← België

Cassatiebeschikking 15314 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 03/04/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 03 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.314 Rolnummer: A. 238309/VII-41898 Zaak: Cassatiebeschikking 15314 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 03/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-04-07 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-10 08:45 Fiche Beschikking nr 15.314 van 3 april 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK CA/. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.314 van 3 april 2023 in de zaak A. 238.309/VII-41.898 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 1 februari 2023, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 283.132 van 13 januari 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 21 februari 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. Verzoekster acht de bewijswaarde van het gehoorverslag bij de dienst Vreemdelingenzaken (hierna: DVZ) “(bijzonder) relatief” en zij voert aan dat de vermeende verschillen tussen het gehoor bij de DVZ en het onderhoud op het commissariaat- VII-41.898-1/3 generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: CGVS) daarom niet van aard zijn om de geloofwaardigheid te ontnemen van haar asielrelaas. De beoordeling van de bewijswaarde van stukken en van de opgenomen verklaringen van een verzoeker om internationale bescherming behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de rechter ten gronde. De Raad van State treedt als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en vermag zich dan ook niet uit te spreken over de impact van de verschillen tussen het gehoor bij de DVZ en bij het CGVS op de geloofwaardigheid van het asielrelaas.
  3. Verzoekster acht artikel 51/10 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ geschonden omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich in navolging van de beslissing van de verwerende partij steunt op tegenstrijdigheden tussen verzoeksters verklaringen bij de DVZ en het CGVS, zonder na te gaan of verzoekster akkoord was gegaan met het verslag van haar interview van 24 januari 2020 bij de DVZ. De voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing van de verwerende partij van 8 september 2022 is mede gesteund op tegenstrijdigheden tussen verzoeksters verklaringen van 24 januari 2020 bij de DVZ en haar latere verklaringen op het CGVS. Verzoekster heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen schending opgeworpen van artikel 51/10 van de vreemdelingenwet, hoewel zij hiertoe in de gelegenheid was. Bijgevolg mag zij deze schending niet voor het in het verzoekschrift tot cassatie opwerpen.
  4. Verzoekster werpt een schending op van artikel 48/6 van de vreemdelingenwet, die zij echter niet anders toelicht dan met de voorgaande niet- ontvankelijk bevonden kritiek. Verder behoort de beoordeling van de relevantie van tegenstrijdigheden in opeenvolgende verklaringen van een verzoeker om internationale bescherming tot de grond van de zaak, waarover de Raad van State zich niet vermag uit te spreken als cassatierechter.
  5. Het eerste middel is kennelijk niet-ontvankelijk. VII-41.898-2/3 Tweede middel
  6. Hoewel de beslissing van de verwerende partij van 8 september 2022 mede was gesteund op het feit dat verzoekster “maar weinig haast vertoond heeft” om een verzoek om internationale bescherming in te dienen, hetgeen concreet werd gemotiveerd in die beslissing, heeft verzoekster voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen schending opgeworpen van artikel 50, § 1, van de vreemdelingenwet, terwijl zij hiertoe wel in de gelegenheid was. Bovendien behoort de beoordeling van verzoeksters gedrag en het tijdsverloop vóór het indienen van een verzoek om internationale bescherming tot de grond van de zaak, waarover de Raad van State zich niet vermag uit te spreken als cassatierechter. Het tweede middel is kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
  7. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  8. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 3 april 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.898-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.314 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.