id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 02 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.416 Rolnummer: A. 238959/VII-42007 Zaak: Cassatiebeschikking 15416 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 02/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-04 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-10 10:04 Fiche Beschikking nr 15.416 van 2 juni 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.416 van 2 juni 2023 in de zaak A. 238.959/VII-42.007 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rahim Aktepe kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 95 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het beroep, ingesteld op 25 april 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 286.643 van 27 maart 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 5 mei 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel
- Uit het bestreden arrest blijkt, hetgeen niet wordt betwist, dat verzoeker gezinshereniging heeft gevraagd in functie van zijn Belgische dochter die geen gebruik heeft gemaakt van haar recht op vrij verkeer zodat “de onderhavige zaak een zuiver interne situatie betreft”. De verwerende partij heeft die aanvraag verworpen met een beslissing van 7 november 2022 (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing). VII-42.007-1/7
- Artikel 42, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) luidt: “Het recht op een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk wordt zo snel mogelijk en ten laatste zes maanden volgend op de datum van aanvraag zoals bepaald in § 4, tweede lid, erkend aan de burger van de Unie en zijn familieleden onder de voorwaarden en voor de duur door de Koning bepaald overeenkomstig de Europese verordeningen en richtlijnen. Bij de erkenning wordt rekening gehouden met het geheel van de elementen van het dossier.” Artikel 52, § 4, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenbesluit) bepaalt: “Indien de Minister of zijn gemachtigde het verblijfsrecht toekent of als er geen enkele beslissing is genomen binnen de termijn bepaald bij artikel 42, van de wet, geeft de burgemeester of zijn gemachtigde aan de vreemdeling een ‘verblijfkaart van een familielid van een burger van de Unie’ overeenkomstig het model van bijlage 9 af.” Artikel 42, § 1, van de vreemdelingenwet stelt dus als algemene regel dat een erkenning van het recht op verblijf van meer dan drie maanden dient te gebeuren binnen de zes maanden volgend op de datum van de indiening van de aanvraag en dat de Koning de voorwaarden voor de erkenning en de duur van het verblijfsrecht bepaalt. Deze bepaling voorziet echter niet welke de gevolgen zijn indien de voormelde termijn van 6 maanden wordt overschreden, noch geeft ze de Koning de bevoegdheid om de gevolgen van een overschrijding van die termijn te bepalen. Artikel 52, § 4, van het vreemdelingenbesluit vindt wat dat betreft geen rechtsgrond in artikel 42 van de vreemdelingenwet
- Gelet op het voorgaande, faalt verzoekers kritiek naar recht als zou uit artikel 42 van de vreemdelingenwet en/of artikel 54, § 4, tweede lid, van de vreemdelingenwet een verplichting volgen voor de verwerende partij om een verblijfskaart af te geven na het verstrijken van de termijn van zes maanden na het indienen van de aanvraag tot gezinshereniging, voor zover binnen die termijn geen beslissing is genomen.
- Het eerste middel is kennelijk ongegrond. VII-42.007-2/7 Tweede middel
- Verzoeker werpt op algemene wijze een schending op van het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 271.968 van 22 april
- Hij zet echter niet uiteen op welke wijze – en hij toont a fortiori niet aan dat – in concreto geen rekening zou zijn gehouden met het beschikkend gedeelte en de daarmee onlosmakelijk verbonden motieven van dat arrest bij de beoordeling van de wettigheid van de aanvankelijk bestreden beslissing. Verder is verzoekers kritiek niet dienstig in de mate dat deze betrekking heeft op de aanvankelijk bestreden beslissing en derhalve niet op het bestreden arrest. Volgens verzoeker wordt in het bestreden arrest niet geantwoord op de in zijn tweede middel ontwikkelde kritiek. In dat middel en in zijn huidig middel beperkt verzoeker zich evenwel tot een algemene stelling. Hij toont derhalve niet aan dat de in punt 2.2.2 van het bestreden arrest gegeven duidelijke motivering niet voldoet aan de jurisdictionele motiveringsplicht. Evenmin blijkt een schending van het fair play-beginsel, nu dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing is op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Overigens steunt verzoeker zich slechts op de verworpen kritiek dat de aanvankelijk bestreden beslissing laattijdig werd genomen en op de verworpen kritiek wat de schending van het gezag van gewijsde van arrest nr. 271.968 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 22 april 2022 betreft.
- Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Derde middel
- De door verzoeker aangehaalde algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn, net als artikel 62 van de vreemdelingenwet en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Al kan de Raad van State als cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk VII-42.007-3/7 bestreden beslissing de inhoud van die beginselen of bepalingen zou hebben geschonden, de Raad van State kan zich daarbij niet in de plaats van de annulatierechter stellen om zelf te oordelen of de voornoemde beginselen of bepalingen waren geschonden met de aanvankelijk bestreden beslissing of niet. Verzoeker kan derhalve in de graad van administratieve cassatie niet op ontvankelijke wijze aanvoeren dat de aanvankelijk bestreden beslissing op onzorgvuldige wijze werd genomen, onredelijk was of niet afdoende was gemotiveerd en dat het bestreden arrest dit had moeten vaststellen. In de mate dat verzoeker zijn voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geformuleerde kritiek tegen de aanvankelijk bestreden beslissing herhaalt, is het middel niet gericht tegen het bestreden arrest en derhalve niet- ontvankelijk.
- Verzoeker acht ook de jurisdictionele motiveringsplicht geschonden in het bestreden arrest “[d]oor o.a. te stellen dat er geen concrete stukken werden voorgelegd door verzoeker n.a.v. de nieuwe beoordeling door verwerende partij”. Hij verwijst hiertoe naar een aantal foto’s, een verklaring van de moeder van de referentiepersoon, rekeninguittreksels als betalingsbewijs van alimentatie door verzoeker en een vonnis van de familierechtbank van Turnhout. Hieruit zou blijken dat hij financiële en/of affectieve (dus zelfs beide) banden met de referentiepersoon heeft aangetoond. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest dat het gezinsleven tussen de ouder-derdelander en diens minderjarig Belgisch kind daadwerkelijk valt onder de door artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, (hierna: EVRM) geboden bescherming van het gezinsleven, dat de verwerende partij er derhalve bij de toepassing van artikel 40ter, § 2, eerste lid, 2°, van de vreemdelingenwet geen strengere voorwaarden aan kan stellen en dat het overeenkomstig de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, “nadat is vastgesteld dat de aanvrager niet samenwoont met zijn dochter, vereist [is]dat affectieve en/of financiële banden worden aangetoond tussen beiden”. Na de desbetreffende motieven uit de aanvankelijk bestreden beslissing te hebben geciteerd, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “Uit het administratief dossier en de bestreden beslissing blijkt dat er op 22 september 2021 een vonnis werd geveld door de familierechtbank waarbij de akkoordconclusie VII-42.007-4/7 tussen verzoeker en de moeder van zijn kind gehomologeerd werd. In deze akkoordconclusie kwamen verzoeker en zijn ex-partner enerzijds overeen dat hij maandelijks 100 € alimentatie zou betalen en tevens voor de helft zal instaan voor de buitengewone kosten. Anderzijds werd een omgangsregeling getroffen waarbij het minderjarig kind elk weekend van vrijdagavond tot zondagavond bij verzoeker verblijft, alsook de helft van de schoolvakanties. Verweerder erkent dat deze akkoordconclusie afdwingbaar is, toch blijkt er niet dat verzoeker sindsdien zijn kind nog heeft gezien. Aangaande de omgangsregeling die werd overeengekomen, oordeelt verweerder dat niet concreet wordt aangetoond dat deze nageleefd wordt. Verzoeker betoogt dat er geen elementen voorliggen waaruit kan afgeleid worden dat het akkoordvonnis niet zou worden nageleefd. Zo wijst verzoeker erop dat er geen blijvende saisine werd ingediend. Hieromtrent dient de Raad echter op te merken dat het verzoeker evenzeer toekomt de nodige zorgvuldigheid aan de dag te leggen, zich te bekwamen in de verblijfsprocedure die hij instelt en indien nodig zijn aanvraag te vervolledigen of te actualiseren. De zorgvuldigheidsverplichting die rust op de bestuursoverheid geldt ook ten aanzien van de rechtsonderhorige of, in het kader van een wederkerig bestuursrecht, de burger (RvS 28 april 2008, nr. 182.450). In navolging van het vernietigingsarrest van de Raad met nummer 271 967 van 27 april 2022 werd verzoeker op 12 september 2022 in het bijzonder gevraagd om nieuwe bewijsdocumenten over te maken met betrekking tot de financiële en/of affectieve banden die verzoeker onderhoudt met zijn kind. Hierin wordt uitdrukkelijk gewezen op ‘bewijs of bewijzen betreffende de uitvoering van de akkoordconclusie van 8 september 2021 tussen betrokkene en de moeder van het kind zoals gehomologeerd door de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen. De uitvoering van de beschikking mag met elk passend middel worden aangetoond. Het is de bedoeling dat de bewijsstukken aantonen dat er sprake is van [een] effectief beleefde hechte persoonlijke band tussen vader en kind, van een relatie tussen vader en kind die voldoende standvastig is.’ In het schrijven werd expliciet gesteld dat ‘het niet de bedoeling [is] dat eerder voorgelegde bewijsstukken zoals de oude foto’s opnieuw worden voorgelegd. Het is wel degelijk de bedoeling dat de bewijsstukken over de situatie/relatie die sinds de vastgestelde bezoekregeling is gehomologeerd, heeft plaatsgevonden tot op heden’. In de bestreden beslissing wordt erop gewezen dat de foto’s die verzoeker neerlegde reeds werden overgemaakt in het kader van zijn verblijfsaanvraag op 14 juli
- Hieruit volgt dat deze stukken dateren van voor de homologatie van de voormelde akkoordconclusie op 22 september
- Ook de verklaring van verzoekers ex-partner van 9 maart 2021 dateert van voor de homologatie van de akkoordconclusie. Verzoeker kan dan ook niet dienstig voorhouden dat deze stukken aantonen dat de voormelde omgangsregeling nageleefd wordt. Betreffende de neergelegde foto’s wordt in de bestreden beslissing tevens gemotiveerd dat deze onvoldoende zijn om een affectieve gezinsband aan te tonen. Door louter het tegendeel te betogen, maakt verzoeker niet aannemelijk dat deze motivering kennelijk onredelijk of onzorgvuldig is. Ook door aan te voeren dat er geen blijvende saisine werd ingediend, toont verzoeker niet aan dat de afgesproken omgangsregeling effectief wordt nageleefd. Verzoeker legt geen andere concrete stukken neer waaruit kan worden afgeleid dat de overeengekomen omgangsregeling daadwerkelijk nageleefd wordt. De Raad acht het dan ook niet kennelijk onredelijk of onzorgvuldig om te stellen dat het louter bestaan van een akkoordconclusie geen afdoende bewijs is van een affectieve band tussen verzoeker en zijn dochter. Wat betreft de betaling van de alimentatiegelden, wijst verzoeker meer bepaald op de screenshots die hij neerlegde van zijn zichtrekening waaruit zijn verrichtingen blijken van 14 september tot 3 oktober. Waar verweerder motiveert dat verzoeker op een VII-42.007-5/7 onregelmatige manier alimentatie betaalt en in zeer wisselende bedragen, wijst verzoeker erop dat hij sommige maanden meer betaalt indien er zich buitengewone kosten voordoen. Met zijn betoog gaat verzoeker er evenwel aan voorbij dat de bestreden beslissing motiveert dat het betalen van alimentatie op zich onvoldoende bewijs is van een effectief beleefde band tussen vader en kind. Waar verzoeker aldus aanvoert dat verweerder in de weigeringsbeslissing van 23 december 2021 uitdrukkelijk erkende dat er sprake is van financiële banden tussen verzoeker en zijn dochter, is uit het voorgaande gebleken dat er sprake dient te zijn van effectief beleefde hechte banden tussen verzoeker en zijn dochter om te kunnen spreken van gezinsbanden. Er blijkt dat verzoeker dit niet aannemelijk maakt. De thans bestreden weigeringsbeslissing is bovendien een nieuwe beslissing die werd genomen na een nieuwe analyse van verzoekers verblijfsaanvraag. De Raad acht het in casu niet kennelijk onredelijk of onzorgvuldig om te stellen dat verzoeker heeft nagelaten bewijzen van een financiële/affectieve band met het kind voor te leggen, en dat op basis van de voorgelegde stukken niet kan worden vastgesteld dat verzoeker voldoet aan de voorwaarden van artikel 40ter van de vreemdelingenwet om het verblijfsrecht in België te verkrijgen op basis van gezinshereniging.” Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk de door verzoeker bedoelde stukken heeft betrokken in zijn beoordeling. Verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
- Door te overwegen dat enkel een financiële band tussen ouder en kind niet volstaat om te besluiten tot een gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM doch dat deze financiële band slechts volstaat indien “sprake is van effectief beleefde hechte persoonlijke banden, van een relatie tussen de betrokken ouder en het minderjarig kind die voldoende standvastig is om de facto gezinsbanden te creëren”, schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet de inhoud van artikel 8 van het EVRM. Hij oordeelt immers enkel dat de financiële banden moeten worden gezien in het kader van een gezinsband en niet op zichzelf. Verder komt het de Raad van State als cassatierechter niet toe de feitelijke beoordeling van het al dan niet bestaan van dergelijke gezinsband over te doen.
- Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Vierde middel VII-42.007-6/7
- Verzoeker herhaalt letterlijk zijn vierde voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangehaald middel. Met de enkele toevoeging dat “[o]p dit middel […] zelfs amper [wordt] ingegaan door de Raad in het bestreden arrest” toont verzoeker geen schending aan van de in het opschrift van het middel aangehaalde bepalingen. De aangevoerde schending van artikel 8 van het EVRM wordt in het bestreden arrest behandeld samen met het derde middel. Verzoeker zet niet uiteen in welke mate die motivering in strijd is met het voormelde artikel 8 of niet voldoet aan de jurisdictionele motiveringsplicht. Verzoeker gaat evenmin in op de overweging in het bestreden arrest dat de schending van artikel 3 van het internationaal verdrag van 20 november 1989 inzake de Rechten van het Kind niet concreet wordt uiteengezet.
- Het vierde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 2 juni 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.007-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.416 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div