← België

Cassatiebeschikking 15457 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 19/06/2023

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 19 juni 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.457 Rolnummer: A. 239085/VII-42033 Zaak: Cassatiebeschikking 15457 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 19/06/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-06-30 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-06 07:27 Fiche Beschikking nr 15.457 van 19 juni 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK CA/. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.457 van 19 juni 2023 in de zaak A. 239.085/VII-42.033 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 mei 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 287.582 van 14 april 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 26 mei 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. 1. Verzoekers uiteenzetting dat de verwerende partij het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden door alsnog zijn verzoek om internationale bescherming met toepassing van artikel 57/6/1, § 1 en § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) kennelijk ongegrond te verklaren, ondanks de (overschrijding van

  1. de)wettelijk voorziene termijn van VII-42.033-1/4 15 werkdagen, is niet gericht tegen het bestreden arrest maar tegen de beslissing van de verwerende partij van 18 oktober 2022. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk. 2. Volgens verzoeker volstaat de motivering in het bestreden arrest niet als antwoord op zijn argumentatie dat de beslissing om zijn verzoek om internationale bescherming kennelijk ongegrond te verklaren wel degelijk rechtsgevolgen heeft, namelijk dat op basis van artikel 74/14, § 3, 6°, van de vreemdelingenwet kan worden afgeweken van de termijn van 30 dagen bij het nemen van een verwijderingsbeslissing indien het verzoek om internationale bescherming als kennelijk ongegrond werd beschouwd op grond van artikel 57/6/1, § 2, van de vreemdelingenwet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest dat uit geen enkel wetsartikel blijkt dat de verwerende partij bij het overschrijden van de in artikel 57/6/1 van de vreemdelingenwet bedoelde termijn “de bevoegdheid zou verliezen om het verzoek te behandelen volgens een versnelde procedure en/of niet meer mogen besluiten tot de kennelijke ongegrondheid van het verzoek”. Hij vervolgt dat [h]oe dan ook […], dit in tegenstelling met wat verzoeker laat uitschijnen, bovendien uit de Memorie van Toelichting [blijkt] dat het feit dat een verzoek om internationale bescherming niet werd behandeld volgens een versnelde procedure (artikel 57/6/1, § 1) er niet aan in de weg staat dat de commissaris-generaal in fine een verzoek toch als kennelijk ongegrond kan beschouwen”, waarbij hij nog citeert dat “volgens de huidige stand van de wetgeving, het feit dat een verzoek om internationale bescherming als kennelijk ongegrond wordt beschouwd, geen enkel gevolg heeft op het verloop van de asielprocedure, en meer in het bijzonder op het niveau van het beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (Parl. St. Kamer, 2016-2017, nr. 54K2548001, 112-113, 116)”. Door aan te geven dat een verzoek om internationale bescherming ook kennelijk ongegrond kan worden verklaard zonder toepassing van de versnelde procedure en dat dit geen gevolgen heeft voor de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen impliciet doch zeker aan dat ook in dat geval de toepassing van artikel 74/14, § 3, 6°, van de vreemdelingenwet mogelijk is en er dus geen verschil bestaat naargelang het verzoek om VII-42.033-2/4 internationale bescherming kennelijk ongegrond wordt verklaard met of zonder toepassing van de versnelde procedure. Verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. 3. De in artikel 57/6/1 van de vreemdelingenwet vermelde beslissingstermijn van 15 werkdagen is wel degelijk een termijn van orde. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve op wettige wijze besluiten dat de overschrijding van die termijn niet tot gevolg heeft dat de verwerende partij niet langer bevoegd zou zijn om het door verzoeker ingediende verzoek om internationale bescherming kennelijk ongegrond te verklaren met toepassing van artikel 57/6/1, § 2, van de vreemdelingenwet. Artikel 74/14, § 3, 6°, van de vreemdelingenwet bepaalt dat kan worden afgeweken van de termijn van 30 dagen om het grondgebied te verlaten ingevolge een verwijderingsbeslissing, onder meer indien het verzoek om internationale bescherming “als kennelijk ongegrond [werd] beschouwd op grond van artikel 57/6/1, § 2”. Artikel 57/6/1, § 2 van dezelfde wet voorziet dat “[i]n het geval van weigering van internationale bescherming en indien de verzoeker om internationale bescherming zich in één van de gevallen vermeld in paragraaf 1, eerste lid,
  2. a)tot
  3. j)bevindt, […] de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dit verzoek als kennelijk ongegrond [kan] beschouwen. In paragraaf 1 van hetzelfde artikel is sub
  4. b)het geval opgenomen dat “de verzoeker afkomstig is uit een veilig land van herkomst zoals bedoeld in paragraaf 3”. Anders dan verzoeker voorhoudt, houden de voornoemde bepalingen niet in dat een verzoek om internationale bescherming enkel kennelijk ongegrond kan worden verklaard met toepassing van de versnelde procedure. Artikel 74/14, § 3, 6°, van de vreemdelingenwet heeft betrekking op de situatie waarin de betrokkene zich bevindt en niet op de procedure waarvan de commissaris-generaal gebruik maakt. De mogelijkheid van afwijking van de termijn van 30 dagen om het grondgebied te verlaten is niet beperkt tot de gevallen waarin de versnelde procedure werd toegepast. Wat dat betreft brengt de toepassing van de versnelde procedure dus geen ander rechtsgevolg mee dan wanneer ze niet wordt toegepast. VII-42.033-3/4 Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 19 juni 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.033-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.457 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.