← België

Cassatiebeschikking 15294 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/03/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 16 maart 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.294 Rolnummer: A. 238210/VII-41869 Zaak: Cassatiebeschikking 15294 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 16/03/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-03-20 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-10 08:38 Fiche Beschikking nr 15.294 van 16 maart 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.294 van 16 maart 2023 in de zaak A. 238.210/VII-41.869 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 20 januari 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 282.954 van 10 januari 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 10 februari 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist VII-41.869-1/3 zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. Uit het bestreden arrest blijkt dat verzoeker in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring onder het kopje “Tijdigheid ratione temporis” heeft aangevoerd dat de beslissing van de verwerende partij dateert van 30 juni 2022 (hierna: aanvankelijk bestreden beslissing) maar hem “niet op een rechtmatige wijze” werd betekend daar ze werd gestuurd naar het adres Grote Baan 111 te Sint-Niklaas terwijl verzoeker het daar gevestigde opvangcentrum heeft moeten verlaten op 28 april 2022, dat hij dus geen post meer kon ontvangen op dat adres en dat hij met een e-mail van 6 mei 2022 de verwerende partij zijn nieuw adres te Blankenberge heeft meegedeeld, zodat hij het beroep tot nietigverklaring tijdig heeft ingesteld en het minstens gaat om een situatie van overmacht. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dat verzoeker op 23 februari 2022 met een aangetekende brief het adres van het opvangcentrum aan de Grote Baan 111 te Sint-Niklaas heeft opgegeven als gekozen woonplaats, dat elke wijzing van de gekozen woonplaats overeenkomstig artikel 51/2, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) moet worden meegedeeld met een ter post aangetekende brief, dat de mail van verzoekers raadsman van 6 mei 2022 niet kan worden beschouwd als een geldige wijziging van de gekozen woonplaats en dat de aanvankelijk bestreden beslissing bijgevolg rechtsgeldig werd betekend met de aangetekende brief naar de gekozen woonplaats aan de Grote baan 111 te Sint-Niklaas. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen treedt verzoeker niet bij dat de kennisgeving van de aanvankelijk bestreden beslissing niet rechtsgeldig zou zijn en de beroepstermijn niet zou zijn beginnen lopen. Hij besluit dat 25 augustus 2022 de laatste nuttige dag was om het beroep in te dienen, dat het op 28 september 2022 ingediende verzoekschrift laattijdig is en dat het beroepschrift geen uiteenzetting betreffende het bestaan van overmacht bevat, zodat het beroep niet-ontvankelijk ratione temporis is. VII-41.869-2/3 Met de voormelde overwegingen antwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk op verzoekers argumentatie waarom het ingediende beroep tijdig zou zijn en dat er sprake zou zijn van overmacht. Verzoeker toont geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet.
  2. Verzoeker heeft geen overmacht aangevoerd wat betreft het feit dat zijn raadsman de wijziging van de gekozen woonplaats niet heeft meegedeeld op de door artikel 51/2, vierde lid, van de vreemdelingenwet bepaalde wijze. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht dan ook zonder schending van het begrip “overmacht” te aanvaarden dat de kennisgeving van de aanvankelijk bestreden beslissing op wettige wijze is gebeurd, zodat het beroep tot nietigverklaring laattijdig is ingesteld. Verder behoort de vraag of een feitelijke situatie al dan niet overmacht vormt tot de grond van de zaak, waarover de Raad van State zich als administratieve cassatierechter niet kan uitspreken.
  3. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 16 maart 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.869-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.294 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.