id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.372 Rolnummer: A. 238493/VII-41928 Zaak: Cassatiebeschikking 15372 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-16 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-10 08:54 Fiche Beschikking nr 15.372 van 27 april 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.372 van 27 april 2023 in de zaak A. 238.493/VII-41.928 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jean-Yves Carlier kantoor houdend te 1348 Louvain-la-Neuve Rue de la Draisine 2, bus 004 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 21 februari 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 283.437 van 18 januari 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 28 maart 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel
- In een eerste middelonderdeel voert verzoekster in essentie aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest “een kennelijke beoordelingsfout” zou hebben gemaakt wat de al dan niet inschrijving van een verklaring van wettelijke samenwoonst betreft. VII-41.928-1/4 Verzoekster vraagt hiermee in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter echter niet bevoegd is.
- In een tweede middelonderdeel acht verzoekster de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gemaakte beoordeling van haar gezondheidssituatie, gekoppeld aan haar leeftijd, “volkomen onterecht” en “onevenredig”. Zij voert nog aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn beslissing had moeten motiveren. Waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opmerkt dat verzoekster geen concrete argumenten aanvoert betreffende haar gezondheidssituatie en dat haar leeftijd er haar niet van heeft weerhouden om in april 2022 vanuit de Verenigde Staten te reizen naar Belgisch grondgebied zodat verzoekster niet aannemelijk maakt dat haar leeftijd haar verhindert om tijdelijk terug te keren naar haar land van herkomst om zich aldaar in regel te stellen met de verblijfswetgeving, is het bestreden arrest wel degelijk gemotiveerd wat verzoeksters gezondheidssituatie en leeftijd betreft. Verzoekster toont niet aan in welke mate dat niet het geval zou zijn, zodat zij geen schending aantoont van de motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen. In de mate dat verzoekster de gemaakte beoordeling onterecht en onevenredig acht, vraagt zij een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd is.
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
- Verzoekster betwist de motivering uit het bestreden arrest dat de beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten van 29 augustus 2022 (hierna: aanvankelijk bestreden beslissing) werd genomen door een gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris die een ambtenaar van de dienst Vreemdelingenzaken is, dat dit een centrale dienst is waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt, dat de aanvankelijk bestreden beslissing een bestuursmaatregel is die ambtshalve is genomen na controle of verzoekster voldoet aan de binnenkomst- en verblijfsvoorwaarden, dat de aanvankelijk bestreden beslissing dus niet het gevolg is van een eventueel voorafgaande aanvraag die verzoekster in VII-41.928-2/4 het Frans heeft opgesteld en dat “in deze context” artikel 41 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 ‘op het gebruik van de talen in bestuurszaken’ (hierna: bestuurstaalwet) niet van toepassing is.
- In de mate dat verzoekster zich in het huidige middel beroept op een aantal stukken om aan te tonen dat zij zich van het Frans heeft bediend zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 41, § 1, van de bestuurstaalwet zou hebben geschonden door toe te laten dat de aanvankelijk bestreden beslissing in het Nederlands was opgesteld, dient te worden opgemerkt dat haar stukken 2 tot en met 4 uitsluitend de gemeente Schaarbeek betreffen en niet de verwerende partij noch een andere centrale dienst. Verder betreft verzoeksters stuk 5 enkel een verzoek tot verlenging van haar aankomstverklaring van 11 augustus 2022, waarvan stuk 6 een ontvangstbevestiging is. Verzoekster toont niet de onwettigheid aan van de vaststelling in het bestreden arrest dat de aanvankelijk bestreden beslissing geen betrekking heeft op een door verzoekster ingediende (verblijfs-)aanvraag. Deze beslissing is enkel gesteund op een schending van artikel 7, eerste lid, 2°, van de vreemdelingenwet omdat verzoekster langer in het Rijk verblijft dan de maximale duur van 90 dagen op een periode van 180 dagen, voorzien in artikel 6 van die wet, in concreto omdat verzoekster “reeds sedert 29.04.2022 [verblijft] in het Rijk / op het grondgebied van de Schengenstaten”. Bijgevolg kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze besluiten dat artikel 41 van de vreemdelingenwet “in deze context” niet van toepassing is, namelijk omdat het niet gaat om een beslissing die werd genomen ingevolge eerdere contacten van verzoekster met de verwerende partij (in een bepaalde taal) maar om een beslissing op grond van ambtshalve vaststellingen. Mede in het licht van het voorgaande overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze dat de aanvankelijk bestreden beslissing moet worden opgesteld in de taal van het taalgebied waar deze kan worden gelokaliseerd, dat verzoekster in casu verbleef in het Brussels Gewest (Schaarbeek) waar zij in kennis werd gesteld van die beslissing, dat in dergelijke gevallen de taal wordt gebruikt van het toelatingsexamen van de ambtenaar die de beslissing neemt of, bij ontstentenis daarvan, de taal van de groep waartoe de ambtenaar behoort op grond van zijn of haar taalrol, dat niet wordt betwist dat de betrokken ambtenaar het Nederlands als hoofdtaal heeft of haar toelatingsexamen heeft afgelegd in het Nederlands en dat de aanvankelijk bestreden VII-41.928-3/4 beslissing bijgevolg op correcte wijze in het Nederlands is genomen. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgens verzoekster bij deze beoordeling zou hebben verwezen naar bepaalde verkeerde (delen van) artikelen uit de bestuurstaalwet, vermag de wettigheid van die beoordeling niet aan te tasten.
- Het tweede middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 27 april 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.928-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.372 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div