id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 04 juli 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.474 Rolnummer: A. 239141/VII-42045 Zaak: Cassatiebeschikking 15474 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 04/07/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-17 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-06 07:28 Fiche Beschikking nr 15.474 van 4 juli 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK CA/* BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.474 van 4 juli 2023 in de zaak A. 239.141/VII-42.045 In zake : XXXXX XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hajarpi Chatchatrian kantoor houdend te 8000 Brugge Langestraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 22 mei 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 287.830 van 20 april 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 2 juni 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ is als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Wel kan de Raad van State als cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk bestreden beslissing de inhoud van die wet zou hebben geschonden, zonder dat de Raad voor VII-42.045-1/6 State zich daarbij echter in de plaats van de annulatierechter kan stellen om zelf te oordelen of de motivering van die beslissing afdoende is of niet.
- Naar luid van artikel 9ter, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) kan “de in België verblijvende vreemdeling die zijn identiteit aantoont overeenkomstig § 2 en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, […] een machtiging tot verblijf in het Rijk aanvragen bij de minister of zijn gemachtigde”. Artikel 9ter, § 1, vijfde lid, van de vreemdelingenwet bepaalt dat “de beoordeling van het in het eerste lid vermelde risico, van de mogelijkheden van en van de toegankelijkheid tot behandeling in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, en van de in het medisch getuigschrift vermelde ziekte, haar graad van ernst en de noodzakelijk geachte behandeling, gebeurt door een ambtenaar-geneesheer of een geneesheer aangeduid door de minister of zijn gemachtigde die daaromtrent een advies verschaft. Deze geneesheer kan, indien hij dit nodig acht, de vreemdeling onderzoeken en een bijkomend advies inwinnen van deskundigen.” In de memorie van toelichting bij het ontwerp dat tot het voornoemde artikel 9ter heeft geleid, wordt eveneens vermeld dat de appreciatie van de medische attesten waarop de vreemdeling zich steunt wordt overgelaten aan de ambtenaar- geneesheer die een advies geeft aan de gemachtigde ambtenaar. Er wordt aan toegevoegd dat de ambtenaar-geneesheer volledig vrij wordt gelaten in zijn beoordeling van de medische elementen en dat hij, indien hij het noodzakelijk acht, het advies van deskundigen kan inwinnen. (Parl. St. Kamer, 2005-2006, nr. 51-2478/001, 35) Bij het onderzoek naar de mogelijkheid van een “adequate” behandeling, gaat de ambtenaar-geneesheer in voorkomend geval na of de vereiste medicatie beschikbaar en toegankelijk (verkrijgbaar) is in het land van herkomst.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest: VII-42.045-2/6 “2.1.2.
- De Raad merkt op dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 voorzien dat de beslissingen van de besturen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat de motivering de juridische en de feitelijke overwegingen dient te vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze motivering afdoende moet zijn. Deze uitdrukkelijke motiveringsplicht heeft tot doel de bestuurde, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid deze heeft genomen, zodat hij kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Het begrip ‘afdoende’, zoals vervat in artikel 3 van de wet van 29 juli 1991, impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing. De Raad stelt vast dat in de bestreden beslissing duidelijk het determinerende motief wordt aangegeven op grond waarvan deze beslissing is genomen. Er wordt, met verwijzing naar artikel 9ter van de Vreemdelingenwet en een advies van een ambtenaar-geneesheer, immers vastgesteld dat uit het door verzoekers voorgelegde medische dossier niet kan worden afgeleid dat S.B. lijdt aan een ziekte die een reëel risico inhoudt voor haar leven of haar fysieke integriteit of aan een ziekte die een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in haar land van herkomst of het land waar zij gewoonlijk verblijft. In het advies van de ambtenaar-geneesheer, waarnaar in deze beslissing expliciet wordt verwezen en dat samen met deze beslissing aan verzoekers ter kennis werd gebracht en waarvan de inhoud derhalve dient te worden geacht deel uit te maken van de motivering van de bestreden beslissing, wordt verder toegelicht dat de medische problemen van S.B. haar niet verhinderen om te reizen en wordt uiteengezet op grond van welke inlichtingen – met verwijzing naar bronnenmateriaal – en op basis van welke argumentatie tot het besluit wordt gekomen dat de vereiste medische zorgen in Iran beschikbaar en toegankelijk zijn. Deze motivering is pertinent en draagkrachtig. Ze laat verzoekers toe hun rechtsmiddelen met kennis van zaken aan te wenden. De Raad benadrukt voorts dat, in tegenstelling tot wat verzoekers lijken te veronderstellen, de formele motiveringsplicht, bij het nemen van een beslissing omtrent een aanvraag om machtiging tot verblijf om medische redenen, niet zo ver gaat dat, wanneer verweerder of een door hem aangestelde ambtenaar-geneesheer op basis van bronnenmateriaal dat is opgenomen in het administratief dossier en dat dus kan worden geverifieerd, vaststelt dat er gespecialiseerde artsen (in casu neurologen) in Iran zijn tot wie een persoon met medische problemen zich kan wenden en dat ook de medicijnen en medische behandelingen die deze persoon nodig heeft er verkrijgbaar zijn, er ook moet worden uiteengezet tot welke artsen of ziekenhuizen de betrokkene zich precies dient te wenden, waar deze artsen kunnen worden bereikt en op welke precieze locaties medicijnen kunnen worden verkregen. Uit artikel 9ter, § 1, van de Vreemdelingenwet volgt immers dat de verplichting van de door verweerder aangestelde ambtenaar-geneesheer niet verder reikt dan het onderzoeken of de vreemdeling die een verblijfsmachtiging aanvraagt kan reizen en of er een adequate behandeling is in het ‘land’ van herkomst of het land waar de aanvrager verblijft en niet of er op specifieke locaties in dat land een adequate behandeling kan worden verkregen. Het volstaat dus dat de arts-adviseur heeft vastgesteld dat de nodige behandeling beschikbaar en voldoende toegankelijk is in Iran en dit steun vindt in het administratief dossier (cf. RvS 15 mei 2019, nr. 13.316 (c)). Aangezien artikel 9ter, § 1 van de Vreemdelingenwet niet vereist dat wordt nagegaan op welke specifieke locaties in het herkomstland bepaalde zorgen of bepaalde medicijnen kunnen worden verkregen, kan uit het feit dat deze gegevens niet in het medisch advies van de ambtenaar-geneesheer zijn opgenomen geen schending van de uitdrukkelijke motiveringsplicht of van het beginsel van fair play worden afgeleid. VII-42.045-3/6 De formele motiveringplicht impliceert ook geenszins dat een bestuur al het bronnenmateriaal waarop het zich baseert om een beslissing te nemen bij deze beslissing dient te voegen of de geraadpleegde teksten in extenso, inclusief niet ter zake doende elementen, in de motivering van de bestreden beslissing dient op te nemen. Indien een bestuur dit zou doen dan dreigen de leesbaarheid en de begrijpbaarheid van de bestreden beslissing en derhalve ook de doelstelling van de formele motiveringsplicht in het gedrang te komen. Het volstaat dat de dienstige gegevens die in het bronnenmateriaal werden teruggevonden en die toelaten een bepaalde argumentatie op te bouwen worden vermeld in de administratieve beslissing (cf. RvS 23 april 2015, nr. 11.249 (c)). De door verweerder aangestelde ambtenaar- geneesheer heeft dit gedaan. Het gegeven dat verweerder geen (integrale) kopie van de door de aangestelde ambtenaar-geneesheer gebruikte bronnen, of van de in een niet- publieke databank teruggevonden documentatie, aangaande de beschikbaarheid en de toegankelijkheid van medische zorgen of opvolgingsmogelijkheden op specifieke locaties in Iran in de bestreden beslissing heeft opgenomen of bij deze beslissing heeft gevoegd, laat in casu dan ook niet toe te concluderen dat de motivering van de bestreden beslissing niet afdoende is. Verzoekers maken bovendien niet in concreto aannemelijk dat zij zich, door het ontbreken van de vermelding op welke precieze locaties de vereiste zorgen beschikbaar zijn, niet of onvoldoende kunnen verweren tegen de ter zake doende vaststelling dat een adequate behandeling in Iran beschikbaar is. Er blijkt derhalve niet dat het normdoel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht niet werd bereikt. Ten overvloede wijst de Raad er nog op dat in het advies van de ambtenaar- geneesheer daarenboven expliciet wordt gesteld dat één van de dertien universitaire centra die werden opgericht ter behandeling van multiple-sclerose zich bevindt in de stad waar verzoekster voorheen verbleef in Iran. Een schending van de formele motiveringsplicht, zoals deze voortvloeit uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, in samenhang gelezen met artikel 9ter van de Vreemdelingenwet, of van het beginsel van fair play wordt niet aangetoond.”
- Wat de beschikbaarheid en de toegankelijkheid van de vereiste medische zorgen voor eerste verzoekster in Iran betreft, oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest dus dat “[i]n het advies van de ambtenaar-geneesheer, waarnaar in deze beslissing expliciet wordt verwezen en dat samen met deze beslissing aan verzoekers ter kennis werd gebracht en waarvan de inhoud derhalve dient te worden geacht deel uit te maken van de motivering van de bestreden beslissing, […] wordt uiteengezet op grond van welke inlichtingen – met verwijzing naar bronnenmateriaal – en op basis van welke argumentatie tot het besluit wordt gekomen dat de vereiste medische zorgen in Iran beschikbaar en toegankelijk zijn”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft de inhoud van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ niet geschonden door te aanvaarden dat in de aanvankelijk bestreden beslissing (of het daaraan voorafgaande advies van de ambtenaar-geneesheer) niet uitdrukkelijk wordt vermeld waar die vereiste medische zorgen precies beschikbaar zijn. Met VII-42.045-4/6 vermelding van de precieze stukken waarop zijn conclusie is gesteund, geeft de ambtenaar- geneesheer immers aan dat de vereiste medische zorgen (en medicatie) beschikbaar en toegankelijk zijn voor eerste verzoekster in Iran. De in de voormelde bepalingen vervatte formelemotiveringsplicht gaat niet zover dat in het advies van de ambtenaar-geneesheer of de navolgende beslissing concreet moet worden aangegeven op welke plaatsen die zorgen beschikbaar en toegankelijk zijn. Het is evenmin vereist dat de stukken waarop het advies van de ambtenaar-geneesheer en de beslissing zelf zijn gesteund, in hun geheel in dat advies of die beslissing worden opgenomen. De kwestieuze stukken, afkomstig van MedCoi, worden nominatim vermeld in het advies van de ambtenaar-geneesheer, ze maken deel uit van het administratief dossier en de verzoekende partijen kunnen er kennis van nemen om de juistheid van de gegeven motieven desgewenst na te gaan. Derhalve heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met zijn beoordeling dienaangaande ook niet het recht van verdediging geschonden.
- Volgens de verzoekers zijn de bewoordingen van het bestreden arrest betreffende het bestaan van een reëel risico voor het leven of de fysieke integriteit van eerste verzoekster in strijd met de bewoordingen van de aanvankelijk bestreden beslissing en zou de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aldus in strijd met artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet zelf een andere conclusie hebben getrokken. Het door de verzoekende partijen in het middel weergegeven citaat komt echter niet voor in de aanvankelijk bestreden beslissing. In die beslissing staat wel: “ Derhalve 1) kan uit het voorgelegd medische dossier niet worden afgeleid dat betrokkene lijdt aan een ziekte die een reëel risico inhoudt voor het leven of de fysieke integriteit, of 2) kan uit het voorgelegd medische dossier niet worden afgeleid dat betrokkene lijdt aan een ziekte die een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in het land van herkomst of het land waar de betrokkene gewoonlijk verblijft.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt zelf: “Er wordt, met verwijzing naar artikel 9ter van de Vreemdelingenwet en een advies van een ambtenaar-geneesheer, immers vastgesteld dat uit het door verzoekers voorgelegde medische dossier niet kan worden afgeleid dat S.B. lijdt aan een ziekte die een reëel risico inhoudt voor haar leven of haar fysieke integriteit of aan een ziekte die een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling VII-42.045-5/6 wanneer er geen adequate behandeling is in haar land van herkomst of het land waar zij gewoonlijk verblijft.” De voormelde bewoordingen uit het bestreden arrest en uit de aanvankelijk bestreden beslissing stemmen met elkaar overeen, minstens tonen de verzoekende partijen het tegendeel niet aan. Er valt dan ook niet in te zien hoe de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een eigen beoordeling zou hebben gemaakt in de plaats van deze in de aanvankelijk bestreden beslissing.
- Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 4 juli 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.045-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.474 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div