← België

Cassatiebeschikking 15274 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/03/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.274 Rolnummer: A. 238043/VII-41836 Zaak: Cassatiebeschikking 15274 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-10 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-15 02:03 Fiche Beschikking nr 15.274 van 9 maart 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK CA/. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.274 van 9 maart 2023 in de zaak A. 238.043/VII-41.836 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kati Verstrepen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 26 december 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 280.733 van 24 november 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 24 januari 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste onderdeel van het enige middel
  2. Naar luid van het door verzoeker geschonden geachte artikel 42quater, § 1, 4° van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: VII-41.836-1/5 vreemdelingenwet) “kan er door de minister of zijn gemachtigde binnen vijf jaar na de erkenning van hun recht op verblijf een einde gesteld worden aan het verblijfsrecht van de familieleden van een burger van de Unie die zelf geen burger van de Unie zijn en die verblijven in de hoedanigheid van familielid van de burger van de Unie” indien “het huwelijk met de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, wordt ontbonden, het geregistreerd partnerschap dat aangegaan werd, zoals bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, wordt beëindigd, of er […] geen gezamenlijke vestiging meer [is]”. Verzoeker laat gelden dat hij op het moment van de beslissing van de verwerende partij wel degelijk verbleef op hetzelfde adres als zijn zus, de referentiepersoon van Nederlandse nationaliteit, dat de beëindigingsgrond uit het voornoemde artikel 42quater, § 1, 4°, bijgevolg niet van toepassing is en dat daarom “het subsidiaire criterium, met name de ‘daadwerkelijk en effectief beleefde gezinsband’ of de ‘afhankelijkheidsband’, […] niet in de plaats gesteld [kan] worden van het primaire criterium van de gezamenlijke vestiging, die wel vervuld was in het geval van verzoeker op het moment van de bestreden beslissing”. Volgens verzoeker diende de verwerende partij “eerst […] na te gaan of er sprake was van samenwoonst, en slechts in subsidiaire orde, met name in het geval dat er geen sprake meer was van samenwoonst, […] of er (bij gebrek aan samenwoonst) wel nog een afhankelijkheidsband bestaat tussen verzoeker en zijn zus die een beëindiging van het verblijf in de weg zou staan”.
  3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest zonder schending van artikel 42quater, § 1, 4°, van de vreemdelingenwet vast dat enerzijds voor een “gezamenlijke vestiging” “een (permanente) samenwoning niet vereist” is en anderzijds een “gezamenlijke vestiging” moet worden begrepen “in die zin dat er een ‘gezinscel’ ofwel een daadwerkelijke en effectief beleefde gezinsband moet bestaan”. Al vormt een verblijf op hetzelfde adres geen noodzakelijke voorwaarde, een louter verblijf op hetzelfde adres volstaat niet om een “gezamenlijke vestiging” uit te maken. Verzoekers kritiek, die ervan uitgaat dat louter het verblijf op hetzelfde adres als de referentiepersoon, zijn zus, reeds volstaat om als “gezamenlijke vestiging” te gelden, zonder dat een daadwerkelijke en effectief beleefde gezinsband moet blijken, faalt derhalve naar recht. VII-41.836-2/5 Tweede middelonderdeel
  4. Verzoeker wijst op zijn in artikel 15 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie vervatte vrijheid van beroep en recht om te werken. De loutere verwijzing in het bestreden arrest naar de (ruime) discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij volstaat volgens verzoeker niet om dit streven naar een menswaardig bestaan, namelijk door te werken, onvoldoende te achten om de beëindiging van verzoekers verblijfsrecht in de weg te staan. Hij acht hierdoor ook artikel 149 van de Grondwet geschonden.
  5. Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gewezen op zijn recht op werk en aangevoerd dat de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij niet zo ruim is dat zij zou mogen oordelen dat verzoekers streven naar werk en aldus naar een menswaardig bestaan niet zou volstaan om de beëindiging van verzoekers verblijfsrecht in de weg te staan. Anders dan verzoeker thans voorhoudt, is de motivering in het bestreden arrest in antwoord op deze kritiek niet beperkt tot de vaststelling dat het verzoekers eigen keuze was om te gaan werken en dat dit de beëindiging van het verblijfsrecht niet in de weg staat. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt immers ook: “Verder ontneemt de verwerende partij an sich de verzoekende partij het recht niet om te werken maar is de verwerende partij enkel nagegaan of verzoekende partij binnen de door de wetgever voorziene tijdspanne nog voldoet aan de voorwaarden voor haar verblijf in België, meer bepaald of zij minstens drie jaar gezamenlijk gevestigd is geweest met de referentiepersoon waarvan zij stelde ten laste te zijn. In casu blijkt evenwel dat dit niet het geval is, zodat de verwerende partij op grond van artikel 42quater van de vreemdelingenwet is overgegaan tot de beëindiging van het verblijf van verzoekende partij. Verzoekende partij maakt met haar betoog niet aannemelijk dat de verwerende partij artikel 42quater van de vreemdelingenwet verkeerd toepast door specifieke vereisten te stellen wat betreft de aard en de duur van de afhankelijkheid. Er blijkt niet dat de verwerende partij het begrip ‘gezamenlijke vestiging’ op een verkeerde manier heeft toegepast. De wetskritiek die de verzoekende partij verder uit, kan niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. De Raad herhaalt voorts nogmaals dat verzoekende partij als ander familielid niet aantoont dat zij – vanaf het moment dat haar verblijfsrecht werd toegekend – moet aanzien worden als familielid in de zin van artikel 2 van de Burgerschapsrichtlijn en maakt zij met haar betoog evenmin aannemelijk dat een schending van artikel 1 of 15 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie voorligt. Zoals duidelijk blijkt uit het verslag van 14 april 2014 van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio’s VII-41.836-3/5 over de toepassing van het EU-Handvest van de grondrechten dienen de lidstaten het Handvest slechts in acht te nemen wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, zoals bepaald in artikel 51 van het Handvest. De in casu betrokken nationale bepaling vormt evenwel geen uitvoering van een bepaling van het Unierecht. Bovendien benadrukt de Raad, voor zover als nodig, dat de rechten verbonden aan het Unieburgerschap onderworpen blijven aan de voorwaarden en grenzen die van toepassing zijn op het Unierecht waarop zij zijn gebaseerd, en verzoekende partij evenmin aantoont dat artikel 42quater van de vreemdelingenwet zoals toegepast in casu de effectiviteit van de doelstelling van de Burgerschapsrichtlijn ondermijnt.” Hiermee geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan waarom hij het door verzoeker ingeroepen recht op werk niet geschonden acht en waarom het feit dat verzoeker werkt de beëindiging van zijn verblijf niet in de weg staat. Verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Verzoeker toont evenmin een schending aan van artikel 15 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, nu de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze heeft geoordeeld dat de verwerende partij met de beslissing tot beëindiging van het verblijf verzoeker niet het recht op werk ontneemt maar enkel vaststelt dat verzoeker niet meer voldoet aan de voorwaarde van “gezamenlijke vestiging” zoals bedoeld in artikel 42quater, § 1, tweede lid, van de vreemdelingenwet. Het enkele feit dat verzoekers tewerkstelling mede wordt betrokken in de beoordeling van de beëindiging van zijn (afgeleid) verblijfsrecht houdt geen schending in van het voornoemde artikel
  6. De in dit verband door verzoeker verder ingeroepen schending van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel betreft de beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is. Conclusie
  7. Het enige middel is in zijn beide onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-41.836-4/5 BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  9. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 9 maart 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.836-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.274 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.