← België

Cassatiebeschikking 15377 - Penitentiair recht - 27/04/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 april 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.377 Rolnummer: A. 238517/IX-10210 Zaak: Cassatiebeschikking 15377 - Penitentiair recht - 27/04/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-04-28 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-10 08:54 Fiche Beschikking nr 15.377 van 27 april 2023 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING INZAKE TOELAATBAARHEID VAN EEN CASSATIEBEROEP nr. 15.377 van 27 april 2023 in de zaak G/A. 238.517/IX-10210 In zake : Ahmed ABDELHAFEZ RABIH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kelly Van Elslande kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Hertjen 152 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordig door de minister van Justitie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het administratief cassatieberoep, ingesteld op 25 februari 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het gevangeniswezen van 27 januari 2023 waarbij het beroep van Ahmed Abdelhafez Rabih ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard (dossier BC/22-0043-Abdelhafez, Rabih Ahmed). II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is onderworpen aan de procedure tot toelating, bedoeld bij artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en bij de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. IX-10.210-1/4 Het dossier van de zaak is door de griffie ontvangen op 3 maart
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. De toelaatbaarheid
  5. In het cassatieberoep voert verzoeker twee middelen aan. 4.
  6. Het eerste middel is geput uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ en van het proportionaliteitsbeginsel. 4.
  7. De Beroepscommissie is geen orgaan van het actief bestuur, maar een administratief rechtscollege. De bestreden beslissing is geen administratieve rechtshandeling en op het rechtscollege zijn de artikelen 2 en 3 van de voormelde wet van 29 juli 1991 en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het proportionaliteitsbeginsel, niet van toepassing. Het middel dat van het tegendeel uitgaat, faalt kennelijk naar recht. 4.
  8. Zelfs indien zou worden aangenomen dat verzoeker met de verwijzing naar de wet van 29 juli 1991 wezenlijk een schending beoogt aan te voeren van de jurisdictionele motiveringsplicht, dient te worden vastgesteld dat het middel waarin wordt aangevoerd dat de door de Beroepscommissie vermelde redenen onjuist of onwettig zijn, volkomen vreemd is aan de jurisdictionele motiveringsplicht. IX-10.210-2/4 In zoverre met het middel zou worden beoogd de schending aan te voeren van de jurisdictionele motiveringsplicht, is het kennelijk onontvankelijk. 4.
  9. Voor zover verzoeker zou beogen te argumenteren dat een administratieve rechter het proportionaliteitsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel dient in acht te nemen, en daargelaten nog dat verzoeker nalaat een wettelijke bepaling aan toe te voeren die zulk een algemeen rechtsbeginsel vaststelt, dient te worden vastgesteld dat het middel op dit punt door verzoeker zo is geadstrueerd, dat het neerkomt op een verzoek om de beslissing van de Beroepscommissie opnieuw te onderzoeken. Als administratieve cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de Beroepscommissie overdoen maar mag hij enkel nagaan of de hem voorgelegde beslissing overeenkomstig de wet is genomen. In zoverre met het middel zou worden beoogd de schending aan te voeren van het proportionalilteitsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel, is het kennelijk onontvankelijk. 5.
  10. Het tweede middel is geput uit de schending van de wet van 30 juli 1981 ‘tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden’. Noch in het opschrift van het middel, noch in de uiteenzetting ervan wordt aangegeven welke bepaling van de wet van 30 juli 1981 verzoeker geschonden acht. Het tweede middel is dan ook kennelijk onontvankelijk. BESLISSING
  11. Het cassatieberoep is niet toelaatbaar. IX-10.210-3/4
  12. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Aldus verleend te Brussel, op 27 april 2023, door: Bruno Seutin, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bruno Seutin IX-10.210-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.377 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.