id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.334 Rolnummer: A. 238512/VII-41934 Zaak: Cassatiebeschikking 15334 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-04-07 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-10 08:47 Fiche Beschikking nr 15.334 van 6 april 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.334 van 6 april 2023 in de zaak A. 238.512/VII-41.934 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 februari 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 283.215 van 16 januari 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 7 maart 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoeker werpt in het opschrift van het enige middel de schending op van een hele reeks bepalingen. In de uiteenzetting van het enige middel gaat hij slechts in op de artikelen 48/3 en 48/5 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) en op artikel 149 van de Grondwet. Verzoekers kritiek wordt hierna in VII-41.934-1/4 die mate behandeld. De schending van de overige bepalingen is op kennelijk niet- ontvankelijke wijze opgeworpen.
- Anders dan verzoeker voorhoudt, wordt in het bestreden arrest niet als criterium gehanteerd dat Hazara’s systematisch moeten worden vervolgd om toepassing te kunnen maken van de artikelen 48/3 en 48/5 van de vreemdelingenwet. De beoordeling in het bestreden arrest is niet beperkt tot de vaststelling “dat de situatie van de Hazara in Afghanistan verontrustend is” doch “dat er geen aanwijzingen zijn van een situatie waarin Hazara in Afghanistan systematisch worden vervolgd omwille van hun etnie of hun religie en dat het loutere feit Hazara te zijn op zich onvoldoende is om een vrees voor vervolging of risico op reële schade in verzoekers hoofde aannemelijk te maken”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is er, “[g]elet op de context van discriminatoire maatregelen, de bedreigingen en het geweld ten aanzien van sjiieten, waaronder Hazara, […] evenwel sprake van een zeer precaire algemene situatie die moet worden meegenomen bij de beoordeling van het beschermingsverzoek”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt verder immers: “De situatie van de sjiieten moet worden beoordeeld in het licht van de recente machtsovername door de taliban. Het risico om doelwit te worden van ISKP moet ook worden beoordeeld. Momenteel blijkt niet dat voor alle personen onder dit profiel een gegronde vrees voor vervolging kan worden aangenomen, maar is het risico op vervolging eerder afhankelijk van individuele omstandigheden, zoals de regio van herkomst (zo vormen regio’s waar ISKP operationele capaciteit heeft een hoger risico), deelname aan religieuze activiteiten, etc. Onder het risicoprofiel van personen van wie wordt vermeend dat zij morele en maatschappelijke normen hebben overtreden, vallen personen die worden beschouwd als verwesterd. Hazara worden beschouwd als het westen meer genegen dan andere groepen in Afghanistan en binnen conservatieve delen van de Afghaanse gemeenschap leeft de perceptie dat de Hazara-minderheid een cultuur heeft omarmd die niet strookt met de definitie van de islam zoals de taliban deze zien. Uit het geheel van het voorgaande blijkt dat bij het onderzoek naar de beschermingsnood van verzoeker voormelde risicoprofielen in combinatie met elkaar moeten worden gelezen. Bij de beoordeling of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat verzoeker bij terugkeer zal worden blootgesteld aan vervolging, moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van individuele en concrete omstandigheden die in zijn geval risicobepalend kunnen zijn. Aldus stelt de Raad het volgende vast. Verzoeker behoort tot de Hazara minderheid. Bij deze merkt de Raad nog op dat, aangezien een meerderheid van de sjiitische moslims in Afghanistan tot de Hazara VII-41.934-2/4 behoort en Hazara omwille van hun fysieke kenmerken als zodanig herkenbaar zijn, de Hazara dan ook de belangrijkste slachtoffers zijn van sektarische aanvallen op sjiieten, waarbij ISKP de belangrijkste actor van vervolging is. Wat betreft de operationele capaciteit van ISKP, blijkt uit de ‘Country of Origin Information: Afghanistan Security Situation’ van de EUAA van augustus 2022 dat sedert juni 2022 het gebied waar ISKP actief is delen van noordelijk en westelijk Afghanistan omvat, evenals zuidelijke en zuidoostelijke provincies. De speciale gezant van de VN voor Afghanistan stelde in november 2021 vast dat ISKP een aanwezigheid in bijna alle provincies leek te hebben. ISKP voerde verschillende ‘high profile’ aanvallen uit, waaronder de aanslagen op sjiitische moskeeën in oktober 2021, een militair hospitaal in Kaboel op 2 november 2021, een sjiitische moskee in Mazar-e S. in april 2022 en een serie bomexplosies in Mazar-e-S. en Kaboel in mei
- Uit hetzelfde rapport blijkt dat lidstaten van de VN in mei 2022 de getalsterkte van ISKP schatten tussen de 1500 en 4000 strijders. Dit neemt toe sinds de machtsovername door de taliban, gezien de vrijlating van gevangen ISKP-leden, spanningen tussen verschillende talibanstrekkingen en een toename aan financiële bronnen. Verzoeker verklaart te zijn geboren in het dorp Tamaki in de provincie Ghazni. Ghazni ligt in het zuidoosten van Afghanistan en de Hazara maken er ongeveer 46 % van de bevolking uit (p. 103). Volgens ACLED waren er in de periode van 16 augustus 2021 tot 30 juni 2022 39 veiligheidsincidenten in de provincie Ghazni, waarvan 17 gecodeerd werden als geweld tegen burgers, 9 als explosies/geweld vanop afstand en 5 als gevechten. Volgens ACLED hebben de veiligheidsincidenten in de provincie 27 dodelijke slachtoffers geëist. De meest getroffen districten waren Ghazni (20 veiligheidsincidenten) en Giro (5 veiligheidsincidenten). Uit de COI Focus ‘Afghanistan Veiligheidsincidenten ( en 30 juni 2022’ van 13 september 2022 die de verwerende partij bij haar aanvullende nota heeft voorgelegd en die kan worden beschouwd worden als een update van de ACLEDdata uit de COI Focus ‘Afghanistan. Veiligheidssituatie’ van 5 mei 2022, blijkt dat er in de provincie Ghazni 39 veiligheidsincidenten werden gecodeerd. Aan 7 incidenten werd geoprecisiecode 3 (waarvoor geen specifieke informatie over de locatie beschikbaar is en die worden ingevoerd onder de hoofdplaats van de provincie) toegekend. Het gaat om 2 incidenten waarbij onbekenden een lid van de taliban hebben doodgeschoten en een onderling conflict binnen de taliban (battles); 2 incidenten gericht tegen universiteitsstudenten of -personeel; geweld tegen personen, vooral vrouwen, die paspoorten aanvragen en de arrestatie en het doden van voormalig ANDSF-personeel (violence against civilians). Dat verzoeker omwille van zijn herkomstregio en als behorende tot de Hazara-gemeenschap automatisch in aanmerking moet komen voor de vluchtelingenstatus kan uit voormelde informatie niet worden afgeleid.” Door eerst te onderzoeken of Hazara’s zoals verzoeker louter omwille van hun etnie of religie systematisch worden vervolgd en vervolgens ook de andere risicoprofielen in zijn beoordeling te betrekken (sjiitische moslim zijn, fysieke kenmerken van de Hazara’s en als westers gezind worden beschouwd) en hierbij ook de voornoemde recente informatie te betrekken om te besluiten dat verzoeker niet automatisch in aanmerking moet komen voor de vluchtelingenstatus omwille van zijn herkomstregio en als behorende VII-41.934-3/4 tot de Hazara-gemeenschap, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de inhoud van de in artikel 48/3 en 48/5 van de vreemdelingenwet voorkomende begrippen niet geschonden. Uit de voornoemde recente informatie blijkt ook duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers standpunt, gesteund op andere bronnen, niet volgt. Verzoeker toont geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 6 april 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.934-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.334 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div