← België

Cassatiebeschikking 15439 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.439 Rolnummer: A. 239022/VII-42016 Zaak: Cassatiebeschikking 15439 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-22 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-06-14 03:21 Fiche Beschikking nr 15.439 van 12 juni 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.439 van 12 juni 2023 in de zaak A. 239.022/VII-42.016 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ali Fadili kantoor houdend te 2000 Antwerpen Terninckstraat 13 bus C tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 mei 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 286.820 van 30 maart 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 12 mei 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. Wat de voorgehouden schending van de artikelen 22 en 23 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) betreft, voert verzoeker in essentie aan “dat de ernstige redenen van openbare of nationale veiligheid zich enkel beperken tot terrorisme en /of zeer ernstige criminaliteit”. VII-42.016-1/9 Op grond van artikel 22, § 1, 3°, van de vreemdelingenwet kan de verwerende partij “om ernstige redenen van nationale orde of openbare veiligheid” een einde maken aan het verblijf van de onderdaan van een derde land die gemachtigd of toegelaten is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk sinds ten minste tien jaar en die er sindsdien ononderbroken verblijft. In de wet wordt niet gepreciseerd wat moet worden verstaan onder ernstige redenen van nationale orde of openbare veiligheid. Wel wordt in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat heeft geleid tot artikel 13 van de wet van 24 februari 2017 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, met het doel de bescherming van de openbare orde en de nationale veiligheid te versterken’, waarmee artikel 22 van de vreemdelingenwet werd gewijzigd, vermeld: “Wanneer zij overweegt een einde te maken aan het verblijf om redenen van openbare orde of nationale veiligheid, moet de bevoegde overheid dus, geval per geval, nagaan of de bedreiging die de betrokkene vertegenwoordigt wel voldoende ernstig is om dat te doen, gelet op zijn verblijfsstatus. Daartoe moeten alle relevante gegevens, feitelijke en juridische, die specifiek zijn voor het geval in aanmerking worden genomen. Verscheidene factoren kunnen zo van invloed zijn op de ernst van de bedreiging, zoals de aard of de omvang van de feiten, de aard en de ernst van de opgelopen of uitgesproken sancties, de juridische en/of politieke context van de feiten, zowel op nationaal als op internationaal vlak, de status van het slachtoffer, de graad van verantwoordelijkheid of betrokkenheid van de betrokkene, de sociale of beroepsstatus van de betrokkene, zijn neiging tot herhaling of tot volhouden van zijn gedrag, de modus operandi, enzovoort. Zo kan, conform de rechtspraak van het Hof van Justitie, het begrip ‘ernstige redenen van openbare orde of nationale veiligheid’ het deelnemen aan of ondersteunen van terroristische activiteiten of van een terroristische organisatie (arrest H.T., 24 juni 2015, C- 373/13, ECLI:EU:C:2015:413), de aan de drugshandel gerelateerde criminaliteit (arrest Tsakouridis, 23 november 2011, C-145/09, EU:C:2010:708; arrest Calfa, 19 januari 1999, C-348/96, EU:C:1999:6; arrest Orfanopoulos en Oliveri, 29 april 2004, C-482/01 en C-493/01, EU:C:2004:262), de daden van seksueel misbruik of verkrachting jegens een minderjarige, de mensenhandel en de seksuele uitbuiting van vrouwen en kinderen, de illegale handel in drugs, de illegale wapenhandel, het witwassen van geld, de corruptie, de vervalsing van betaalmiddelen, de cybercriminaliteit en de georganiseerde misdaad (arrest P.I., 22 mei 2012, C-348/09, EU:C:2012:300), of nog de fiscale fraude (arrest Aladzhov, 17 november.2011, C- 434/10, EU:C:2011:750), dekken.” Hieruit blijkt dat de wetgever niet de bedoeling heeft gehad de “ernstige redenen van openbare orde” te beperken tot uitsluitend terrorisme en/of daden van zware criminaliteit, zoals verzoeker voorhoudt. VII-42.016-2/9
  3. Verzoeker verwijst naar ’s Raads arrest nr. 249.488 van 14 januari 2016 [lees: 2021]. Het is juist dat de Raad van State hierin heeft geoordeeld dat enkel een einde kan worden gesteld aan het verblijf wegens ernstige redenen van openbare orde en nationale veiligheid voor zover het gaat om daden van terrorisme of zeer zware criminaliteit, doch het betrof, anders dan in het thans bestreden arrest, een vreemdeling die vóór de leeftijd van 12 jaar op het grondgebied was aangekomen. Dit is niet het geval voor verzoeker, die zelf voorhoudt te zijn geboren op 5 mei 1988 en in België te zijn aangekomen op 5 augustus 2003, dus op de leeftijd van 15 jaar.
  4. Verzoeker verwijst nog naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 112/2019 van 18 juli
  5. Hieruit blijkt echter enkel dat de mogelijkheid tot verwijdering van een vreemdeling die in België is geboren of vóór de leeftijd van 12 jaar op het grondgebied is aangekomen en die er sindsdien hoofdzakelijk en regelmatig verblijft, beperkt moet worden tot de gevallen van terrorisme of zeer zware criminaliteit. Deze laatste beperking geldt derhalve niet voor de vreemdeling die, zoals in het bestreden arrest met betrekking tot verzoeker wordt vastgesteld en zoals niet wordt betwist, pas op of na de leeftijd van 12 jaar België is binnengekomen.
  6. Verzoekers kritiek als zouden de artikelen 22 en 23 van de vreemdelingenwet een “absolute bescherming” inhouden zodat zijn verblijf derhalve enkel zou kunnen worden beëindigd om daden van terrorisme of zeer zware criminaliteit, ook voor vreemdelingen die na de leeftijd van 12 jaar België zijn binnengekomen, faalt bijgevolg naar recht.
  7. Verzoeker betwist dat uit de opsomming van zijn strafrechtelijke veroordelingen een ernstig gevaar voor de openbare orde kan worden afgeleid. Uit de motivering van het bestreden arrest blijkt echter dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn oordeel niet steunt op één of meer correctionele veroordelingen als dusdanig maar op verzoekers “beladen strafrechtelijk verleden”, zijn verslavingsprobleem dat niet verholpen zou zijn en dat tot bijkomende klachten zoals exhibitionisme zou leiden, zijn persoonlijkheidstrekken van het antisociale, vermijdende en narcistische type, het recidivegevaar en het feit dat verzoeker de ernst van zijn daden niet VII-42.016-3/9 schijnt in te zien. Verzoekers kritiek gaat uit van een foutieve lezing van het bestreden arrest en mist derhalve feitelijke grondslag. In de mate dat verzoeker de beslissing van de verwerende partij van 2 december 2022 (hierna: aanvankelijk bestreden beslissing) “kennelijk onredelijk” acht, is zijn kritiek niet gericht tegen het bestreden arrest. De Raad van State is als cassatierechter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden en hij vermag derhalve niet de door de annulatierechter gemaakte feitelijke beoordeling over te doen.
  8. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
  9. Verzoeker voert in essentie aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet heeft onderzocht of “de gemachtigde van de Staatssecretaris een zorgvuldige belangenafweging heeft verricht over het bestaan van banden met zijn land van verblijf of met het ontbreken van banden met zijn land van oorsprong, met zijn leeftijd en met de gevolgen voor hem en zijn familieleden in de zin van artikel 23, § 2, laatste lid van de Vreemdelingenwet”.
  10. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest onder meer: “Met betrekking tot de duur van verzoekers verblijf in België wordt er gemotiveerd dat het inherent is aan een langdurig verblijf dat hij scholing heeft genoten, dat het begrijpelijk is dat verzoeker tijdens zijn verblijf vriendschappen heeft opgebouwd en dat zijn sociaal leven zich alhier afspeelt. Daarnaast blijkt uit nazicht van de Dolsis databank dat verzoeker tussen 2006 en 2011 tewerkgesteld was. Na 2011 heeft verzoeker echter niet meer in dienstverband gewerkt. Verweerder merkt op dat verzoeker op heden onder het emailadres van zijn zus ingeschreven staat bij de VDAB. Gelet op verzoekers ingesteldheid stelt verweerder zich vragen over de mate waarin verzoeker zelf actief op zoek is naar werk. Er blijkt niet dat er gesproken kan worden van een sterke economische binding. Vaardigheden die verzoeker verwierf tijdens zijn schoolloopbaan, zijn vroegere tewerkstelling en de cursussen die hij volgde in de gevangenis, kan verzoeker tevens aanwenden in Marokko. Verweerder erkent dat het voor verzoeker een aanpassing zal vereisen om zijn leven opnieuw op te bouwen in Marokko, doch wordt er vastgesteld dat er geen elementen voorliggen waaruit blijkt dat er sprake is van onoverkomelijke of bijzondere obstakels die een terugkeer kunnen verhinderen. Er wordt gemotiveerd dat verzoeker Arabisch en Berbers spreekt en op de hoogte is van de Marokkaanse cultuur. Waar verzoeker VII-42.016-4/9 aangaf geen netwerk meer te hebben in zijn land van herkomst en betoogt dat hij nood heeft aan de steun van zijn familie om zijn verslavingsproblematiek aan te pakken, motiveert verweerder dat verzoeker al vele jaren kampt met deze problematiek ondanks de aanwezigheid van zijn familie. Verweerder wijst erop dat er in Marokko tevens behandelingen bestaan voor verslavingsproblematieken. Er zijn gratis behandelingen beschikbaar, verzoeker toont niet aan dat hij hiervoor niet in aanmerking zou komen. Daarenboven wordt er gewezen op het ‘special needs’ programma van de Dienst Vreemdelingenzaken, waarop verzoeker beroep zou kunnen doen indien hij dit wenst. Verweerder gaat ervan uit dat verzoeker als volwassen persoon zonder zijn familie opnieuw een kennissenkring en sociaal netwerk kan uitbouwen buiten België. Zelfs indien de integratie in Marokko moeizamer zou verlopen door verzoekers verblijf in België, maakt dit niet dat deze integratie onmogelijk is of dat er onoverkomelijke belemmeringen daartoe zouden zijn. Wat betreft verzoekers gezinsbanden op het grondgebied, wordt er in de bestreden beslissing erkend dat verzoekers ouders, broer en zussen een verblijfsrecht hebben en ook in België wonen. Verzoeker betoogt een gezinsband te onderhouden met elk van hen. In de bestreden beslissing wordt geoordeeld dat bovenstaande elementen echter niet opwegen tegen de ernst en het actueel gevaar dat verzoeker vormt voor de openbare orde omwille van zijn persoonlijke gedragingen. De bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten rechtvaardigen de inmenging in het privé-en gezinsleven van betrokkene. Het feit dat verzoeker samenwoonde met zijn familieleden heeft hem er niet van weerhouden om meermaals strafrechtelijke feiten te plegen. Verzoeker is bovendien meerderjarig en toont hij niet aan dat er sprake zou zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hemzelf en zijn in België verblijvende familieleden. Uit het feit dat verzoeker op hetzelfde adres verbleef en over een vaste verblijfplaats bij zijn familieleden beschikte, kan niet afgeleid worden dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn. Ook het feit dat zijn familieleden, en meer bepaald verzoekers moeder mentale, problemen zouden ondervinden door verzoekers situatie, tonen dit evenmin aan. Er liggen immers geen stukken voor ter staving van verzoekers betoog en daarenboven zijn er andere familieleden woonachtig op het grondgebied die de eventuele zorgen voor verzoekers moeder op zich kunnen nemen. Verweerder wijst erop dat verzoeker contacten kan onderhouden met zijn familie via moderne communicatiemiddelen. Het staat verzoekers familieleden daarenboven vrij om België in en uit te reizen, waardoor zij verzoeker kunnen bezoeken in Marokko. Dat de uitoefening van zijn familieleven met zijn ouders, broer en zussen die in België gevestigd zijn, moeilijker zal verlopen, is het gevolg van verzoekers keuze om zich herhaaldelijk schuldig te maken aan ernstige inbreuken tegen de openbare orde. Verzoekers Belgische partner, met wie hij in het huwelijk wenst te treden, is tevens woonachtig in België. Hieromtrent motiveert verweerder dat verzoeker geen stukken neerlegt ter staving van de duurzaamheid van zijn relatie en wordt er bovendien opgemerkt dat verzoekers familie niet op de hoogte is van de relatie. Ook in het kader van het onderhavig beroep herhaalt verzoeker louter dat hij een duurzame relatie onderhoudt met zijn partner. Hiermee gaat hij echter voorbij aan de motieven van de bestreden beslissing en maakt hij dan ook niet aannemelijk dat deze kennelijk onredelijk of onzorgvuldig zijn. Uit het bovenstaande blijkt dat, in tegenstelling tot wat verzoeker betoogt, de ernst van de gepleegde misdrijven in de bestreden beslissing wel degelijk afgetoetst worden aan verzoekers belangen in België, de banden met het land van oorsprong en de impact van deze beslissing op verzoekers privé- en gezinsleven, zoals geduid door het Europees Hof in het arrest “Boultif”. De elementen die verzoeker in het middel aanvoert werden beoordeeld door verweerder. Verzoeker geeft duidelijk te kennen dat hij het niet eens is met verweerders beoordeling, doch maakt hij hiermee niet VII-42.016-5/9 aannemelijk dat de motieven van de bestreden beslissing kennelijk onredelijk of onzorgvuldig zijn.” Verzoeker beperkt zich tot het in grote lijnen herhalen van het standpunt uit zijn verzoekschrift tot nietigverklaring doch hij gaat niet in op de voormelde motieven van het bestreden arrest, die onder meer betrekking hebben op de in artikel 23, § 2, tweede lid van de vreemdelingenwet opgenomen elementen. Hij toont hiermee niet concreet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is tekortgeschoten in zijn onderzoek of de verwerende partij in de aanvankelijk bestreden beslissing rekening heeft gehouden met het bepaalde in artikel 23, § 2, tweede lid van de vreemdelingenwet of in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: EVRM). Verzoeker toont op die wijze evenmin een schending van de in artikel 149 en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht.
  11. Het tweede middel is kennelijk ongegrond Derde middel
  12. Verzoeker betwist dat het bestreden arrest afdoende is gemotiveerd wat het opgelegde inreisverbod en met name de duur ervan betreft. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou aldus de jurisdictionele motiveringsplicht alsmede artikel 74/11 iuncto artikel 23, § 2, tweede lid, van de vreemdelingenwet hebben geschonden.
  13. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dienaangaande in het bestreden arrest: “3.3.
  14. De deelbeslissing om een inreisverbod op te leggen steunt op artikel 74/11, § 1, vierde lid, van de vreemdelingenwet. In casu wordt een inreisverbod van acht jaar opgelegd, omdat verzoeker geacht wordt een ernstige bedreiging te vormen voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Verzoeker betoogt dat verweerder de ernst van de door hem gepleegde feiten niet ernstig heeft onderzocht en geen rekening heeft gehouden met de context van de veroordelingen. Zo voert verzoeker aan dat hij enkel feiten heeft gepleegd onder invloed. Doch zou hij behandeld zijn voor zijn verslavingsproblematiek. Er blijkt volgens verzoeker dan ook niet dat hij in de toekomst nog een crimineel gedrag zal voortzetten, volhouden of herhalen. 3.3.
  15. In tegenstelling tot wat verzoeker lijkt te betogen, blijkt uit de lezing van de bestreden beslissing dat verweerder ook bij het opleggen van het inreisverbod uitvoerig ingaat op de feiten waarvoor verzoeker veroordeeld werd alsook zijn VII-42.016-6/9 verslavingsproblematiek. Zoals reeds werd vastgesteld bij de bespreking van het eerste middel, maakt verzoeker niet aannemelijk dat hij op heden zijn verslaving onder controle heeft. Uit de bespreking van het eerste middel is tevens gebleken dat het niet kennelijk onredelijk of onzorgvuldig is om op basis van de ernst van de gepleegde feiten en het herhaaldelijk karakter van correctionele veroordelingen vast te stellen dat verzoeker een ernstig gevaar vormt voor de openbare orde. Met de grieven die verzoeker aanvoert in zijn derde middel, blijkt niet dat er in het kader van de beslissing tot het opleggen van een inreisverbod in andersluidende zin geoordeeld moet worden. 3.3.
  16. In een volgend middelonderdeel voert verzoeker aan dat verweerder heeft nagelaten te verduidelijken waarom er in casu een inreisverbod voor een maximumduur van acht jaar wordt opgelegd. In de eerste plaats dient de Raad op te merken dat artikel 74/11, § 2, laatste lid, van de vreemdelingenwet voorziet dat een inreisverbod van meer dan vijf jaar opgelegd kan worden indien er sprake is van een ernstige bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid. In tegenstelling tot wat verzoeker lijkt te betogen, werd er in dit verband niet voorzien in een maximumduur. Verzoeker kan aldus niet worden gevolgd waar hij betoogt dat er een inreisverbod wordt opgelegd voor de “maximumduur” van acht jaar. Voorts dient opgemerkt te worden dat er in de bestreden beslissing zeer uitgebreid wordt ingegaan op de elementen die eigen zijn aan de zaak. Er wordt gewezen op de herhaaldelijke correctionele veroordelingen, verzoekers verslavingsproblematiek en zijn gezins- en privéleven in België. Verweerder stelt daarenboven vast dat er in Marokko gespecialiseerde zorg bestaat voor de verslaving waarmee verzoeker te kampen heeft. Er wordt tevens gemotiveerd dat er niet blijkt dat verzoeker medicatie of een behandeling nodig heeft die enkel in België beschikbaar en toegankelijk is. Tot slot motiveert verweerder tevens dat er geen sprake is van een reëel risico op blootstelling aan onmenselijke behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM in het geval van een terugkeer naar Marokko. Op basis van deze elementen motiveert verweerder dat het gepast is om een inreisverbod van acht jaar op te leggen. Verweerder heeft uitvoerig uiteengezet waarom hij een inreisverbod van acht jaar proportioneel acht. Waar verzoeker betoogt dat niet duidelijk is welke motieven aan de basis liggen van het opgelegde inreisverbod, kan hij geenszins worden gevolgd. Gelet op de elementen die eigen zijn aan de zaak, stelt de Raad vast dat verweerder op voldoende wijze motiveerde waarom hij gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid conform artikel 74/11, § 1, vijfde lid, van de vreemdelingenwet en een inreisverbod oplegde van acht jaar. Het bestuur moet de motieven van de motieven niet motiveren. 3.3.
  17. In zijn verzoekschrift verwijst verzoeker naar een arrest van de Raad van State met nummer 225 871 van 18 december
  18. In dit arrest oordeelt de Raad van State dat enkel op grond van de vernietiging van de beslissing houdende inreisverbod niet tot de vernietiging van het bevel om het grondgebied te verlaten kan worden besloten. Verzoeker verduidelijkt niet waarom dit arrest relevant is in het kader van het onderhavig beroep.”
  19. Uit de voorgaande motivering, in het bijzonder uit punt 3.3.3 van het bestreden arrest, blijkt duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat de duur van het inreisverbod wel degelijk gemotiveerd is. Waar verzoeker aanhaalt dat een inreisverbod niet mag worden gesteund op een “criminele ingesteldheid” VII-42.016-7/9 van de betrokkene, dient te worden opgemerkt dat deze formulering nergens voorkomt in het bestreden arrest. Verzoeker herhaalt verder zijn standpunt over zijn familiebanden en een gebrek aan banden met Marokko, doch hij toont daarmee niet de onwettigheid van de door de eerste rechter gemaakte beoordeling aan, die is gesteund op de omstandige en concrete vaststellingen uit de aanvankelijk bestreden beslissing.
  20. Het derde middel is kennelijk ongegrond. Vierde middel
  21. Verzoeker verwijst naar een aantal elementen wat zijn gedrag en zijn sociaal en familieleven betreft en voert aan “[d]at het opgelegde inreisverbod onvoldoende gemotiveerd werd in het licht van artikel 8 EVRM, zodat de rechter in vreemdelingenzaken dan ook het artikel 8 van het EVRM en artikel 74/13 van de [vreemdelingenwet] schendt”.
  22. Uit de overwegingen van het bestreden arrest die supra zijn geciteerd bij de behandeling van het derde middel blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft onderzocht of rekening werd gehouden met het gezins- en familieleven van verzoeker. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in dit verband dat in de aanvankelijk bestreden beslissing “zeer uitgebreid wordt ingegaan op de elementen die eigen zijn aan de zaak”. Er blijkt inderdaad dat in die beslissing, die wordt geciteerd in het bestreden arrest, wordt gemotiveerd over het feit dat verzoeker sinds zijn vijftiende jaar in België verblijft, over de relatie met zijn ouders, zijn zussen, andere familieleden en zijn vriendin, over de mogelijkheid om zonder onoverkomelijke of bijzondere obstakels in Marokko een bestaan op te bouwen en er deel te nemen aan de behandeling van zijn verslavingsproblematiek, eventueel met extra ondersteuning via het door de dienst Vreemdelingenzaken zelf gefinancierde special needs-programma, over het gevaar voor recidive, over verzoekers werkbereidheid en over de verhouding tussen enerzijds de opgelegde maatregel omwille van de bescherming van de openbare orde en anderzijds verzoekers privébelangen. Met het herhalen van zijn voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangehaalde elementen en de algemene stelling dat het VII-42.016-8/9 inreisverbod onvoldoende werd gemotiveerd, toont verzoeker niet aan dat het door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gevoerde onderzoek niet voldoet aan de vereisten van artikel 8 van het EVRM of aan de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. Verder is de Raad van State als cassatierechter niet bevoegd om kennis te nemen van de zaak zelf en komt het hem dus niet toe in de plaats van de annulatierechter te treden en de feitelijke beoordeling van de aanvankelijk bestreden beslissing over te doen.
  23. Het vierde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  24. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  25. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 12 juni 2023 door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.016-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.439 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:EU:C:2015:413 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.