id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.330 Rolnummer: A. 238262/VII-41886 Zaak: Cassatiebeschikking 15330 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-04-18 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-10 08:47 Fiche Beschikking nr 15.330 van 6 april 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.330 van 6 april 2023 in de zaak A. 238.262/VII-41.886 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rahim Aktepe kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 95 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 26 januari 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 282.510 van 23 december 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 10 februari 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door verzoeker aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn, net als artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, niet van toepassing op jurisdictionele VII-41.886-1/5 beslissingen zoals het bestreden arrest. Al kan de Raad van State als cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de voor hem bestreden beslissing (hierna: aanvankelijk bestreden beslissing) de inhoud van die beginselen of bepalingen zou hebben geschonden, de Raad van State kan zich daarbij niet in de plaats van de annulatierechter stellen om zelf te oordelen of de voornoemde beginselen of bepalingen waren geschonden met de aanvankelijk bestreden beslissing of niet. Verzoeker kan derhalve in de graad van cassatie niet op ontvankelijke wijze aanvoeren dat de aanvankelijk bestreden beslissing op onzorgvuldige wijze was genomen, onredelijk was of niet afdoende was gemotiveerd en dat het bestreden arrest dit had moeten vaststellen.
- Volgens verzoeker had de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moeten vaststellen dat de verwerende partij in de aanvankelijk bestreden beslissing geen evenwichtige en redelijke beoordeling heeft gemaakt van alle in het geding zijnde belangen, minstens van de belangen van het gehele gezin. Verzoeker herneemt in wezen zijn voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerde kritiek en hij gaat voorbij aan de concrete motieven van het bestreden arrest betreffende de vereiste belangenafweging. Verder behoort de feitelijke afweging van die belangen tot de grond van de zaak, waarover de Raad van State zich niet vermag uit te spreken als cassatierechter.
- Hetzelfde geldt voor verzoekers kritiek dat onvoldoende rekening werd gehouden met zijn persoonlijk gedrag en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit had moeten vaststellen.
- Verzoeker voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “haar eigen justitiële motiveringsverplichting” heeft geschonden omdat het niet ter zake zou doen of er al dan niet een inreisverbod bestond. Volgens verzoeker had de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest moeten vaststellen “dat verwerende partij, door te stellen dat er op naam van verzoeker geen inreisverbod mag gelden als zijnde b[i]nnenkomstvoorwaarde, extra voorwaarden heeft toegevoegd aan artikel 40bis van de Vreemdelingenwet”. VII-41.886-2/5 Uit het dossier van de zaak blijkt dat verzoeker voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met betrekking tot het in aanmerking nemen van het hem opgelegde inreisverbod heeft aangevoerd: “Verwerende partij gaat evenwel geheel voorbij aan het gegeven dat het vaststellen van het inreisverbod niet voldoet, maar dat tevens moet worden nagegaan of de beslissing tot weigering van verblijf, in verhouding staat met de concrete individuele belangen van verzoeker. Er dient dus een correcte en concrete billijke afweging te worden gemaakt tussen de individuele en concrete omstandigheden van de verzoeker, enerzijds, en het algemeen belang, anderzijds (de zogenaamde ‘proportionaliteitstoets’). Zoals hierboven reeds vermeld, heeft het EHRM criteria geformuleerd die nationale overheden dienen te leiden in het beoordelen van zulke zaken. Uit de bestreden beslissing blijkt evenwel dat verwerende partij onvoldoende in concreto de individuele belangen van verzoeker én van zijn gezin heeft afgewogen. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat verzoeker een lopend inreisverbod heeft en wordt er op geen enkele manier rekening gehouden met zijn goed gedrag na zijn vrijlating. Uit de bestreden beslissing blijkt evenwel dat de gemachtigde zich beperkt tot een zeer algemene stelling (‘het persoonlijke en familiale belang van verzoeker is hier dan ook ondergeschikt’), zonder daarbij in concreto de individuele belangen van verzoeker en zijn partner af te wegen. Het goede gedrag van verzoeker wordt nochtans niet betwist door verwerende partij. Men erkent dat verzoeker inderdaad in voorlopige invrijheidsstelling werd gesteld en dat verzoeker dan ook geen nieuwe feiten meer pleegde doch hier wordt verder in feite geen rekening meer mee gehouden. Ook met het feit dat verzoeker werkt, bij vrouw woont en een gezin vormt, etc. wordt niet meegenomen in de beslissing. Hier wordt allemaal heel kort op gereageerd alsof één en ander niet uitmaakt en ondergeschikt is. Men heeft op deze manier dan ook onvoldoende rekening gehouden met het privéleven van verzoeker omdat men er onterecht van uitgaat dat dit ondergeschikt is. Verzoeker woont nochtans samen met vrouw; zoekt werk en zijn hele leven en dit van zijn gezin situeert zich hier… Ook is hij volledig ingeburgerd in België. Indien men de proportionaliteitstoets zou hebben gedaan, zou men opgemerkt hebben dat het weigeren van het verblijf zou leiden tot uiteenvallen van het gezin. In deze zin kan eveneens verwezen worden naar het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, waarin werd gesteld dat er rekening dient te worden gehouden met het netwerk van persoonlijke, sociale en economische belangen die de verzoeker hier heeft opgebouwd (RvV 07.06.2018, arrest nr. 205.020). Dit is in casu niet gebeurd.” Verzoeker heeft dienaangaande verder nog laten gelden: “Verwerende partij blijft het inreisverbod aanhalen om hem een verblijfsrecht te weigeren, waardoor zijn partner feitelijk zal gedwongen worden om België te verlaten. Er werd op onvoldoende wijze onderzocht of er tussen verzoeker en zijn gezin een zodanige VII-41.886-3/5 afhankelijkheidsverhouding bestaat dat aan verzoeker in beginsel op grond van artikel 40ter, eerste lid, tweede streepje Vreemdelingenwet een afgeleid verblijfsrecht moet worden toegekend, omdat zijn gezin anders feitelijk gedwongen zou zijn om het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten, zodat aan dit gezin het effectieve genot van de voornaamste aan zijn status ontleende rechten, in casu artikel 20 VWEU, zou worden ontzegd. In casu is er wel degelijk sprake van een afhankelijkheidsrelatie tussen verzoeker en zijn partner. Verzoeker en zijn partner hebben een langdurige relatie. Zij wonen ook samen waardoor verzoeker wel degelijk een afhankelijkheidsrelatie met zijn vrouw onderhoudt. Indien verzoeker zou dienen terug te keren naar zijn herkomstland, zou dit de facto betekenen dat de partner België zal dienen te verlaten om zich bij verzoeker te voegen. In dat geval zou aan haar het effectieve genot ontzegd worden van haar voornaamste rechten die zij ontleent aan haar status van Unieburger: nl. het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten. Dit is zoals hoger gezegd een schending van artikel 20 VWEU.” Verzoeker heeft dus voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet gesteld dat de verwerende partij geen rekening mocht houden met het inreisverbod in hoofde van verzoeker doch enkel dat na een verwijzing naar het inreisverbod “tevens” moet worden nagegaan of de beslissing tot weigering van verblijf in verhouding staat met verzoekers concrete individuele belangen en dat te dezen de belangenafweging (proportionaliteitstoets) in het licht van artikel 20 VWEU niet naar behoren is uitgevoerd. Hij vermag derhalve niet voor het eerst in de graad van cassatie aan te voeren dat helemaal geen rekening mocht worden gehouden met het inreisverbod, ongeacht de uitkomst van de belangenafweging. Wat de jurisdictionele motiveringsplicht betreft, heeft de Raad voor Vreemdelingebetwistingen wel degelijk geantwoord op verzoekers kritiek over de door de verwerende partij gemaakte belangenafweging: “In tegenstelling tot wat verzoekende partij lijkt voor te houden, blijkt uit de motieven van de bestreden beslissing dat de verwerende partij de voorliggende verblijfsaanvraag van de verzoekende partij niet heeft geweigerd om de loutere reden dat zij onderworpen is aan een inreisverbod. De verwerende partij heeft, met verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 8 mei 2018 in de zaak K. A. e.a. (C-82/16), geoordeeld dat er tussen de verzoekende partij en haar partner geen dusdanige afhankelijkheidsrelatie wordt aangetoond waardoor zij een afgeleid verblijfsrecht zou kunnen bekomen overeenkomstig het arrest van het Hof in de zaak K. A. e.a. Zij concludeert: ‘dat uit niets blijkt dat de naleving van de verplichting voor betrokkene om het Belgisch grondgebied en van de ganse Schengenzone te verlaten teneinde de opheffing of opschorting van het voor hem geldende inreisverbod te verzoeken, betrokkenes partner ertoe zou dwingen hem te vergezellen en dus eveneens het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten. VII-41.886-4/5 Bijgevolg kan besloten worden dat deze beslissing wel degelijk kan genomen worden.’ […] Met haar betoog dat zij een langdurige relatie heeft met haar partner waarmee zij samenwoont, doet verzoekende partij geen afbreuk aan de vaststellingen van de verwerende partij dat niet blijkt dat er tussen haar en haar partner een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat waardoor – indien de verzoekende partij het grondgebied moet verlaten – haar partner de facto ook verplicht wordt om het Belgische grondgebied of het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Verzoekende partij brengt geen enkel concreet gegeven aan waaruit kan blijken dat haar partner, een volwassen vrouw die tewerkgesteld is, zich niet zonder de nabijheid van verzoekende partij zou kunnen beredderen. Ook omgekeerd blijkt niet dat verzoekende partij niet onafhankelijk van haar partner kan leven. Zoals de verwerende partij stelt: ‘Niets wijst er op dat één van hen niet over de nodige (mentale en fysieke) capaciteiten zou beschikken om zelfstandig te leven in afwachting van de afloop van betrokkenes inreisverbod.’”
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 6 april 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.886-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.330 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div