← België

Cassatiebeschikking 15435 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.435 Rolnummer: A. 238889/VII-41990 Zaak: Cassatiebeschikking 15435 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-26 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-10 10:40 Fiche Beschikking nr 15.435 van 9 juni 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.435 van 9 juni 2023 in de zaak A. 238.889/VII-41.990 In zake : XXXXX wonende te 1730 Asse Gentsesteenweg 306 alwaar keuze van woonst wordt gedaan bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Sampermans kantoor houdend te 3500 Hasselt Koningin Astridlaan 46 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 17 april 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 286.189 van 15 maart 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 12 mei 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ zijn als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoeker kan dan ook geen schending van deze bepalingen inroepen omdat het bestreden arrest geen voldoende motivering zou bevatten. Verder heeft kritiek op de motieven van de voor de Raad voor VII-41.990-1/3 Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing van de verwerende partij geen betrekking op het bestreden arrest.
  2. Ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslisingen zoals het bestreden arrest. Verzoekers kritiek dat de verwerende partij in haar beslissing de redelijkheidsplicht en de zorgvuldigheidsplicht zou hebben geschonden, heeft geen betrekking op het bestreden arrest.
  3. Verzoekers kritiek dat de verwerende partij met haar beslissing artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: EVRM), gelezen samen met artikel 13 van dit verdrag, “het principe van de wapengelijkheid”, artikel 10 en 11 van de Grondwet en artikel 14, § 1, van het internationaal verdrag inzake Burger- en Politieke rechten, ondertekend te New-York op 16 december 1966, zou hebben miskend, heeft geen betrekking op het bestreden arrest.
  4. Volgens verzoeker bevat het bestreden arrest “geen voldoende motivering”, doch hij licht deze bewering niet toe en hij gaat volledig voorbij aan de motieven van het bestreden arrest. Hij toont dan ook geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet of artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet).
  5. Ook wat de voorgehouden schending van artikel 8 van het EVRM betreft, gaat verzoeker niet in op de eigen motieven van het bestreden arrest. In de mate dat verzoeker verwijst naar de “onderzoeksplicht” die zou voortvloeien uit de voormelde verdragsbepaling, geeft hij niet aan welke concrete tekortkomingen in het onderzoek de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou hebben moeten vaststellen.
  6. Verzoeker verwijst in het opschrift van het middel naar de artikelen 149 en 191 van de Grondwet en de artikelen 42septies, 47/1, 2°, en 47/4 van de vreemdelingenwet, zonder evenwel verder toe te lichten op welke wijze deze bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. VII-41.990-2/3
  7. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  9. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 9 juni 2023 door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.990-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.435 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.