← België

Cassatiebeschikking 15396 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/05/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 25 mei 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.396 Rolnummer: A. 238830/VII-41979 Zaak: Cassatiebeschikking 15396 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/05/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-05-31 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-06-17 07:21 Fiche Beschikking nr 15.396 van 25 mei 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.396 van 25 mei 2023 in de zaak A. 238.830/VII-41.979 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pierre Robert kantoor houdend te 1000 Brussel Sint-Quentinstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 7 april 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 285.965 van 10 maart 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 28 april 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middelonderdeel
  2. Artikel 57/29 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) luidt: “§
  3. In geval van een massale toestroom of een imminente massale toestroom van ontheemden naar lidstaten van de Europese Unie die is vastgesteld bij een besluit van de Raad van de Europese Unie dat is uitgevaardigd met toepassing van richtlijn VII-41.979-1/6 2001/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen, genieten de personen die tot de in dat besluit omschreven bijzondere groepen behoren vanaf de daarin vastgestelde datum tijdelijke bescherming. §
  4. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 57/32 en op voorwaarde dat een besluit van de Raad van de Europese Unie, aangenomen overeenkomstig de richtlijn 2001/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 2001, bedoeld in § 1, niet eerder een einde maakt aan de tijdelijke bescherming, wordt deze tijdelijke bescherming verleend aan de bedoelde personen voor een periode van één jaar vanaf de datum van de inwerkingstelling van de tijdelijke bescherming en wordt deze automatisch verlengd met zes maanden voor een tweede periode van één jaar. Deze totale periode van twee jaar kan verlengd worden voor een nieuwe periode van maximaal 1 jaar door een nieuw besluit van de Raad van de Europese Unie, aangenomen overeenkomstig de richtlijn 2001/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 2001, bedoeld in § 1.” Dit artikel vormt aldus de omzetting in het Belgische recht van hetgeen is bepaald in de artikelen 2 en 5 van richtlijn 2001/55/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 juli 2001 ‘betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen’ (hierna: richtlijn 2001/55). Artikel 7.1 van richtlijn 2001/55 voorziet: “De lidstaten kunnen andere categorieën ontheemden dan die welke onder het in artikel 5 bedoelde besluit van de Raad vallen, tijdelijke bescherming krachtens deze richtlijn bieden ingeval deze om dezelfde redenen ontheemd zijn en uit hetzelfde land of dezelfde regio van oorsprong komen. Zij stellen de Raad en de Commissie hiervan onverwijld in kennis.” Deze richtlijnbepaling voorziet derhalve enkel de mogelijkheid (“kunnen”) voor de lidstaten om andere categorieën ontheemden te erkennen dan die welke onder het in artikel 5 van richtlijn 2001/55 bedoelde uitvoeringsbesluit vallen. Artikel 57/29 van de vreemdelingenwet heeft als dusdanig geen betrekking op deze mogelijkheid maar enkel op de algemene regeling.
  5. Verzoekers kritiek dat artikel 57/29 van de vreemdelingenwet moet worden gelezen in het licht van artikel 7 van richtlijn 2001/55 faalt derhalve naar recht. Om VII-41.979-2/6 die reden kan verzoeker ook niet dienstig verwijzen naar de “Mededeling van de Commissie over operationele richtsnoeren voor de uitvoering van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan (2022/C 126 I/01)” (hierna: mededeling van de Europese Commissie 2022/C 126 I/01) in de mate dat deze mededeling betrekking heeft op artikel 7 van richtlijn 2001/55, dit daargelaten de vaststelling dat dergelijke mededeling met “richtsnoeren” niet bindend is. Tweede middelonderdeel
  6. Met het bestreden arrest wordt uitspraak gedaan over verzoekers beroep tot nietigverklaring tegen de beslissing waarmee verzoekers aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van tijdelijke bescherming als bedoeld in de artikelen 57/29 en 57/30 van de vreemdelingwet werd verworpen. Verzoekers kritiek in het voorliggende middelonderdeel is echter hierop gesteund dat hij onmiddellijke toegang tot de asielprocedure zou moeten krijgen als hij buiten het toepassingsgebied van uitvoeringsbesluit 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 ‘tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan’ (hierna: uitvoeringsbesluit 2022/382) valt en is gericht tegen de wijze waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich heeft uitgesproken over verzoekers toegang tot de asielprocedure. Verzoekers kritiek heeft betrekking op de behandeling van zijn (volgend) verzoek om internationale bescherming, hetgeen echter los staat van (de beslissing over) zijn aanvraag om machtiging tot verblijf in het licht van tijdelijke bescherming. Zelfs indien zijn kritiek gegrond zou zijn wat de beoordeling in het bestreden arrest betreft van de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming, kan hij hier geen voordeel uit putten wat zijn aanvraag op grond van tijdelijke bescherming betreft. Indien verzoeker van mening is dat zijn (volgend) verzoek om internationale bescherming niet naar behoren wordt behandeld, staat het hem vrij gebruik te maken van de daartoe voorziene rechtsmiddelen. VII-41.979-3/6 Derde middelonderdeel
  7. Zoals reeds aangehaald, is de mededeling van de Europese Commissie 2022/C 126 I/01 niet bindend in het Belgische recht.
  8. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat verzoeker voorbijgaat aan de duidelijke inhoud van artikel 2.1 van uitvoeringsbesluit 2022/382, dat luidt: “Dit besluit is van toepassing op de volgende categorieën van personen die sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt als gevolg van de militaire invasie door de Russische strijdkrachten die op die datum begon: a) Oekraïense onderdanen die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven; b) staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne internationale bescherming of gelijkwaardige nationale bescherming genoten; c) gezinsleden van de in punten a) en b) genoemde personen.” Verzoeker, die niet betwist dat hij Oekraïne reeds in 2005 heeft verlaten en er sedertdien niet meer is teruggekeerd, kan niet worden beschouwd als iemand die, overeenkomstig deze bepaling, als gevolg van de Russische invasie sinds 24 februari 2022 ontheemd is geraakt en vóór deze laatste datum in Oekraïne verbleef. In beginsel zijn immers bedoeld personen die op dat ogenblik in Oekraïne verbleven en niet personen die er ooit, te dezen 18 jaar geleden, verbleven hebben. Dit blijkt overigens ook uit overweging 11 bij uitvoeringsbesluit 2022/283: “Dit besluit strekt ertoe tijdelijke bescherming in te voeren voor Oekraïense onderdanen die in Oekraïne verblijven en sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt door de militaire invasie van de Russische strijdkrachten die op die datum begon.” Vierde middelonderdeel
  9. Er moet worden herhaald dat artikel 7 van richtlijn 2001/55 slechts de mogelijkheid (“kunnen”) voorziet voor de lidstaten om “andere categorieën ontheemden dan die welke onder het in artikel 5 bedoelde besluit van de Raad vallen, tijdelijke bescherming krachtens deze richtlijn [te] bieden ingeval deze om dezelfde redenen ontheemd zijn en uit hetzelfde land of dezelfde regio van oorsprong komen”. Dat de Europese Commissie in haar mededeling 2022/C 126 I/01 de lidstaten zou hebben aangemoedigd om gebruik te maken van deze mogelijkheid, doet geen afbreuk aan het facultatieve karakter van het voormelde artikel
  10. VII-41.979-4/6 Verder blijkt ook uit overweging 14 bij uitvoeringsbesluit 2022/382 dat de facultatieve uitbreiding te dezen veeleer is bedoeld voor degenen die reeds kort voor 24 februari 2022 (en dus recent) niet meer in Oekraïne verbleven en niet degenen die er zoals verzoeker reeds 17 jaar niet meer verbleven: “De lidstaten kunnen ook andere categorieën van ontheemden dan die waarop dit besluit van toepassing is, tijdelijke bescherming bieden indien die personen om dezelfde redenen ontheemd zijn geraakt uit hetzelfde land of dezelfde regio van oorsprong als bedoeld in dit besluit. In dat geval moeten de lidstaten de Raad en de Commissie daar onmiddellijk van in kennis stellen. In dat verband moeten de lidstaten worden aangemoedigd te overwegen de tijdelijke bescherming uit te breiden tot personen die Oekraïne kort voor 24 februari 2022 zijn ontvlucht omdat de spanningen toenamen of die zich net vóór die datum op het grondgebied van de Unie bevonden (bijvoorbeeld voor vakantie of werk) en die als gevolg van het gewapende conflict niet naar Oekraïne kunnen terugkeren.” Vijfde middelonderdeel
  11. Verzoeker vraagt in dit middelonderdeel “in ondergeschikte orde” een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, namelijk of artikel 2.1 van uitvoeringsbesluit 2022/382 het gelijkheidsbeginsel schendt door slechts tijdelijke bescherming te voorzien voor bepaalde categorieën van personen die op 24 februari 2022 of erna het Oekraïense grondgebied hebben verlaten en dezelfde categorieën van personen uit te sluiten van het toepassingsgebied van de tijdelijke bescherming wanneer ze Oekraïne hebben verlaten vóór 24 februari
  12. Noch in een vorig middelonderdeel noch in het huidige middelonderdeel werpt verzoeker de schending van het gelijkheidsbeginsel als dusdanig op. Hij beperkt zich tot een “in ondergeschikte” orde voorgestelde prejudiciële vraag in het huidige middelonderdeel. Nu verzoeker niet formeel de schending van het gelijkheidsbeginsel opwerpt, kan het antwoord op de voorgestelde prejudiciële vraag niet leiden tot de oplossing van het geschil. Bovendien blijkt de voorgestelde prejudiciële vraag slechts betrekking te hebben op het feit dát een datum is bepaald en niet op het bepalen van 24 februari 2022 als concrete datum. Verzoeker voert niet immers aan dat – en hij licht a fortiori niet toe waarom – de concrete keuze van 24 februari 2022 een schending van het VII-41.979-5/6 gelijkheidsbeginsel zou vormen. Hij gaat eraan voorbij dat artikel 5.3, a) en b) van richtlijn 2001/55 de verplichting bevat om in het uitvoeringsbesluit “een omschrijving van de specifieke groepen personen waarop de tijdelijke bescherming van toepassing is” en “de datum waarop de tijdelijke bescherming ingaat” te vermelden. Verzoeker werpt geen schending van het gelijkheidsbeginsel door deze richtlijnbepaling op. Conclusie
  13. Het enige middel is in zijn vijf onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  14. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  15. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 25 mei 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.979-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.396 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.