id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.335 Rolnummer: A. 238514/VII-41935 Zaak: Cassatiebeschikking 15335 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-04-07 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-10 08:47 Fiche Beschikking nr 15.335 van 6 april 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.335 van 6 april 2023 in de zaak A. 238.514/VII-41.935 In zake : 1. XXXXX 2. XXXXX 3. XXXXX 4. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 februari 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 283.423 van 18 januari 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 7 maart 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-41.935-1/10 Algemeen 1. Mede namens tweede verzoekster en derde en vierde verzoekers, werpt eerste verzoekster in het opschrift van het enige middel de schending op van een hele reeks bepalingen. In de uiteenzetting van de drie onderdelen van het enige middel gaat zij slechts in op een aantal van deze bepalingen. Verzoeksters kritiek wordt hierna in die mate behandeld. De schending van de overige bepalingen is op kennelijk niet-ontvankelijke wijze opgeworpen. Eerste middelonderdeel: “schending motiveringsplicht en foutieve interpretatie artikel 48/9 Vw.” 2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet – al waren ze verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet werden nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. Naar luid van artikel 48/9, § 1 en § 4, van de vreemdelingenwet heeft de verzoeker om internationale bescherming de mogelijkheid “de elementen aan te brengen waaruit zijn bijzondere procedurele noden blijken, teneinde aanspraak te kunnen maken op de rechten en te kunnen voldoen aan de verplichtingen voorzien in dit hoofdstuk” en beoordelen de ambtenaren van de dienst Vreemdelingenzaken en het commissariaat- VII-41.935-2/10 generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen “of de verzoeker om internationale bescherming bijzondere procedurele noden heeft en nemen [zij] deze in acht door het verlenen van passende steun tijdens de procedure, voor zover deze noden voldoende zijn aangetoond en voor zover de in dit hoofdstuk bedoelde rechten in het gedrang zouden komen en hij niet zou kunnen voldoen aan de hem opgelegde verplichtingen”. 3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest over de door eerste verzoekster aangevoerde procedurele noden onder meer: “Waar verzoekster stelt dat in casu niet naar behoren rekening werd gehouden met haar bijzonder kwetsbaar profiel (jarenlang slachtoffer huiselijk geweld, beperkte scholing, extreme armoede in het land van herkomst, twee zonen met zware mentale beperking) en dat uit de notities van het persoonlijk onderhoud blijkt dat zij soms naast de kwestie antwoordde of onsamenhangende antwoorden gaf, bemerkt de Raad dat de ervaringen en de emoties van verzoekster haar, blijkens de notities van het persoonlijk onderhoud bij het commissariaat-generaal, niet belemmerd hebben om, globaal genomen, volwaardige verklaringen betreffende haar ervaringen af te leggen en toe te lichten. Ook laat een controle van de notities van het persoonlijk onderhoud niet toe om vast te stellen dat verzoekster nog andere specifieke steunmaatregelen dan een vrouwelijke protection officer en vrouwelijke tolk nodig had teneinde haar relaas te kunnen brengen. De Raad merkt op dat op de commissarisgeneraal de verplichting rust om een zorgvuldige en aangepaste behandeling van het persoonlijk onderhoud te garanderen. Dit houdt onder meer in dat, zodra er zich belangrijke incidenten voordoen die een negatieve impact kunnen hebben op het vermogen en vertrouwen van de verzoeker om internationale bescherming om vrijuit en ongestoord te kunnen spreken, hierop constructief moet worden gereageerd. In dit verband stelt de Raad vast dat verzoekster bij aanvang van het persoonlijk onderhoud werd aangegeven dat alles wat tijdens het onderhoud wordt verteld vertrouwelijk is, dat er sowieso een pauze is voorzien en dat het onderhoud kan worden gestopt indien er bijkomend een pauze nodig zou zijn […]. Verzoekster, noch haar advocaat hebben op enig moment opmerkingen gemaakt met betrekking tot het verloop van het persoonlijk onderhoud of de vragen die werden gesteld. Uit de notities van het persoonlijk onderhoud blijkt dat verzoekster het moeilijk had en vaak weende, een extra pauze kreeg wanneer zij daarom verzocht en waarna haar gevraagd werd of het lukt om verder te gaan met het onderhoud. Los van de emoties van verzoekster blijkt nergens, en verzoekster toont ook niet in concreto aan, dat de omstandigheden tijdens het persoonlijk onderhoud van die aard waren dat zij een invloed hebben gehad op haar vermogen om haar relaas naar voren te brengen. Verzoekster beweert in het verzoekschrift dat haar verklaringen soms onsamenhangend of naast de kwestie waren, en probeert dit te illustreren aan de hand van enkele passages uit de notities. De Raad is evenwel van oordeel dat verzoekster, ofschoon zij mogelijks soms onsamenhangend en naast de kwestie antwoordde, in voldoende gedetailleerde mate erin slaagde om, soms na herhaling, te antwoorden op de specifieke en open vragen die haar werden gesteld. Alleszins kan uit de enkele aangehaalde passages niet worden afgeleid dat verzoekster omwille van haar bijzondere kwetsbaarheid niet in staat zou zijn gebleken om op een volwaardige wijze deel te nemen aan de procedure om internationale bescherming en om haar relaas ten berde te brengen. VII-41.935-3/10 De Raad twijfelt niet aan de kwetsbaarheid van verzoekster, als slachtoffer van huiselijk geweld, met beperkte scholing, levende in armoede in het land van herkomst en met twee zwaar gehandicapte zonen, maar verzoekster toont met het verweer in het verzoekschrift nergens in concreto aan met welke van haar verklaringen desgevallend geen rekening zou kunnen worden gehouden bij de beoordeling van haar verzoek om internationale bescherming. Uit de notities van het persoonlijk onderhoud volgt niet dat verzoekster haar gendergerelateerd relaas niet op een dienstige wijze kon hebben verwoord en verzoekster preciseert geenszins hoe dit de inhoud van de bestreden motivering en beslissing zou kunnen hebben beïnvloed. Ten overvloede wijst de Raad er nog op dat ook van een persoon met een geringe opleiding redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij de door hem beleefde gebeurtenissen op een coherente en consistente wijze kan uiteenzetten.” Ook zonder uitdrukkelijk eerste verzoeksters argument te vermelden dat zij afkomstig was uit “een zeer ruraal gebied”, blijkt uit de voormelde motivering dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het geheel van eerste verzoeksters voorgehouden procedurele noden heeft onderzocht met onder meer haar “extreme armoede in het land van herkomst” en haar “geringe opleiding”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft bovendien aan dat noch eerste verzoekster noch haar advocaat enige opmerking heeft gemaakt over het verloop van het persoonlijk onderhoud of over de gestelde vragen en dat eerste verzoekster nergens aantoont dat zij haar relaas niet op een dienstige wijze zou hebben kunnen verwoorden en evenmin preciseert hoe dit de inhoud van de bestreden motivering en beslissing zou kunnen hebben beïnvloed. Eerste verzoekster toont derhalve geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. 4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beoordeelt als feitenrechter soeverein de door een verzoeker voorgehouden bijzondere procedurele noden en de vraag of de genomen steunmaatregelen passend zijn. In de mate dat eerste verzoekster van oordeel is dat haar bijzondere procedure noden verder reikten dan de te dezen genomen steunmaatregelen en deze laatste zich niet hadden mogen beperken tot haar persoonlijk onderhoud, vraagt zij een beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State niet bevoegd is als cassatierechter. Tweede middelonderdeel: “schending motiveringsplicht en foutieve toepassing artikel 48/5, §2 Vw.” VII-41.935-4/10 5. Naar luid van artikel 48/5, § 2, eerste lid, van de vreemdelingenwet kan bescherming in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4 alleen worden geboden door de staat of door partijen of organisaties, met inbegrip van internationale organisaties, die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen, mits zij bereid en in staat zijn bescherming te bieden overeenkomstig het tweede lid van deze bepaling. 6. De beoordeling van de vraag of Albanië als land van herkomst de vereiste bescherming kan bieden tegen huiselijk geweld is niet beperkt tot de door eerste verzoekster geciteerde alinea uit het bestreden arrest. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt immers verder: “Dat corruptie en huiselijk geweld in Albanië nog steeds wijdverspreide fenomenen zijn en dat er, onder meer op het vlak van de effectiviteit van de wetgeving en de beschermingsmaatregelen en van het vertrouwen in de Albanese autoriteiten, nog vooruitgang te boeken is, betreft een gegeven dat in de voormelde motivering en de landeninformatie waarop deze motivering schraagt uitdrukkelijk en terdege in rekening wordt gebracht. Dit gegeven doet geen afbreuk aan het feit dat de Albanese autoriteiten, zoals duidelijk en genoegzaam blijkt uit de door de verwerende partij gehanteerde landeninformatie en zoals door verzoekster op generlei wijze wordt ontkracht of weerlegd, redelijke maatregelen in de zin van artikel 48/5, § 2, tweede lid, van de Vreemdelingenwet nemen, dat zij aan hun onderdanen de nodige bescherming bieden en dat verzoekster zich toegang kan verschaffen tot dergelijke bescherming. Het voorgaande vindt bovendien eveneens en duidelijk bevestiging in het feit op zich dat Albanië werd opgenomen op de lijst van veilige landen bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 tot uitvoering van artikel 57/6/1, § 3, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, houdende de vastlegging van de lijst van veilige landen van herkomst. Een land van herkomst wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 57/6/1, § 3, van de Vreemdelingenwet immers als veilig beschouwd wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van het Verdrag, zoals bepaald in artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet, of dat er geen zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico loopt op het lijden van ernstige schade, zoals bepaald in artikel 48/4 van dezelfde wet. Hierbij dient onder meer rekening te worden gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of mishandeling door middel van:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.