id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 05 juli 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.488 Rolnummer: A. 239206/VII-42056 Zaak: Cassatiebeschikking 15488 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 05/07/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-17 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-06 07:28 Fiche Beschikking nr 15.488 van 5 juli 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK CA/. BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.488 van 5 juli 2023 in de zaak A. 239.206/VII-42.056 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 mei 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 287.888 van 21 april 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 6 juni 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- In de mate dat verzoeker zijn voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerde kritiek tegen de beslissing van de verwerende partij van 24 oktober 2022 herhaalt, gaat het niet om kritiek tegen het bestreden arrest. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
- Verzoeker verwijst naar de drie categorieën van personen die door artikel 1 F, van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, VII-42.056-1/5 ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (hierna: vluchtelingenverdrag), worden uitgesloten van de toepassing van dit verdrag, waaronder degene die “een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten”. Verzoeker laat eerst gelden “dat in dit kader tevens het bestaan van een werkelijk, actueel en voldoende ernstig gevaar voor de samenleving van de ontvangende lidstaat (in casu België) moet worden vastgesteld” en dat “tevens een evenredigheidstoetsing [dient] te worden uitgevoerd alvorens toepassing kan worden gemaakt van de uitsluitingsclausule”. Verzoeker voert verder aan dat “[i]n het onderzoek naar een uitsluiting van de internationale beschermingsstatus […] de concrete omstandigheden, waaronder tevens het actueel karakter van het gevaar voor de lidstaat als de gevolgen van de toepassing van de uitsluitingsclausule, een belangrijke rol [spelen] en […] tevens onderzocht [dienen] te worden”. Volgens verzoeker moeten deze elementen apart worden onderzocht. Hij steunt zich hiervoor op het standpunt van de advocaat-generaal van 16 februari 2023 in de zaak van het Hof van Justitie van de Europese Unie nr. C-663/
- Op grond van het voorgaande acht verzoeker artikel 1 F, van het vluchtelingenverdrag, de artikelen 12, 14 en 17 van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95) en de artikelen 55/2 en 55/4 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) geschonden.
- Naar luid van artikel 1 F, 2, van het vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dit verdrag “niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen, dat […] hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten”. Artikel 55/2 van de vreemdelingenwet bepaalt dat “[e]en vreemdeling wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer hij valt onder artikel 1 D, VII-42.056-2/5 E of F van het Verdrag van Genève”. Naar luid van artikel 55/4, § 1, eerste lid, c), van dezelfde wet wordt een vreemdeling uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus “wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat […] hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd”. Deze bepalingen vormen de omzetting in het Belgische recht van de desbetreffende bepalingen van richtlijn 2011/
- Zo stelt artikel 11.2, b), van richtlijn 2011/95 dat “[e]en onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat […] hij buiten het land van toevlucht een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten”. Artikel 17.1, b), van deze richtlijn voorziet dat “[e]en onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van subsidiaire bescherming wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat […] hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd”.
- In de voornoemde bepalingen gaat het telkens om een “ernstig misdrijf”, zonder dat de door verzoeker genoemde bijkomende voorwaarden van een werkelijk, actueel en voldoende gevaar voor de samenleving en een evenredigheidstoets zijn opgenomen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft zich in zijn arrest van 13 september 2018 in de zaak C-369/17, Shajin Ahmed tegen Hongarije, waarnaar ook in het bestreden arrest wordt verwezen, uitgesproken over het begrip “ernstig misdrijf” in artikel 17.1, b) van richtlijn 2011/
- Het Hof heeft hierbij onder meer vastgesteld dat de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus twee verschillende beschermingsregimes zijn en dat de voornoemde uitsluitingsgrond een bredere werkingssfeer heeft dan de in artikel 13.2, b), van richtlijn 2011/95 voorziene uitsluitingsgrond van de vluchtelingenstatus. Het Hof merkt op dat het voornoemde artikel 17.1, b), “immers meer algemeen een ernstig misdrijf [betreft], dus zonder dat er sprake is van beperkingen in geografische of temporele zin of met betrekking tot de aard van het misdrijf”. Verder heeft het Hof enkel gesteld “dat de straf die volgens het strafrecht van de betrokken lidstaat op een misdrijf is gesteld, weliswaar bijzonder belangrijk is bij de beoordeling of er sprake is van een ernstig misdrijf” in de zin van het meergenoemde artikel 17.1, b), maar dat de bevoegde autoriteit slechts gebruik kan maken van deze uitsluitingsgrond “na met betrekking tot de individuele persoon de haar ter kennis gebrachte feiten te hebben onderzocht om uit te maken of er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de daden van de betrokkene, die voor VII-42.056-3/5 het overige voldoet aan de criteria om de gevraagde status te krijgen, onder de desbetreffende uitsluitingsgrond vallen”. Volgens het Hof “dient bij de beoordeling van de ernst van het desbetreffende misdrijf een volledig onderzoek naar alle omstandigheden van het specifieke geval [uitgevoerd te worden]”. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dus dat een volledig onderzoek naar alle omstandigheden van het specifieke geval moet worden uitgevoerd om na te gaan of het om een ernstig misdrijf gaat, maar er is geen sprake van een onderzoek naar een mogelijk (actueel) gevaar voor de samenleving. Verzoeker verwijst niet dienstig naar artikel 14.4, b), van richtlijn 2011/95, dat de mogelijkheid voorziet de vluchtelingenstatus in te trekken, te beëindigen of de verlenging ervan te weigeren wanneer de betrokkene “een gevaar vormt voor de samenleving van die lidstaat, omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf”. In de eerste plaats heeft deze richtlijnbepaling enkel betrekking op het “intrekken, beëindigen of weigeren te verlengen” van de vluchtelingenstatus, terwijl het te dezen gaat om de uitsluiting bij een verzoek om internationale bescherming. In de tweede plaats gaat het om een andere voorwaarde dan deze in de artikelen 11.2, b), en 17.1, b), van richtlijn 2011/
- Zo vormt het in artikel 17.1, d), van richtlijn 2011/95 voorziene geval dat de betrokkene “een gevaar vormt voor de gemeenschap of voor de veiligheid van de lidstaat waar hij zich bevindt” een afzonderlijke grond tot uitsluiting van de subsidiaire beschermingsstatus, die derhalve moet worden onderscheiden van littera b) van die bepaling en waarvoor het gepleegd hebben van een ernstig misdrijf niet noodzakelijk is.
- Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. VII-42.056-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op 5 juli 2023, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.056-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.488 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div