte formelemotiveringsplicht is niet in strijd met de inhoud ervan. De huidige verzoekende partij betwist niet dat haar voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bestreden beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten niet de inhoud vermeldt van de nota “Evaluatie artikel 74/13” van 16 april 2022 noch enige verwijzing naar die nota bevat. Met de vaststelling dat huidige verweerder “via de motieven van de bestreden beslissing niet in de mogelijkheid [werd] gesteld na te gaan of werd uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of die gegevens correct werden beoordeeld, en of op grond daarvan in redelijkheid kon worden gekomen tot het nemen van de bestreden beslissing, opdat zij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden” en dat de motieven uit de nota “Evaluatie artikel 74/13” betreffende het gezins- en familieleven blijkbaar essentieel zijn voor de aangevochten beslissing, geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan dat de beoordeling van het gezins- en familieleven het dragende motief vormt van de beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten, dat het dus niet gaat om de gronden voor die motivering en dat dit motief niet blijkt uit de kwestieuze beslissing. Met deze beoordeling geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen verkeerde inhoud aan artikel 62 van de vreemdelingenwet of de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli
- Verder treedt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en onderzoekt hij dus niet zelf het al dan niet afdoende karakter van de motivering van de meergenoemde beslissing. Derde onderdeel van het enige middel
- De verzoekende partij voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, door te overwegen dat de mededeling van de motieven nadat VII-41.840-4/6 het beroep reeds werd ingediend – bijvoorbeeld via een later procedurestuk zoals de nota of via de neerlegging van het administratief dossier – de miskenning van de formelemotiveringsplicht niet kan goedmaken, zich steunt op de (volgens de verzoekende partij onjuiste) premisse dat een bijzondere motiveringsplicht bestaat omtrent de in artikel 74/13 van de vreemdelingenwet opgesomde elementen. Uit de behandeling van de vorige middelonderdelen blijkt dat het bestreden arrest niet is gesteund op een schending van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet maar op een schending van de in artikel 62 van de vreemdelingenwet en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 vervatte motiveringsplicht en dat die beoordeling niet onwettig is. Vierde onderdeel van het enige middel
- De verzoekende partij stelt in ondergeschikte orde een prejudiciële vraag voor om te weten of artikel 5 van richtlijn 2008/115 een formelemotiveringsplicht inhoudt betreffende de overeenkomstig dat artikel in aanmerking te nemen elementen. Uit de behandeling van de vorige middelonderdelen blijkt dat het bestreden arrest niet is gesteund op een schending van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet iuncto artikel 5 van richtlijn 2008/115 maar op een schending van artikel 62 van de vreemdelingenwet en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli
- De voorgestelde prejudiciële vraag is derhalve niet dienstig voor de oplossing van het geschil. Conclusie
- Het enige middel is in al zijn onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-41.840-5/6 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zes maart tweeduizend drieëntwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.840-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.267 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div