← België

Cassatiebeschikking 15275 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/03/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.275 Rolnummer: A. 238001/VII-41828 Zaak: Cassatiebeschikking 15275 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-10 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-10 08:35 Fiche Beschikking nr 15.275 van 9 maart 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK CA/. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.275 van 9 maart 2023 in de zaak A. 238.001/VII-41.828 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Katrin Verhaegen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE HOUTHALEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 21 december 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 280.166 van 16 november 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 24 januari 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Uit het bestreden arrest blijkt, hetgeen niet wordt betwist, dat verzoeker op 1 oktober 2021 een (vijfde) aanvraag tot gezinshereniging heeft ingediend in functie van zijn Belgische vader die geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer, zodat het gaat om “een zuiver interne situatie” waarop artikel 40ter, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) van toepassing is. Het VII-41.828-1/4 wordt evenmin betwist dat de beslissing van de verwerende partij die heeft geleid tot het bestreden arrest werd genomen meer dan zes maanden na het indienen van de voornoemde aanvraag.
  2. In het bestreden arrest wordt over de door verzoeker opgeworpen schending van de artikelen 40ter en 42 van de vreemdelingenwet en artikel 52, § 4, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenbesluit) geoordeeld: “Het door verzoeker geschonden geachte artikel 52, §4 van het Vreemdelingenbesluit kan evenmin leiden tot een andersluidend oordeel. Zoals gezegd is het kernpunt van artikel 42, § 1, eerste lid van de Vreemdelingenwet dat een recht op verblijf slechts kan worden erkend indien blijkt dat werd voldaan aan de gestelde voorwaarden voor de erkenning van het verblijfsrecht. Geen enkele bepaling hierin regelt de gevolgen van de overschrijding van de erin vermelde termijn van zes maanden die de overheid heeft om uitspraak te doen over de aanvraag tot verblijf van meer dan drie maanden. In een koninklijk besluit kan dan ook niet worden bepaald dat een recht op verblijf, na het verstrijken van een termijn, steeds automatisch dient te worden erkend terwijl de wetgever heeft vastgelegd dat dit recht slechts kan worden erkend indien blijkt dat aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Aangezien artikel 159 van de Grondwet bepaalt dat de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toepassen in zoverre zij met de wetten overeenstemmen, houden de voorgaande vaststellingen in dat verzoeker niet nuttig kan verwijzen naar artikel 52, § 4, tweede lid van het Vreemdelingenbesluit. De reglementaire bepaling waarvan de onwettigheid wordt vastgesteld moet door de Raad immers buiten toepassing worden gelaten (RvS 20 december 2017, nr. 240.240).”
  3. Artikel 42, § 1, van de vreemdelingenwet luidt: “Het recht op een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk wordt zo snel mogelijk en ten laatste zes maanden volgend op de datum van aanvraag zoals bepaald in § 4, tweede lid, erkend aan de burger van de Unie en zijn familieleden onder de voorwaarden en voor de duur door de Koning bepaald overeenkomstig de Europese verordeningen en richtlijnen. Bij de erkenning wordt rekening gehouden met het geheel van de elementen van het dossier.” Artikel 52, § 4, tweede lid, van het vreemdelingenbesluit bepaalt: “Indien de Minister of zijn gemachtigde het verblijfsrecht toekent of als er geen enkele beslissing is genomen binnen de termijn bepaald bij artikel 42, van de wet, geeft de burgemeester of zijn gemachtigde aan de vreemdeling een ‘verblijfkaart van een familielid van een burger van de Unie’ overeenkomstig het model van bijlage 9 af.” VII-41.828-2/4 Artikel 42, § 1, van de vreemdelingenwet stelt dus als algemene regel dat een erkenning van het recht op verblijf van meer dan drie maanden dient te gebeuren binnen de zes maanden volgend op de datum van de indiening van de aanvraag en dat de Koning de voorwaarden voor de erkenning en de duur van het verblijfsrecht bepaalt. Deze bepaling voorziet echter niet welke de gevolgen zijn indien de voormelde termijn van 6 maanden wordt overschreden, noch geeft ze de Koning de bevoegdheid om de gevolgen van een overschrijding van die termijn te bepalen. Artikel 52, § 4, van het vreemdelingenbesluit vindt wat dat betreft geen rechtsgrond in artikel 42 van de vreemdelingenwet
  4. Gelet op het voorgaande, faalt verzoekers kritiek naar recht als zou uit artikel 42 van de vreemdelingenwet en/of artikel 54, § 4, tweede lid, van de vreemdelingenwet een verplichting volgen voor de verwerende partij om een verblijfskaart af te geven na het verstrijken van de termijn zes maanden na het indienen van de aanvraag tot gezinshereniging, voor zover binnen die termijn geen beslissing is genomen. Dat in het bestreden arrest ook wordt verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 juni 2018 in de zaak C-246/17 terwijl het te dezen gaat om een zuiver interne situatie, doet geen afbreuk aan het voorgaande.
  5. Verzoeker betwist de motivering van het bestreden arrest enkel inhoudelijk. Hij kan daarmee geen schending aannemelijk maken van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
  6. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  7. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  8. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. VII-41.828-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 9 maart 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.828-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.275 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.