← België

Cassatiebeschikking 15276 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/03/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.276 Rolnummer: A. 237980/VII-41819 Zaak: Cassatiebeschikking 15276 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-10 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-10 08:35 Fiche Beschikking nr 15.276 van 9 maart 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK CA/. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.276 van 9 maart 2023 in de zaak A. 237.980/VII-41.819 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan De Lien kantoor houdend te 2018 Antwerpen Broederminstraat 38 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 20 december 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 280.161 van 16 november 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 24 januari 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Naar luid van het door verzoekster geschonden geachte artikel 42quater, § 1, 4° van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) “kan er door de minister of zijn gemachtigde binnen vijf jaar na de erkenning van hun recht op verblijf een einde gesteld worden aan het verblijfsrecht van de VII-41.819-1/4 familieleden van een burger van de Unie die zelf geen burger van de Unie zijn en die verblijven in de hoedanigheid van familielid van de burger van de Unie” indien “het huwelijk met de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, wordt ontbonden, het geregistreerd partnerschap dat aangegaan werd, zoals bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, wordt beëindigd, of er […] geen gezamenlijke vestiging meer [is]”. Verzoekster voert in essentie aan dat loutere samenwoning neerkomt op “gezamenlijke vestiging” in de zin van de voornoemde bepaling en dat “enkel wanneer er geen samenwoning is […] men eventueel beroep [kan] doen op de interpretatie van de begrippen gezinscel en daadwerkelijke en effectief beleefde gezinsband waar een financiële afhankelijkheidsrelatie, met vermeld voorbehoud dat de herenigde zelf kan arbeiden, effectief relevant kan zijn”. Volgens haar geeft het bestreden arrest een verkeerde invulling aan het begrip “gezamenlijke vestiging” in het voornoemde artikel 42quater door naast samenwoning ook een bijzondere financiële afhankelijkheid te eisen.
  2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest met verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie onder meer: “In het arrest van 15 september 2022 (zaak C-22/21) heeft het Hof verder geduid dat artikel 3, lid 2 van richtlijn 2004/38/EG drie hypotheses bevat, waarbij het duidelijk is dat het ‘andere familielid’ in de zin van deze bepaling een band met de betrokken Unieburger moet hebben die verder gaat dan simpelweg samenwonen om louter praktische redenen: ‘In de eerste hypothese, namelijk die waarin het andere familielid ten laste is van de Unieburger, gaat het om financiële afhankelijkheid. De tweede hypothese, te weten die waarin het ‘andere familielid’ om ernstige gezondheidsredenen persoonlijke verzorging door de Unieburger behoeft, betreft uitdrukkelijk een situatie van lichamelijke afhankelijkheid. In deze context moet de in het hoofdgeding aan de orde zijnde hypothese, namelijk die waarin het andere familielid inwoont bij de Unieburger, in die zin worden begrepen dat ook daarmee wordt gedoeld op een situatie van afhankelijkheid, die in dat geval gebaseerd is op de hechte en duurzame band tussen beiden.’ (overweging 23) Het Hof vervolgt dat een ‘ander familielid’, “om te kunnen worden beschouwd als inwonend in de zin van artikel 3, lid 2, eerste alinea, onder a), van richtlijn 2004/38 bij een Unieburger die in het gastland een verblijfsrecht geniet, het bewijs [moet] leveren dat hij met die burger een nauwe en duurzame persoonlijke band heeft waaruit blijkt dat er een reële situatie van afhankelijkheid tussen beiden bestaat en dat zij een huishouden delen dat niet is voorgewend met het oog op de binnenkomst en het verblijf in die lidstaat (zie in die zin arrest van 5 september 2012, Rahman e.a., C- 83/11, EU:C:2012:519, punt 38).’ (overweging 26)“ VII-41.819-2/4 Mede in het licht van deze rechtspraak, vermocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zonder schending van artikel 42quater, § 1, 4°, van de vreemdelingenwet te oordelen dat voor een “gezamenlijke vestiging” in de zin van deze laatste bepaling louter het verblijf op hetzelfde adres als de referentiepersoon niet volstaat. Waar het te dezen gaat om de beoordeling van de gezinscel tussen een meerderjarige zus (verzoekster) en een meerderjarige broer (de referentiepersoon), vermocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze rekening te houden met de feitelijke omstandigheden van de zaak, waaronder het ontbreken van een financiële afhankelijkheidsrelatie. Verder behoort de beoordeling van die concrete omstandigheden, waaronder te dezen de tewerkstelling en de inkomsten van verzoekster sedert 1 juli 2019, het feit dat verzoekster sedert 4 januari 2022 stond ingeschreven op een ander adres dan de referentiepersoon en het feit dat verzoekster zich na de ontvangst van een verzoek om haar individuele situatie toe te lichten zodat kon worden getoetst of zij eventueel toch verder het verblijfsrecht kon uitoefenen, zich op 12 april 2022 terug liet inschrijven op het adres van de referentiepersoon, tot de beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is.
  3. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. VII-41.819-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 9 maart 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.819-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.276 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.