id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.331 Rolnummer: A. 238283/VII-41888 Zaak: Cassatiebeschikking 15331 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-04-07 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-18 06:06 Fiche Beschikking nr 15.331 van 6 april 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.331 van 6 april 2023 in de zaak A. 238.283/VII-41.888 In zake : XXXXX wonende te 3500 Hasselt Casterstraat 29/13 alwaar keuze van woonst wordt gedaan bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Sampermans kantoor houdend te 3500 Hasselt Koningin Astridlaan 46 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 januari 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 282.515 van 23 december 2022 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 7 maart 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ zijn als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoeker kan dan ook geen schending van deze bepalingen inroepen omdat het bestreden arrest geen voldoende VII-41.888-1/3 motivering zou bevatten. Verder heeft kritiek op de motieven van de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing van de verwerende partij geen betrekking op het bestreden arrest.
- Ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoekers kritiek dat de verwerende partij in haar beslissing de redelijkheidsplicht en de zorgvuldigheidsplicht zou hebben geschonden, heeft geen betrekking op het bestreden arrest.
- Verzoeker laat op zeer algemene wijze gelden “dat de tegenpartij, door het weigeren van een verblijf van meer dan drie maanden aan verzoeker, deze laatste verhindert samen te zijn met zijn vrouw en de kinderwens van hem en zijn vrouw in gevaar brengt gezien hij niet meer wettelijk toegelaten is om op het Belgische grondgebied te verblijven bij zijn familie waardoor er geen normale situatie kan worden gecreëerd voor een eventuele baby” en dat de verwerende partij met de verwijzing naar moderne communicatiemogelijkheden “de noodzakelijkheid van een regelmatig, rechtstreeks contact tussen partners minimaliseert”. Deze kritiek heeft betrekking heeft op de beslissing van de verwerende partij en niet op het bestreden arrest, waaraan verzoeker volledig voorbijgaat. Bovendien treedt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf.
- Hetzelfde geldt voor de voorgehouden schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni
- Verzoeker gaat niet in op de eigen motieven van het bestreden arrest. In de mate dat verzoeker verwijst naar de “onderzoeksplicht” die zou voortvloeien uit de voormelde verdragsbepaling, geeft hij niet aan welke concrete tekortkomingen in het onderzoek de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou hebben moeten vaststellen.
- Verzoeker verwijst in het opschrift naar artikel 74/13 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en VII-41.888-2/3 de verwijdering van vreemdelingen’, zonder evenwel verder uiteen te zetten op welke wijze deze bepaling zou zijn geschonden met het bestreden arrest.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 6 april 2023 door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.888-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.331 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div