id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 16 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.292 Rolnummer: A. 238055/VII-41837 Zaak: Cassatiebeschikking 15292 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-20 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-10 08:38 Fiche Beschikking nr 15.292 van 16 maart 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.292 van 16 maart 2023 in de zaak A. 238.055/VII-41.837 In zake :
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Najat Joundi kantoor houdend te 2140 Antwerpen Turnhoutsebaan 158 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 20 december 2022, strekt tot de cassatie van arrest nr. 279.945 van 10 november 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 24 januari 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel
- De verzoekers hernemen volledig hun eerste voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerd middel en stellen vervolgens dat de Raad voor VII-41.837-1/4 Vreemdelingenbetwistingen onterecht aanneemt “dat er enige vorm van afhankelijkheid moet zijn tussen betrokkenen om te spreken van een gezinscel”. Om te voldoen aan de in artikel 42quater, § 1, 4°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) bedoelde “gezamenlijke vestiging” is enerzijds geen (permanente) samenwoning vereist maar dient anderzijds, ook bij een verblijf van de betrokkene(n) op hetzelfde adres als de referentiepersoon, een gezinscel te bestaan, dit is een daadwerkelijke en effectief beleefde gezinsband. Hierbij mag rekening worden gehouden met het al dan niet bestaan van een financiële afhankelijkheidsrelatie. De kritiek van de verzoekers, waarin wordt uitgegaan van het tegendeel, faalt in die mate naar recht.
- De verzoekers houden vervolgens voor dat zij “een uitgebreide documentatie en toelichting [hebben] verschaft aan verweerster en tijdens de pleidooien ook toelichting [hebben] gegeven van de bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen verzoeker en het gezin van de neef”, doch dat “hier geen rekening mee [werd] gehouden”. In het bestreden arrest wordt vanaf punt 2.9 tot en met punt 2.11.7 omstandig ingegaan op de diverse door de verzoekers aangehaalde elementen. De verzoekers gaan hier volledig aan voorbij en tonen dan ook geenszins aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening heeft gehouden met hun argumentatie bij de beoordeling van de wettigheid van de beslissing van de verwerende partij van 29 juni
- Verder treedt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en is hij bijgevolg niet bevoegd om de beoordeling van de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerde elementen of van de motieven van de beslissing van de verwerende partij over te doen.
- De verzoekers zetten niet, minstens niet anders dan met de voormelde ongegrond bevonden kritiek, uiteen op welke wijze de overige aangehaalde bepalingen en beginselen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest.
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-41.837-2/4 Tweede middel
- De verzoekers hernemen volledig hun tweede voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerd middel en stellen vervolgens dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “het feit dat verzoeker en zijn neef al meer dan 5 jaar samen zijn niet ernstig heeft genomen” terwijl “verzoeker […] in België verankerd [is] en […] zijn gezin naar België heeft gebracht omdat hij hier economisch actief kan zijn en voor hen kan zorgen”. De verzoekers vragen hiermee in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is. Bovendien gaan zij voorbij aan de beoordeling in het bestreden arrest van de belangenafweging die in de beslissing van de verwerende partij van 29 juni 2022 werd gemaakt in het licht van het privéleven van de verzoekers in België.
- Het tweede middel is kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 24 euro, elk voor de helft. VII-41.837-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 16 maart 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.837-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.292 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.