id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 juli 2023 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2023:ORD.15.497 Rolnummer: A. 239194/VII-42054 Zaak: Cassatiebeschikking 15497 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/07/2023 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2023-07-10 Raadplegingen: 81 - laatst gezien 2026-06-06 07:29 Fiche Beschikking nr 15.497 van 6 juli 2023 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 15.497 van 6 juli 2023 in de zaak A. 239.194/VII-42.054 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tristan Wibault kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 mei 2023, strekt tot de cassatie van arrest nr. 287.921 van 21 april 2023 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 6 juni 2023 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. Eerste middel 1. Verzoeker voert aan dat “[h]et onderscheid tussen actoren vermeld in artikel 48/5, § 1 van de Vreemdelingenwet en factoren […] artificieel, achterhaald, onwerkbaar en onhoudbaar [is]” en dat de toepassing van de voormelde bepaling te dezen de uitlegging behoeft van artikel 15, b), van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 VII-42.054 -1/7 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95). Volgens verzoeker kan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 december 2014 in de zaak C‑542/13, M’Bodj tegen België (hierna: arrest M’Bodj), in casu niet naar analogie worden toegepast omdat de specifieke feitelijke (medische) context van dit arrest teveel verschilt van een situatie waarin sprake is van een schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ingevolge een uiterst precaire socio- economische en humanitaire situatie. Verzoeker besluit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet antwoordt op zijn argumentatie dat het arrest M’Bodj te dezen niet kan worden toegepast en dat artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet) wordt geschonden “door een foutieve interpretatie van EU recht”. 2. Verzoeker heeft in het vijfde onderdeel van zijn tweede middel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerd dat het woord “opzettelijk” in het arrest M’Bodj redelijkerwijs betrekking heeft op de context van toegang tot medische zorgen, dat het begrip “opzettelijkheid” een andere interpretatie krijgt binnen de context van een burgeroorlog en een ongeziene humanitaire crisis en dat, anders dan in de aanvankelijk bestreden beslissing wordt besloten, de taliban aan de basis liggen van de huidige humanitaire crisis en er ontegensprekelijk een verantwoordelijkheid voor dragen. 3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dienaangaande in het bestreden arrest dat een onmenselijke behandeling moet worden veroorzaakt door een opzettelijk handelen of nalaten dat uitgaat van een actor en dat is gericht tegen een verzoeker, dat een algemene precaire socio-economische en humanitaire situatie niet zonder meer valt onder het toepassingsgebied van artikel 48/4, § 2, b), van de vreemdelingenwet, dat uit de beschikbare landeninformatie niet kan worden vastgesteld dat een specifieke actor overwegend, laat staan als enige, verantwoordelijk is voor de humanitaire omstandigheden in Afghanistan, ook niet na de machtsovername door de taliban in augustus 2021, dat tal van factoren aan de basis liggen van de actuele socio-economische en humanitaire situatie in Afghanistan, waaronder een reeds bestaande precaire economische situatie, milieuomstandigheden zoals natuurrampen en een terugkerende droogte die in combinatie VII-42.054 -2/7 met het gewapend conflict en aanhoudend geweld nefast is voor de voedselzekerheid, alsook de specifieke economische gevolgen van de machtsovername door de taliban, die door de internationale gemeenschap niet wordt erkend als een legitieme Afghaanse overheid, dat de humanitaire situatie in Afghanistan werd veroorzaakt door een multidimensionale crisis waarvan niet kan worden vastgesteld dat een specifieke actor er overwegend, laat staan als enige, verantwoordelijk voor is, dat de precaire socio-economische en humanitaire situatie in Afghanistan het gevolg is van een complexe wisselwerking tussen verschillende elementen en economische factoren, waarvan een aantal factoren reeds voor de machtsovername door de taliban in het land aanwezig waren, dat er daarnaast de economische gevolgen zijn, veroorzaakt door een combinatie van beslissingen genomen door buitenlandse regeringen en internationale instellingen, enerzijds, alsook door bepaalde beleidsbeslissingen van de taliban gepaard met hun falen om tegemoet te komen aan bepaalde eisen in ruil voor internationale bijstand, anderzijds, dat er tot slot milieuomstandigheden zijn, zoals de aanhoudende ernstige droogte en andere natuurrampen die een aanzienlijke impact hebben, dat verzoeker niet aantoont dat hij bij terugkeer naar Afghanistan door de taliban of enige andere actor op intentionele en gerichte wijze zou worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling en dat bij gebrek aan een actor in de zin van artikel 48/5, § 1, van de Vreemdelingenwet en een element van opzettelijkheid, blijkt dat in casu geen toepassing kan worden gemaakt van artikel 48/4, § 2, b), van de vreemdelingenwet en dat de huidige precaire socio-economische en humanitaire situatie in Afghanistan dan ook geen aanleiding geeft tot het toekennen van internationale bescherming. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat het risico voor verzoeker om bij terugkeer naar Afghanistan terecht te komen in een situatie van extreme armoede die wordt gekenmerkt door de onmogelijkheid om te voorzien in elementaire levensbehoeften zoals voedsel, hygiëne en huisvesting, in deze stand van zaken niet valt onder het toepassingsgebied van artikel 48/4, § 2, b), van de vreemdelingenwet. Met het voorgaande geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan welke volgens hem de strekking is van artikel 48/4, § 2, b), van de vreemdelingenwet, namelijk dat precaire socio-economische omstandigheden op zich geen toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus verantwoorden maar dat deze omstandigheden opzettelijk moeten worden veroorzaakt door een actor, hetgeen volgens het bestreden arrest te dezen niet het geval is. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft hiermee aan welke interpretatie volgens hem moet worden gevolgd, dit in tegenstelling tot de interpretatie die verzoeker voorstelt. Derhalve is voldaan aan de jurisdictionele motiveringsplicht en diende de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet uitdrukkelijk in VII-42.054 -3/7 te gaan op verzoekers argumentatie dat te dezen niet kan worden verwezen naar de in het arrest M’Bodj gemaakte beoordeling. 4. Artikel 15 van richtlijn 2011/95, met als opschrift „Ernstige schade”, dat staat in hoofdstuk V „Voorwaarden om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming” en dat overeenstemt met artikel 15 van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 ‘inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming’, bepaalt: “Ernstige schade bestaat uit:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.