← België

Cassatiebeschikking 15335 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/04/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.335 Rolnummer: A. 238514/VII-41935 Zaak: Cassatiebeschikking 15335 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-04-07 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-10 08:47 Fiche Beschikking nr 15.335 van 6 april 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.335 van 6 april 2023 in de zaak A. 238.514/VII-41.935 In zake : 1. XXXXX 2. XXXXX 3. XXXXX 4. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 februari 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 283.423 van 18 januari 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 7 maart 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-41.935-1/10 Algemeen 1. Mede namens tweede verzoekster en derde en vierde verzoekers, werpt eerste verzoekster in het opschrift van het enige middel de schending op van een hele reeks bepalingen. In de uiteenzetting van de drie onderdelen van het enige middel gaat zij slechts in op een aantal van deze bepalingen. Verzoeksters kritiek wordt hierna in die mate behandeld. De schending van de overige bepalingen is op kennelijk niet-ontvankelijke wijze opgeworpen. Eerste middelonderdeel: “schending motiveringsplicht en foutieve interpretatie artikel 48/9 Vw.” 2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet – al waren ze verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet werden nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van de voornoemde bepalingen. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. Naar luid van artikel 48/9, § 1 en § 4, van de vreemdelingenwet heeft de verzoeker om internationale bescherming de mogelijkheid “de elementen aan te brengen waaruit zijn bijzondere procedurele noden blijken, teneinde aanspraak te kunnen maken op de rechten en te kunnen voldoen aan de verplichtingen voorzien in dit hoofdstuk” en beoordelen de ambtenaren van de dienst Vreemdelingenzaken en het commissariaat- VII-41.935-2/10 generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen “of de verzoeker om internationale bescherming bijzondere procedurele noden heeft en nemen [zij] deze in acht door het verlenen van passende steun tijdens de procedure, voor zover deze noden voldoende zijn aangetoond en voor zover de in dit hoofdstuk bedoelde rechten in het gedrang zouden komen en hij niet zou kunnen voldoen aan de hem opgelegde verplichtingen”. 3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest over de door eerste verzoekster aangevoerde procedurele noden onder meer: “Waar verzoekster stelt dat in casu niet naar behoren rekening werd gehouden met haar bijzonder kwetsbaar profiel (jarenlang slachtoffer huiselijk geweld, beperkte scholing, extreme armoede in het land van herkomst, twee zonen met zware mentale beperking) en dat uit de notities van het persoonlijk onderhoud blijkt dat zij soms naast de kwestie antwoordde of onsamenhangende antwoorden gaf, bemerkt de Raad dat de ervaringen en de emoties van verzoekster haar, blijkens de notities van het persoonlijk onderhoud bij het commissariaat-generaal, niet belemmerd hebben om, globaal genomen, volwaardige verklaringen betreffende haar ervaringen af te leggen en toe te lichten. Ook laat een controle van de notities van het persoonlijk onderhoud niet toe om vast te stellen dat verzoekster nog andere specifieke steunmaatregelen dan een vrouwelijke protection officer en vrouwelijke tolk nodig had teneinde haar relaas te kunnen brengen. De Raad merkt op dat op de commissarisgeneraal de verplichting rust om een zorgvuldige en aangepaste behandeling van het persoonlijk onderhoud te garanderen. Dit houdt onder meer in dat, zodra er zich belangrijke incidenten voordoen die een negatieve impact kunnen hebben op het vermogen en vertrouwen van de verzoeker om internationale bescherming om vrijuit en ongestoord te kunnen spreken, hierop constructief moet worden gereageerd. In dit verband stelt de Raad vast dat verzoekster bij aanvang van het persoonlijk onderhoud werd aangegeven dat alles wat tijdens het onderhoud wordt verteld vertrouwelijk is, dat er sowieso een pauze is voorzien en dat het onderhoud kan worden gestopt indien er bijkomend een pauze nodig zou zijn […]. Verzoekster, noch haar advocaat hebben op enig moment opmerkingen gemaakt met betrekking tot het verloop van het persoonlijk onderhoud of de vragen die werden gesteld. Uit de notities van het persoonlijk onderhoud blijkt dat verzoekster het moeilijk had en vaak weende, een extra pauze kreeg wanneer zij daarom verzocht en waarna haar gevraagd werd of het lukt om verder te gaan met het onderhoud. Los van de emoties van verzoekster blijkt nergens, en verzoekster toont ook niet in concreto aan, dat de omstandigheden tijdens het persoonlijk onderhoud van die aard waren dat zij een invloed hebben gehad op haar vermogen om haar relaas naar voren te brengen. Verzoekster beweert in het verzoekschrift dat haar verklaringen soms onsamenhangend of naast de kwestie waren, en probeert dit te illustreren aan de hand van enkele passages uit de notities. De Raad is evenwel van oordeel dat verzoekster, ofschoon zij mogelijks soms onsamenhangend en naast de kwestie antwoordde, in voldoende gedetailleerde mate erin slaagde om, soms na herhaling, te antwoorden op de specifieke en open vragen die haar werden gesteld. Alleszins kan uit de enkele aangehaalde passages niet worden afgeleid dat verzoekster omwille van haar bijzondere kwetsbaarheid niet in staat zou zijn gebleken om op een volwaardige wijze deel te nemen aan de procedure om internationale bescherming en om haar relaas ten berde te brengen. VII-41.935-3/10 De Raad twijfelt niet aan de kwetsbaarheid van verzoekster, als slachtoffer van huiselijk geweld, met beperkte scholing, levende in armoede in het land van herkomst en met twee zwaar gehandicapte zonen, maar verzoekster toont met het verweer in het verzoekschrift nergens in concreto aan met welke van haar verklaringen desgevallend geen rekening zou kunnen worden gehouden bij de beoordeling van haar verzoek om internationale bescherming. Uit de notities van het persoonlijk onderhoud volgt niet dat verzoekster haar gendergerelateerd relaas niet op een dienstige wijze kon hebben verwoord en verzoekster preciseert geenszins hoe dit de inhoud van de bestreden motivering en beslissing zou kunnen hebben beïnvloed. Ten overvloede wijst de Raad er nog op dat ook van een persoon met een geringe opleiding redelijkerwijze kan worden verwacht dat hij de door hem beleefde gebeurtenissen op een coherente en consistente wijze kan uiteenzetten.” Ook zonder uitdrukkelijk eerste verzoeksters argument te vermelden dat zij afkomstig was uit “een zeer ruraal gebied”, blijkt uit de voormelde motivering dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het geheel van eerste verzoeksters voorgehouden procedurele noden heeft onderzocht met onder meer haar “extreme armoede in het land van herkomst” en haar “geringe opleiding”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft bovendien aan dat noch eerste verzoekster noch haar advocaat enige opmerking heeft gemaakt over het verloop van het persoonlijk onderhoud of over de gestelde vragen en dat eerste verzoekster nergens aantoont dat zij haar relaas niet op een dienstige wijze zou hebben kunnen verwoorden en evenmin preciseert hoe dit de inhoud van de bestreden motivering en beslissing zou kunnen hebben beïnvloed. Eerste verzoekster toont derhalve geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. 4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beoordeelt als feitenrechter soeverein de door een verzoeker voorgehouden bijzondere procedurele noden en de vraag of de genomen steunmaatregelen passend zijn. In de mate dat eerste verzoekster van oordeel is dat haar bijzondere procedure noden verder reikten dan de te dezen genomen steunmaatregelen en deze laatste zich niet hadden mogen beperken tot haar persoonlijk onderhoud, vraagt zij een beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State niet bevoegd is als cassatierechter. Tweede middelonderdeel: “schending motiveringsplicht en foutieve toepassing artikel 48/5, §2 Vw.” VII-41.935-4/10 5. Naar luid van artikel 48/5, § 2, eerste lid, van de vreemdelingenwet kan bescherming in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4 alleen worden geboden door de staat of door partijen of organisaties, met inbegrip van internationale organisaties, die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen, mits zij bereid en in staat zijn bescherming te bieden overeenkomstig het tweede lid van deze bepaling. 6. De beoordeling van de vraag of Albanië als land van herkomst de vereiste bescherming kan bieden tegen huiselijk geweld is niet beperkt tot de door eerste verzoekster geciteerde alinea uit het bestreden arrest. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt immers verder: “Dat corruptie en huiselijk geweld in Albanië nog steeds wijdverspreide fenomenen zijn en dat er, onder meer op het vlak van de effectiviteit van de wetgeving en de beschermingsmaatregelen en van het vertrouwen in de Albanese autoriteiten, nog vooruitgang te boeken is, betreft een gegeven dat in de voormelde motivering en de landeninformatie waarop deze motivering schraagt uitdrukkelijk en terdege in rekening wordt gebracht. Dit gegeven doet geen afbreuk aan het feit dat de Albanese autoriteiten, zoals duidelijk en genoegzaam blijkt uit de door de verwerende partij gehanteerde landeninformatie en zoals door verzoekster op generlei wijze wordt ontkracht of weerlegd, redelijke maatregelen in de zin van artikel 48/5, § 2, tweede lid, van de Vreemdelingenwet nemen, dat zij aan hun onderdanen de nodige bescherming bieden en dat verzoekster zich toegang kan verschaffen tot dergelijke bescherming. Het voorgaande vindt bovendien eveneens en duidelijk bevestiging in het feit op zich dat Albanië werd opgenomen op de lijst van veilige landen bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 14 januari 2022 tot uitvoering van artikel 57/6/1, § 3, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, houdende de vastlegging van de lijst van veilige landen van herkomst. Een land van herkomst wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 57/6/1, § 3, van de Vreemdelingenwet immers als veilig beschouwd wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van het Verdrag, zoals bepaald in artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet, of dat er geen zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico loopt op het lijden van ernstige schade, zoals bepaald in artikel 48/4 van dezelfde wet. Hierbij dient onder meer rekening te worden gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of mishandeling door middel van:

  1. a)de wetten en voorschriften van het land en de wijze waarop deze in de praktijk worden toegepast;
  2. b)de naleving van de rechten en vrijheden neergelegd in het EVRM, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten of het Verdrag tegen foltering, in het bijzonder de rechten waarop geen afwijkingen uit hoofde van artikel 15, § 2, van voornoemd Europees Verdrag zijn toegestaan;
  3. c)de naleving van het non-refoulementbeginsel;
  4. d)het beschikbaar zijn van een systeem van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schending van voornoemde rechten en vrijheden.” VII-41.935-5/10 VII-41.935-6/10 Vervolgens overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wat eerste verzoeksters eigen situatie betreft dat “[h]et […] bijgevolg aan verzoekster [is] om aannemelijk te maken dat zij alle redelijke en nuttige mogelijkheden tot bescherming heeft uitgeput of, indien dat niet het geval is, er in haar individuele omstandigheden gegronde redenen voorhanden zijn waardoor van haar niet kan worden verwacht dat zij zich (opnieuw) tot de Albanese overheden wendt om bescherming te vragen” en dat eerste verzoekster “moet aantonen dat in haar individueel geval geen overheidsbescherming beschikbaar of toegankelijk is, dan wel dat niet redelijkerwijze van haar kan worden verwacht dat zij zich (opnieuw) wendt tot de Albanese overheid voor bescherming.” Na een omstandig onderzoek van eerste verzoeksters concrete situatie tegen de achtergrond van de algemene situatie besluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “De Raad is tot slot van oordeel dat verzoekster met algemene beschouwingen en het verwijzen naar de algemene situatie in Albanië wat betreft huiselijk geweld en corruptie er niet in slaagt in concreto aan te tonen dat nationale bescherming in haar hoofde niet bestaande zou zijn. De Raad wijst er overigens nogmaals op dat in de bestreden beslissing wordt erkend dat corruptie en huiselijk geweld in Albanië nog steeds wijdverspreide problemen zijn. Dat er in Albanië op het vlak van huiselijk geweld nog ruimte is voor verbetering in de gerechtelijke vervolging en de kwaliteit van de door de politie ondernomen acties en dat er nog een aantal hervormingen nodig zijn, betreffen gegevens die in de voormelde motivering en de informatie waarop deze motivering schraagt uitdrukkelijk en terdege in rekening worden gebracht. Los van de vraag of bewustmakingscampagnes doeltreffend zijn en de vaststelling dat met de coronacrisis het huishoudelijk geweld gestegen is, blijkt uit de voorliggende landeninformatie genoegzaam dat er in Albanië de nodige stappen zijn gezet naar een betere bejegening van slachtoffers van huiselijk geweld. In de bestreden beslissing wordt immers erkend dat huiselijk geweld nog steeds een wijdverspreid fenomeen is in Albanië maar wordt tevens gesteld, geïllustreerd en gestaafd, onder verwijzing naar landeninformatie dat, ofschoon er nog heel wat ruimte voor verbetering is, de Albanese autoriteiten meer en meer aandacht besteden aan dit fenomeen en ernstige inspanningen leveren om huiselijk geweld te bestrijden. Verzoekster maakt met een algemene verwijzing naar algemene informatie, gelet ook op wat voorafgaat zoals het persoonlijke nalaten (na 2019) de nationale beschermingsmogelijkheden te benutten laat staan uit te putten, hoe dan ook geenszins in concreto aannemelijk dat zij persoonlijk, wat haar persoonlijke situatie en problemen betreft, met betrekking tot de problemen ingevolge huiselijk geweld geen beroep kan doen op de Albanese autoriteiten en dat deze niet bij machte of onwillig zouden zijn om haar hiervoor hulp en/of bescherming te bieden. De Raad beklemtoont dat een loutere verwijzing naar algemene rapporten en artikels niet volstaat om aan te tonen dat men in zijn land van herkomst werkelijk wordt bedreigd en vervolgd of dat er wat hem/haar betreft een reëel risico op het lijden van ernstige schade, zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming, bestaat, of dat het hem of haar in het land van herkomst aan nationale bescherming ontbeert. Dit dient in concreto te worden aangetoond en verzoekster blijft hier in gebreke. Uit niets blijkt derhalve en verzoekster maakt niet in concreto aannemelijk dat de Albanese autoriteiten niet bij machte of onwillig zouden zijn om haar met betrekking VII-41.935-7/10 tot haar verklaarde problemen hulp en/of bescherming te bieden. Verzoekster toont derhalve niet aan dat het haar met betrekking tot de door haar ingeroepen problematiek aan nationale bescherming ontbreekt. Er liggen voorts geen overtuigende individuele omstandigheden voor die aannemelijk maken dat in verzoeksters geval geen redelijke overheidsbescherming voorhanden is of dat deze niet toegankelijk is.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk motiveert dat en waarom de door eerste verzoekster bijgebrachte algemene informatie en eerste verzoeksters voorbehoud bij de effectiviteit van bewustmakingscampagnes niet leiden tot het besluit dat Albanië geen bescherming in de zin van artikel 48/5, § 1, van de vreemdelingenwet zou kunnen of willen bieden tegen huiselijk geweld. Eerste verzoekster toont wat dat betreft geen schending aan van de jurisdictionele motiveringplicht, noch van het begrip “bescherming” in de zin van de voornoemde bepaling. 7. Anders dan eerste verzoekster suggereert, wordt het al dan niet kunnen verkrijgen door eerste verzoekster van de in artikel 48/5, § 1, van de vreemdelingenwet bedoelde bescherming niet afhankelijk gesteld van de hulp van haar buurvrouw. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nuanceert integendeel de rol van eerste verzoeksters buurvrouw door, “[w]aar in het verzoekschrift in dit verband wordt gewezen op de grote rol die buurvrouw F. hierin speelde” op te merken “dat verzoekster, aan de hand van de instructies van deze buurvrouw, op zelfstandige wijze de paspoorten ging aanvragen en ophalen, ook al kan zij niet duiden in welke wijk of bij welke dienst dat was, waardoor blijkt dat zij in staat is op zelfstandige wijze haar plan te trekken”. Hij overweegt ook dat “uit het niet-betwiste feitenrelaas [blijkt] dat verzoekster zelf de beslissing nam om Albanië te verlaten” en dat het bezwaarlijk ernstig kan worden genomen “[d]at zij wel dergelijke, ingrijpende beslissing kon nemen, doch naliet om in eigen land sinds 2019 (terug) naar de autoriteiten te stappen”. Eerste verzoeksters kritiek is wat dat betreft gesteund op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Door daarnaast in aanmerking te nemen dat eerste verzoekster wel degelijk kon rekenen op de hulp en de steun van haar directe omgeving, waaronder haar buurvrouw, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet geoordeeld dat het zou volstaan dat de in artikel 48/5, § 1, van de vreemdelingenwet bedoelde bescherming kan worden verleend door derden en niet door de staat. VII-41.935-8/10 Derde middelonderdeel: “schending motiveringsplicht en schending van artikel 48/4§2,
  5. b)Vw., artikel 3 EVRM en artikel 28 Kinderrechtenverdrag” 8. Wat het recht op aangepast onderwijs voor haar kinderen met een beperking betreft, citeert eerste verzoekster slechts één zin uit het bestreden arrest. Hiermee toont zij niet de onwettigheid aan van de volgende motieven van het bestreden arrest: “De Raad treedt voorts de overwegingen van de bestreden beslissing bij dat de problemen die de verstandelijke beperkingen van verzoeksters zonen met zich meebrengen, alsook haar verklaring reuma te hebben problemen van louter socio- economische en medische aard zijn en als dusdanig geen verband houden met de vluchtelingenrechtelijke criteria of de bepalingen inzake subsidiaire bescherming. Waar verzoekster in het verzoekschrift, onder verwijzing naar rapporten en onderzoeken, opwerpt dat kinderen met een beperking in Albanië in de praktijk uitgesloten worden van deelname aan de samenleving en met name geen toegang hebben tot kwalitatief en aangepast onderwijs en dat het hoger belang van haar minderjarige kinderen allerminst ernstig in acht wordt genomen, merkt de Raad vooreerst op dat hoewel het hoger belang van het kind een doorslaggevende overweging vormt die de commissarisgeneraal moet leiden tijdens het onderzoek van het verzoek om internationale bescherming, een loutere verwijzing naar dit hoger belang echter niet kan volstaan om in hoofde van verzoekster het bestaan van een nood aan internationale bescherming in de zin van artikel 48/3 en/of 48/4 van de Vreemdelingenwet aan te tonen. Het gegeven dat de belangen van het kind bij elke handeling die het kind aangaat de eerste overweging vormen, kan geen afbreuk doen aan de eigenheid van het asielrecht, waarin de artikelen van de Vreemdelingenwet in uitvoering van Europese regelgeving en van het Verdrag van Genève in duidelijk omschreven voorwaarden voorzien voor de erkenning als vluchteling dan wel de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus. Voorts stipt de Raad aan dat uit de bestreden beslissing genoegzaam blijkt dat de verwerende partij de problemen die de verstandelijke beperking van verzoeksters zonen in Albanië met zich meebrachten wel degelijk en terdege in rekening heeft gebracht. De Raad treedt het oordeel van de commissaris-generaal bij waar deze stelt dat uit verzoeksters verklaringen en uit de verschillende neergelegde attesten blijkt dat haar zonen toegang hadden tot het Albanese schoolsysteem en de Albanese gezondheidszorg, hetgeen in het verzoekschrift ook niet wordt ontkend. Waar verzoekster het betreurt dat haar zonen geen gespecialiseerd onderwijs in Albanië kunnen genieten, wijst de Raad erop dat een gebrek aan aangepaste scholing (of therapie) op zich geen vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin of ernstige schade in de zin van de definitie van subsidiaire bescherming betekent. Dat kinderen met een beperking, zoals verzoeksters zonen, in Albanië met bepaalde problemen kunnen worden geconfronteerd, wordt niet ontkend. Echter houdt een beperkt aantal voordelen voor personen met beperkingen of een gebrek aan bepaalde faciliteiten voor mensen met een beperking, zoals het geopperde gebrek aan aangepaste scholing voor, op zich geen vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin of ernstige schade in de zin van de definitie van subsidiaire bescherming in. Om tot de erkenning van de status van vluchteling te kunnen leiden, moeten discriminatie en achterstelling van die aard zijn dat zij aanleiding geven tot een toestand die gelijkgeschakeld kan worden met een vrees in vluchtelingenrechtelijke zin. Zulks houdt in dat de gevreesde problemen dermate systematisch en ingrijpend VII-41.935-9/10 zijn dat de fundamentele mensenrechten worden aangetast waardoor het leven in het land van herkomst ondraaglijk wordt. Van ernstige schade bestaande uit foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, zoals opgenomen in de definitie van de subsidiaire bescherming uit artikel 48/4, § 2, b), van de Vreemdelingenwet, kan, met verwijzing naar de rechtspraak van het EHRM inzake artikel 3 van het EVRM, slechts gewag worden gemaakt indien de slechte behandeling een ‘minimum level of severity’ bereikt, waarvan de beoordeling afhankelijk is van alle omstandigheden van de zaak.” Conclusie 9. Het enige middel is in al zijn onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 800 euro, ieder voor een vierde. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 6 april 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.935-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.335 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.