← België

Cassatiebeschikking 15332 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/04/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.332 Rolnummer: A. 238307/VII-41897 Zaak: Cassatiebeschikking 15332 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-04-07 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-10 08:47 Fiche Beschikking nr 15.332 van 6 april 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.332 van 6 april 2023 in de zaak A. 238.307/VII-41.897 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johannes Baelde kantoor houdend te 8200 Brugge Koning Albert I-laan 40 bus 00.01 bij wie keuze van woonst wordt gedaan tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 1 februari 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 282.979 van 10 januari 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 10 februari 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste onderdeel van het enige middel
  2. Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de schending opgeworpen van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van VII-41.897-1/7 vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) “juncto” de materiëlemotiveringsplicht, de zorgvuldigheidsplicht, het redelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, waarbij hij enige theoretische toelichting heeft gegeven over de voormelde beginselen. Na kort de chronologie te hebben geschetst van zijn op 21 augustus 2017 ingediend verzoek om internationale bescherming, heeft verzoeker concreet laten gelden: “Alwaar de startdatum én de einddatum van deze ene VIB van verzoeker aldus vast staan in rechte nl. start op 21.08.2017 en einde op 18.11.2021 staat vast dat de behandeling van de VIB van verzoeker een duurtijd van 4 jaar en 3 maanden had en aldus niet ‘slechts’ 3 jaar en twee maanden zoals voorgehouden door verweerder in de bestreden beslissing. De Instructie van 19 juli 2009 m.b.t. de toepassing van het oude artikel 9,3 en het artikel 9bis van de Vreemdelingenwet – hoewel formeel vernietigd door de Raad van State – blijft in de praktijk een interne guideline van de Dienst Vreemdelingenzaken. De Staatssecretaris heeft publiek beloofd deze criteria te blijven toepassen in het licht van diens discretionaire bevoegdheid1 en de navolgende staatssecretarissen hebben dit nooit tegengesproken of afgevallen. De praktijk geeft ook aan dat de DVZ effectief deze criteria en interpretatie van ‘humanitaire regularisatie op grond van langdurige asielprocedure’ bleef toepassen in het licht van hun discretionaire bevoegdheid (zie infra wat betreft het volkomen analoge dossier van de heer S.S. met DVZ nr. (…) – stuk 6A t.e.m. 6F). Plots tracht de DVZ hier in huidig dossier terug afstand van te nemen middels enerzijds opzettelijk foutieve berekening van de duurtijd van de behandeling van de asielaanvraag zoals ingediend op 21.08.2017 en vervolgens met de stelling dat ‘zelfs indien onredelijk lang (...) dit de betrokkene niet de mogelijkheid geeft om beroep te doen op welk recht van verblijf dan ook.’ (stuk 1A). Dit is niet correct. Verzoeker vraagt enkel de correcte toepassing van de beginselen van behoorlijk bestuur door de Dienst Vreemdelingenzaken als overheidsdienst handelend binnen diens discretionaire bevoegdheid. ‘De burger moet kunnen vertrouwen op toezeggingen of beloften die het bestuur in een concreet geval heeft gedaan of op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van het bestuur op grond waarvan dat bestuurd de door hem opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen niet mag beschamen. Het aldus omschreven vertrouwensbeginsel vormt een aspect van het ruimere beginsel van de rechtszekerheid en geniet als zodanig erkenning in de rechtspraak van het Hof van Cassatie en de Raad van State, maar ook die van het Arbitragehof.’ (Prof dr. Marnix VAN DAMME, Kamervoorzitter in Raad van State, Het Rechtszekerheids- en Vertrouwensbeginsel in Beginselen van behoorlijk bestuur, I. OPDEBEEK en M. VAN DAMME, Die Keure, Brugge 2006, p. 320) Het principe van humanitaire regularisatie in toepassing van artikel 9bis Vw. op grond van ‘onredelijk lang durende asielprocedures’, nl. van 3 jaren voor asielzoekers met schoolgaande kinderen en van 4 jaren voor alleenstaande asielzoekers, behelst een dergelijke toezegging/ belofte dat het bestuur heeft gedaan en dat bestuur zelfs enkele malen heeft bevestigd, alsook met dagelijkse praktijk over de jaren heen heeft bevestigd en bestendigd. Verzoeker dient er conform de algemene beginselen van behoorlijk bestuur op kunnen vertrouwen dat ook hij op eenzelfde gelijke wijze wordt behandeld. Verzoekers (enige) asielprocedure heeft 4 jaar en 3 maanden geduurd, zodat de DVZ binnen de eigen praktijk uiteindelijk de regularisatie overeenkomstig artikel 9bis Vw. dient toegekend te worden. Indien de DVZ plotsklaps van deze reeds VII-41.897-2/7 13 jaar durende praktijk wenst af te wijken, dringt zich evident een afdoende motivering op waarom verzoeker niet meer zou mogen uitgaan van een gelijke behandeling met alle vele analoge dossiers die de voorbije 13 jaren de revue hebben gepasseerd bij de DVZ. Verweerder schendt het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Verzoeker verwijst heel concreet naar bijvoorbeeld het analoge dossier van de Afghaanse asielzoeker S.S. […] […] Er valt werkelijk geen enkele rechtvaardige reden te bedenken of te aanvaarden waarom verzoeker niet gelijkwaardig zou moeten worden behandeld in vergelijking met de heer S.S. […]. De bestreden beslissing schendt aldus naast het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel óók het gelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.” Verzoeker heeft aldus in essentie aangevoerd dat, niettegenstaande de vernietiging van de instructie van 19 juli 2009 door de Raad van State, de criteria uit die instructie moesten worden toegepast omwille van de door verzoeker aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur en algemene rechtsbeginselen.
  3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen antwoordt hierop in het bestreden arrest: “Verzoeker beroept zich op de instructie van 19 juli 2009 en stelt dat de asielprocedure 4 jaar en 3 maand heeft geduurd en niet 3 jaar en 2 maand. De Raad merkt op dat deze vernietigd werd door de Raad van State (RvS arrest 198.769 van 9 december 2009). Bijgevolg zijn de criteria van deze instructie niet meer van toepassing. Er dient trouwens te worden benadrukt dat de Raad van State in een later arrest (RvS 10 oktober 2012, nr. 220.932) uitdrukkelijk heeft bevestigd dat de instructie van 19 juli 2009 ‘integraal is vernietigd’ en dat de discretionaire bevoegdheid waarover de staatssecretaris krachtens artikel 9bis van de vreemdelingenwet beschikt geen reden vormt om zich alsnog op de criteria van de vernietigde instructie van 19 juli 2009 te steunen. Door te betogen dat een voormalige staatssecretaris en andere personen zouden hebben verklaard dat de criteria die zijn opgenomen in de instructie van 19 juli 2009 ook na de vernietiging van deze instructie nog zullen worden toegepast en door te beweren dat dit in bepaalde dossiers ook gebeurde toont verzoeker niet aan dat verweerder enige appreciatiefout heeft begaan. De vergelijking met de Afghaanse asielzoeker is gelet op de discretionaire bevoegdheid niet relevant. Verweerder dient immers de wet en de rechtspraak van de Raad van State te laten primeren op allerhande verklaringen. Het feit dat verweerder in het raam van zijn discretionaire bevoegdheid eventueel kan beslissen om bij een ten gronde beoordeling van een aanvraag om, met toepassing van artikel 9bis van de vreemdelingenwet, tot een verblijf te worden gemachtigd criteria in aanmerking te nemen die ook in de instructie van 19 juli 2009 waren opgenomen impliceert niet dat hij mag voorbijgaan aan het gegeven dat de wetgever uitdrukkelijk heeft bepaald dat een verblijfsmachtiging slechts via de burgemeester van de verblijfplaats van de aanvrager kan worden ingediend in buitengewone omstandigheden. Verweerder dient derhalve te onderzoeken of er effectief buitengewone omstandigheden werden aangevoerd en kan de aanvrager niet vrijstellen van deze voorwaarde. Hierbij moet worden benadrukt dat VII-41.897-3/7 de Raad van State de instructie van 19 juli 2009 onder meer vernietigde omdat zij ‘het mogelijk maakt dat vreemdelingen die zich in de erin omschreven voorwaarden bevinden ervan ontslagen worden aan te tonen dat er in hun geval buitengewone omstandigheden voorhanden zijn, terwijl enkel de wetgever dit vermag te doen’ en ‘door dit in de bestreden instructie te doen een aan de wetgever voorbehouden domein wordt betreden’.”
  4. Uit de voormelde motivering blijkt duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat de verwerende partij bij het nemen van de voor hem aangevochten beslissing tot weigering van verblijf de criteria van de instructie van 9 juli 2009 buiten beschouwing vermocht te verlaten zonder daarmee de door verzoeker aangehaalde beginselen van behoorlijk bestuur of algemene rechtsbeginselen te schenden. Verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht.
  5. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt op wettige wijze en zonder schending van artikel 9bis van de vreemdelingenwet of van een door verzoeker aangehaald beginsel dat de verwerende partij geen appreciatiefout heeft begaan en haar discretionaire bevoegdheid niet heeft geschonden doordat zij zich niet heeft gesteund op de criteria van de vernietigde instructie van 9 juli 2009 doch de tekst van de wet en de rechtspraak van de Raad van State over die instructie heeft laten primeren. Tweede onderdeel van het enige middel
  6. Verzoeker laat in essentie gelden dat zijn asielprocedure is begonnen op 21 augustus 2017 en heeft geduurd tot 18 november 2021, hetzij 4 jaar en 3 maanden, doch geen 3 jaar en 2 maanden. Hij acht de jurisdictionele motiveringsplicht geschonden omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen deze kritiek niet zou hebben beantwoord in het bestreden arrest.
  7. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermeldt in het bestreden arrest verzoekers kritiek “dat de asielprocedure 4 jaar en 3 maand heeft geduurd en niet 3 jaar en 2 maand”. Al spreekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet als dusdanig uit over de vraag of verzoekers asielprocedure 4 jaar en 3 maanden dan wel 3 jaar VII-41.897-4/7 en 2 maanden heeft geduurd, hij oordeelt wel dat de lange duur van de asielprocedure niet als criterium uit de vernietigde instructie van 9 juli 2009 kan gelden om verzoeker vrij te stellen van de voorwaarde van “buitengewone omstandigheden” in de zin van artikel 9bis van de vreemdelingenwet. De voorgehouden tekortkoming in de jurisdictionele motiveringsplicht kan derhalve niet de strekking van het bestreden arrest hebben beïnvloed. Verder gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel uitdrukkelijk in op de voorgehouden lange duur van de asielprocedure waarbij hij zich aansluit bij de beoordeling in de voor hem aangevochten beslissing van de verwerende partij “dat het feit dat er vertraging, zelfs indien onredelijk lang, werd opgelopen in de behandeling van het dossier dit betrokkene niet de mogelijkheid geeft om beroep te doen op welk recht van verblijf dan ook” en dat verzoeker geen gevolg heeft gegeven aan het bevel om het grondgebied te verlaten van 3 januari 2018, dat daardoor het overnameakkoord met Italië verliep en dat het verzoek om internationale bescherming dientengevolge uiteindelijk op 12 september 2018 naar de verwerende partij ging voor verdere afhandeling. Hiermee geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan dat verzoeker zelf vertraging van de behandeling van het dossier heeft veroorzaakt waardoor de verwerende partij het pas vanaf 12 september 2018 kon behandelen. De beschouwingen in het cassatiemiddel omtrent het feit dat geen verzoekers om internationale bescherming meer worden teruggestuurd naar Hongarije in het kader van de zogenaamde Dublin III-overeenkomst kunnen geen afbreuk doen aan het voorgaande. In de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing betreffende verzoeker gaat het immers over terugname door Italië en verzoeker heeft nooit aangevoerd dat het in zijn geval niet om Italië zou gaan maar om Hongarije. Conclusie
  8. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  9. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. VII-41.897-5/7
  10. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-41.897-6/7 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 6 april 2023 door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.897-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.332 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.