id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 19 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.348 Rolnummer: A. 238437/VII-41921 Zaak: Cassatiebeschikking 15348 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 19/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-04-21 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-10 08:50 Fiche Beschikking nr 15.348 van 19 april 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.348 van 19 april 2023 in de zaak A. 238.437/VII-41.921 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tessa Van den bossche kantoor houdend te 2000 Antwerpen Mechelsesteenweg 12, bus 11 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 17 februari 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 283.195 van 16 januari 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 21 maart 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel
- Na een theoretische uiteenzetting voert verzoeker aan dat “de RVV foutief tot het besluit komt dat de Staatssecretaris middels een omstandig gemotiveerd besluit overgaat tot een redelijke belangenafweging en zij de noodzakelijkheid van de inmenging concreet heeft toegelicht in haar beslissing dd. 26.09.2022”, dat hij wel degelijk VII-41.921-1/7 aantoont, “in tegenstelling tot wat de RVV beweert, dat op grond van een onredelijke belangenafweging werd geoordeeld dat de actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging die hij door zijn persoonlijk gedrag vormt voor de openbare orde en openbare veiligheid, de inmenging in zijn privéleven rechtvaardigt” en dat “[d]de RVV […] foutief de stelling van verwerende partij [volgt] al[s] zouden de minderjarige kinderen van verzoeker naar Marokko kunnen reizen en hem aldaar bezoeken”, hetgeen hij dan concreet toelicht. De Raad van State treedt als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf. Hij is derhalve niet bevoegd om de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gemaakte beoordeling van het al dan niet redelijke karakter van de in de beslissing van de verwerende partij van 26 september 2022 (hierna: aanvankelijk bestreden beslissing) gemaakte belangenafweging over te doen.
- Verzoeker betwist de beoordeling in het bestreden arrest dat hij niet de rechtstreekse schending kan inroepen van de artikelen 3 en 9 van het internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) omdat deze verdragsbepalingen geen rechtstreekse werking in het Belgische recht zouden hebben. Daargelaten de vaststelling dat minstens artikel 3 van het IVRK inderdaad geen rechtstreekse werking in het Belgische recht heeft omdat deze bepaling, wat de geest, de inhoud en de bewoordingen ervan betreft, op zichzelf niet volstaat om toepasbaar te zijn zonder verdere reglementering met het oog op precisering of vervollediging, heeft verzoeker geen belang bij dit onderdeel van het middel. Uit de behandeling van het tweede middel in punt 4 infra blijkt immers dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de aanvankelijk bestreden beslissing terdege heeft getoetst aan het hoger belang van het kind en dat verzoekers kritiek tegen die beoordeling wordt verworpen. Verzoeker voert in het eerste middel geen andere kritiek aan tegen die beoordeling dan in het tweede middel.
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
- Verzoekers voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerde eerste en tweede middel worden in het bestreden arrest samen behandeld. In VII-41.921-2/7 punt 2.1.3.2 van het bestreden arrest verwijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar de opgeworpen schending van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, die worden onderzocht in het licht van de tevens aangevoerde schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, (hierna: EVRM) en van artikel 74/13 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet). Na een uitgebreide theoretische uiteenzetting onderzoekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen omstandig en concreet of in de aanvankelijk bestreden beslissing rekening is gehouden met verzoekers gezinsleven met zijn drie minderjarige Belgische kinderen. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “benoemt [verzoeker] opnieuw zijn gezinsbelangen en de belangen van zijn kinderen, doch hiermee toont hij nog niet aan dat op grond van een onredelijke belangenafweging werd geoordeeld dat de actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging die hij door zijn persoonlijk gedrag vormt voor de openbare orde en openbare veiligheid, de inmenging in het gezinsleven (met inbegrip van het hoger belang van het kind) rechtvaardigt”. Waar “verzoeker [voorts] benadrukt […] dat hij zijn kinderen nooit iets heeft misdaan en dat de verweerder niet aantoont dat contact tussen de verzoeker en zijn kinderen niet in het belang van de kinderen zou zijn”, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat in de aanvankelijk bestreden beslissing nergens wordt uiteengezet dat verzoeker strafrechtelijke feiten zou hebben gepleegd ten aanzien van zijn kinderen, dat dit evenwel niet impliceert dat de verwerende partij geen einde aan verzoekers verblijf zou kunnen stellen wegens ernstige redenen van openbare orde of nationale veiligheid en geen bevel om het grondgebied te verlaten met een inreisverbod zou kunnen opleggen, dat verzoeker het bestaan van ernstige redenen van openbare orde in zijnen hoofde niet betwist en dat, “hoewel het beginsel van het belang van het kind in principe geldt in alle beslissingen die kinderen raken, het EHRM ook verduidelijkt heeft dat wanneer een verblijfs- en/of verwijderingsmaatregel wordt getroffen ten aanzien van een ouder met vreemde nationaliteit wegens strafrechtelijke veroordelingen, de beslissing in de eerste plaats de dader van de strafbare feiten betreft” en “in zulke zaken de aard en de ernst van het misdrijf of de strafrechtelijke antecedenten kunnen opwegen tegen andere criteria waarmee rekening moet worden gehouden”. Waar verzoeker “betoogt […] dat het redelijkheidsbeginsel werd geschonden doordat geen rekening werd gehouden met het feit dat hij al bijna 41 jaar in België woont, hij hier naar school ging en hier heeft gewerkt” en hij dit nog met enkele elementen toelicht, citeert de Raad voor VII-41.921-3/7 Vreemdelingenbetwistingen de in de aanvankelijk bestreden beslissing gemaakte belangenafweging. Hieruit leidt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen af dat de verwerende partij in de aanvankelijk bestreden beslissing, “in tegenstelling tot wat de verzoeker voorhoudt, wel degelijk rekening heeft gehouden met het gegeven dat verzoeker al 41 jaar in België woont (‘U bent op driejarige leeftijd in België aangekomen, momenteel bent u 44 jaar oud’), dat de verzoeker in België schoolliep en hier heeft gewerkt, dat zijn naaste familieleden in België wonen en met de bewering van de verzoeker dat hij zijn moedertaal, het Berbers slechts gebrekkig beheerst”. Hij vervolgt dat verzoeker “zich in wezen [beperkt] tot het opnieuw benoemen van zijn belangen en tot de enkele kritiek dat de bestreden maatregel deze belangen schaadt, doch hiermee toont hij nog niet aan dat op grond van een onredelijke belangenafweging werd geoordeeld dat de actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging die hij door zijn persoonlijk gedrag vormt voor de openbare orde en de openbare veiligheid, de inmenging in zijn privéleven rechtvaardigt”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt, “[g]elet op de omstandigheden van de zaak, […] met het thans gevoerde betoog niet aannemelijk gemaakt dat er, gelet op verzoekers privé- en gezinsleven in België of nog het hoger belang van zijn kinderen, sprake is van elementen die zodanig zwaar wegen dat deze zouden opwegen tegen de vastgesteld ernstige redenen van openbare orde die maken dat de Belgische samenleving moet worden beschermd tegen verzoekers gedragingen” en volstaat “[d]e uitvoerige belangenafweging die blijkt uit de motieven van de bestreden akte […] om de inmenging in verzoekers gezins- en privéleven (met inbegrip van het hoger belang van het kind) te verantwoorden”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit in punt 2.1.3.5 van het bestreden arrest dat verzoeker geen schending aantoont van artikel 8 van het EVRM noch van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet, dat verzoeker geen foutieve feitenvinding aantoont zodat geen schending van de zorgvuldigheidsplicht blijkt en dat verzoeker evenmin aantoont dat de aanvankelijk bestreden beslissing op kennelijk onredelijke wijze tot stand is gekomen. In het licht van de voorgaande en middels de aanvankelijk bestreden beslissing concreet toegelichte motieven toont verzoeker geen schending aan van de in artikel 159 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht.
- In de mate dat verzoeker de in het bestreden arrest gemaakte beoordeling betreffende de belangenafweging ook inhoudelijk betwist, houdt dit geen VII-41.921-4/7 verband met de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Bovendien treedt de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf.
- Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Derde middel
- In het bestreden arrest wordt op de door verzoeker voorgehouden schending van artikel 3 van het EVRM geantwoord: “In de bestreden beslissing wordt als volgt gemotiveerd: ‘Opvallend is de vanzelfsprekendheid waarmee u de feiten pleegde. Het koste u schijnbaar geen moeite om ondanks eerdere veroordelingen voor gelijkaardige feiten, opnieuw over te gaan tot seksueel misbruik. Volgens de bevindingen van de psychiater zou uw gewetensfunctie intact zijn en was u zich er van bewust dat wat u deed met jonge meisjes strafbaar was. Dit blijkt uit het feit dat u uw slachtoffers bedreigde om niets kenbaar te maken. Uit het psychodiagnostisch onderzoek blijkt dat u intellectueel laaggemiddeld begaafd bent en dat u lijdt aan een gefixeerde parafiele stoornis van het efebofiele type met andere woorden, uw seksuele voorkeur gaat naar pubers en jonge adolescenten, een leeftijdsgroep die voor u ‘ongevaarlijk’ is en waarbij u uw mannelijkheid kan affirmeren hetgeen u als problematisch ervaart met vrouwen van uw leeftijd. U ontkende of minimaliseerde de feiten en zei dat u enkel de bedoeling had de meisjes beter te leren kennen. Deze houding toont aan dat het u ontbreekt aan schuldbesef. Uit het psychologisch onderzoek naar uw persoonlijkheidskenmerken blijkt: ‘Personen met een dergelijk (uw) profiel ervaren weinig persoonlijke stress en verwachten van anderen dat ze zich zouden aanpassen aan hun verwachtingen eerder dan zelf pogingen te ondernemen om hun eigen gedrag in vraag te stellen.’ Gerechtspsychiater R. (…) schat het recidive gevaar als zeer hoog in en hij acht dat de kans op een succesvolle ambulante behandeling minimaal is. Bovendien wijst het feit dat u geen lessen getrokken heeft uit eerdere veroordelingen voor gelijkaardige feiten op een verhoogd risico op recidive. U beweerde dat de feiten te wijten waren aan uw depressie, uw onzekerheid, uw seksverslaving en uw drugsprobleem. Uw remmingen zouden wegvallen door de drugs waardoor u makkelijk overgaat tot seksueel deviant gedrag. Volgens u zou u na uw eerdere veroordelingen niet de juiste begeleiding gekregen hebben van justitie. Het is ongeloofwaardig en zeker onredelijk te stellen dat, ondanks het feit dat u bewezen heeft vaardig te zijn met de moderne communicatie technologieën, u er niet in geslaagd bent om via dit kanaal aangepaste therapie te vinden om aan uw seks- en andere verslavingen tegemoet te komen. Deze passieve houding toont aan dat het verhelpen van uw verslavingen niet uw prioriteit is. Thans liggen er geen stukken voor dat u enige vorm van hulp heeft gezocht, noch voor uw drugsprobleem noch voor uw seksueel probleem.’ De verzoeker herhaal thans nogmaals dat hij in België nooit werd behandeld. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de gerechtspsychiater R. de kans op een succesvolle ambulante behandeling minimaal acht en dat de verzoeker de gepleegde feiten wijt aan een depressie, zijn onzekerheid, zijn seksverslaving en zijn drugsprobleem, zonder dat hij hiervoor echter een poging heeft gedaan om een aangepaste therapie te volgen. De verweerder leidt hieruit af dat het verhelpen van zijn verslavingen voor de verzoeker VII-41.921-5/7 geen prioriteit is en dat hij geen stukken voorlegt dat hij enige vorm van hulp heeft gezocht, noch voor zijn drugsproblemen noch voor zijn seksueel probleem. Dit wordt evenmin betwist en de verzoeker geeft ook niet aan welke behandeling of welk behandelingstraject voor hem mogelijk zou zijn. Hij poneert louter dat hij in Marokko verstoken zou blijven van medische hulp, maar in eerste instantie blijft de verzoeker op de vlakte welke behandeling hij nodig zou hebben en of een behandeling überhaupt zinvol is, laat staan dat de verzoeker concreet zou aantonen dat de behandeling die hij voor ogen heeft, in Marokko niet beschikbaar en toegankelijk zou zijn. Nu de verzoeker thans in België niet wordt behandeld en hij reeds meerdere jaren geleden werd gediagnosticeerd, ziet de Raad niet in hoe een uitwijzing naar Marokko zijn levensverwachting of de kwaliteit van zijn leven op het vlak van zijn gezondheid zou beïnvloeden. Thans wordt de verzoeker ook in België niet behandeld – en dit nog daargelaten de vraag bij welke behandeling de verzoeker baat zou hebben en of hij überhaupt behandeld kan worden. Voorts dient te worden opgemerkt dat de verzoeker, zoals in de bestreden akte wordt aangegeven, tijdens zijn gehoor op 24 mei 2022, wel degelijk aangaf dat hij geen ziekte heeft die hem belemmert te reizen of naar uw herkomstland terug te keren. De verzoeker werd er bij het invullen van de door de verweerder gehanteerde vragenlijst op gewezen dat hij, indien hij een ziekte heeft die hem belemmert te reizen of terug te keren naar zijn herkomstland, de nodige medische attesten en bewijzen van behandeling diende voor te leggen. De verzoeker gaf echter te kennen dat hij niet lijdt aan een ziekte die hem belemmert om terug te keren naar het land van herkomst. In de gegeven omstandigheden heeft de verweerder in de bestreden akte dan ook terecht vastgesteld dat de verzoeker geen elementen heeft aangebracht ‘m.b.t. zijn gezondheidstoestand in het licht van artikel 3 van het EVRM’. De verzoeker kan zijn eigen stilzitten en stilzwijgen niet vergoelijken door te verwijzen naar zijn gebrek aan schuldbesef. Zoals de verweerder heeft vastgesteld, oordeelde de psychiater immers dat verzoekers gewetensfunctie intact is en dat hij zich er van bewust dat was dat het strafbaar was wat hij deed met jonge meisjes strafbaar, onder meer gelet op het feit dat hij zijn slachtoffers bedreigde om niets kenbaar te maken. De verzoeker toont in elk geval op geen enkele wijze met enig overtuigend en concreet gegeven aan dat zijn gezondheidstoestand van die aard is dat er sprake is van een onmiddellijk en nakend levensgevaar, dan wel dat er ernstige aanwijzingen zijn dat er een reëel risico bestaat op blootstelling aan een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang van de gezondheidstoestand met intens lijden tot gevolg of aanzienlijke verkorting van de levensverwachting door het gebrek aan of toegang tot een adequate behandeling van de ziekte in het ontvangstland. Gelet op het voorgaande maakt de verzoeker geen schending van artikel 3 van het EVRM aannemelijk.” Uit deze motivering blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk heeft onderzocht welke de gevolgen van een uitwijzing zijn voor verzoekers gezondheidstoestand en heeft besloten dat er bij een terugkeer naar het land van herkomst geen gevaar is voor een behandeling die in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM. Verzoeker toont niet aan dat het door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitgevoerde onderzoek onvoldoende grondig en nauwgezet is, zodat hij ook geen schending aantoont van artikel 3 van het EVRM. VII-41.921-6/7 In de mate dat verzoeker ten gronde een andere mening heeft over het risico op een behandeling in Marokko die in strijd is met artikel 3 van het EVRM, dient te worden herhaald dat de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt.
- Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 19 april 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.921-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.348 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div