id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 16 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.293 Rolnummer: A. 238191/VII-41866 Zaak: Cassatiebeschikking 15293 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-20 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-10 08:38 Fiche Beschikking nr 15.293 van 16 maart 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.293 van 16 maart 2023 in de zaak A. 238.191/VII-41.866 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charles Buytaert kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 16 januari 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 281.792 van 14 december 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 10 februari 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel VII-41.866-1/6
- De materiëlemotiveringsplicht is als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest.
- Verzoeker werpt de schending op van artikel 149 van de Grondwet omdat in het bestreden arrest niet zou zijn geantwoord “op alle duidelijke en omstandige verweermiddelen van verzoeker”. Met dergelijke algemene en niet gefundeerde stelling geeft verzoeker niet aan op welke wijze de jurisdictionele motiveringsplicht zou zijn geschonden, laat staan dat hij een daadwerkelijke tekortkoming in de motivering aantoont. In de mate dat verzoeker artikel 149 van de Grondwet verder geschonden acht doordat in het bestreden arrest de “terugkeergevolgen” voor hem niet zijn onderzocht, geeft hij evenmin aan op welke elementen uit het verzoekschrift tot beroep niet zou zijn geantwoord.
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
- Verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het verzoek om internationale bescherming “onterecht” heeft afgewezen en hij citeert daartoe omstandig “objectieve informatie die volledig van toepassing is op verzoeker als Koptisch Christen met een rurale achtergrond”. Verzoeker herhaalt zijn eigen standpunt ten gronde doch hij gaat niet in op de motivering in het bestreden arrest met de beoordeling van de voorhanden zijnde landeninformatie. Bovendien vraagt verzoeker met het huidige middel in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is.
- Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Derde middel VII-41.866-2/6
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is een administratief rechtscollege dat jurisdictionele beslissingen uitspreekt, te dezen met hervormingsbevoegdheid, waarop “het recht op behoorlijk bestuur zoals vervat in art. 41 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en art. 8 lid 2 Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005” niet van toepassing is. Verzoeker kan zich bovendien in een cassatieberoep tegen een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet dienstig beroepen op een schending van artikel 27 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 ‘tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen’. Het derde middel is in die mate kennelijk niet- ontvankelijk.
- Verzoeker voert nog de schending aan van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: EVRM), doordat in het bestreden arrest geen rekening wordt gehouden met het lot van terugkerende asielzoekers naar Egypte. Verzoeker argumenteert dat “de bestreden beslissing [zich] beperkt […] tot het bevestigen van de beslissing van het CGVS, zonder echter vast te stellen naar welk land hij dan ingevolge de negatieve asielbeslissing zou moeten worden verwezen”, zodat geen onderzoek zou zijn gedaan naar een risico op schending van artikel 3 van het EVRM bij een terugkeer naar verzoekers land van herkomst. Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 3 van het EVRM vermeld in het opschrift van zijn enig middel. Concreet heeft hij enkel aangevoerd dat uit de begrippen “zwaarwegende gronden” en “reëel risico” in artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) “een individueel onderzoek van de concrete situatie waarin de betrokkene zich bevindt” volgt en dit “naar analogie met de maatstaf die het EHRM hanteert bij de boordeling van artikel 3 EVRM, waardoor niet alleen rekening dient te worden gehouden met wat gekend is over de situatie in het land van herkomst van de asielzoeker doch ook met diens persoonlijke situatie”. In het bestreden arrest wordt vastgesteld dat verzoeker geen enkel motief inzake de geloofwaardigheid van zijn persoonlijk asielrelaas weerlegt, dat de in de beslissing van de verwerende partij in aanmerking genomen veelheid van landeninformatie VII-41.866-3/6 actueel blijft en dat verzoekers argumentatie over Koptische christenen met een rurale achtergrond niet relevant is vermits hij niet afkomstig is uit een rurale omgeving en hij in een aantal steden heeft verbleven, zodat geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet blijkt. Met betrekking tot de subsidiaire beschermingsstatus op grond van artikel 48/4, § 2, a) en b), van de vreemdelingenwet wordt verwezen naar de voormelde vaststellingen. Verder wordt vastgesteld dat verzoeker niet de analyse betwist dat actueel voor burgers geen reëel risico bestaat om het slachtoffer te worden van een ernstige bedreiging van hun leven of hun persoon als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict (artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft derhalve het risico in geval van terugkeer naar het land van herkomst onderzocht in het licht van de in artikel 48/4 van de vreemdelingenwet bedoelde subsidiaire beschermingsstatus en daarbij ook verzoekers persoonlijke situatie betrokken. Verzoeker zet niet uiteen in welke mate en toont derhalve ook niet aan in welke mate dat onderzoek zou tekortschieten. De verwijzing naar een ander land dan het land van herkomst in geval van terugkeer is dan ook niet aan de orde.
- Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Vierde middel
- Daargelaten de vraag of verzoeker zich rechtstreeks kan beroepen op Richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 van het Europees Parlement en de Raad ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’, beperkt hij zich in het vierde middel tot de loutere bewering dat “niet alle elementen die voorlagen of voor konden liggen bij de beoordeling van de asielaanvraag [werden] betrokken” daar “de asielmotieven en terugkeermogelijkheden niet deugdelijk [werden] onderzocht”, zonder op enige wijze nader uiteen te zetten met welke concrete elementen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening zou hebben gehouden of welke concrete elementen niet deugdelijk zouden zijn onderzocht.
- Het vierde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. VII-41.866-4/6 VII-41.866-5/6 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 16 maart 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.866-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.293 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div